Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-22
ECLI:NL:RBAMS:2026:4165
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
8,184 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4165 text/xml public 2026-05-04T14:52:49 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-22 13-015871-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4165 text/html public 2026-04-30T13:26:47 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4165 Rechtbank Amsterdam , 22-04-2026 / 13-015871-26 Vervolgings-EAB België. Overlevering toegestaan. Genoegzaamheidsverweer verworpen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht. Artikel 6 OLW. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft op de zitting medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de terugkeergarantie. Artikel 11 OLW. Detentieomstandigheden in België. Individuele detentiegarantie verstrekt en voldoende bevonden. Verweer raadsman verworpen. Waar de Belgische advocaat op heeft gewezen ziet, wat daar verder ook van zij, op het reeds aangenomen algemene reële gevaar. Met de verstrekte individuele detentiegarantie wordt het algemene gevaar weggenomen. Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak afgewezen. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-015871-26 Datum uitspraak: 22 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2026 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zij raadsman, mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat in Maastricht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 14 januari 2026 uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon met kenmerk TG18.LB.15420/25 – 25C019158. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid van het EAB 4.1 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe bepleit dat het EAB niet genoegzaam is. Uit onderdeel e) van het EAB blijkt onvoldoende op welke wijze de opgeëiste persoon concreet betrokken zou zijn geweest bij de strafbare feiten en waarom hij als verdachte beschouwd wordt. Het is voor de opgeëiste persoon dan ook niet duidelijk voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie is het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – genoegzaam. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdata en de rol van de opgeëiste persoon waardoor voldoende duidelijk is geworden voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht. De gerechtvaardigdheid van de verdenkingen tegen de opgeëiste persoon behoeft in deze procedure niet te worden onderbouwd met bewijsmateriaal. Dat is een kwestie die in het kader van de vervolging in België aan de orde zal moeten komen. 4.2 Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Uit de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB en uit het A-formulier blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met diefstallen van (luxe) voertuigen. Volgens de verdenking, zoals beschreven in het EAB, is een Porsche op 18 juli 2025 in Genk gestolen door twee bij naam genoemde medeverdachten. Verder is op 22 oktober 2025 een Fiat 500 in Maastricht gestolen. Eén van de medeverdachten zou enkele uren voorafgaand aan de feiten zich opgehouden hebben in de [plaats] waar de opgeëiste persoon woonachtig is, terwijl de opgeëiste persoon kennelijk ook omgaat met andere verdachten in het dossier. Voorts is vermeld dat de opgeëiste persoon zowel in België als in Nederland eerder is veroordeeld, onder meer voor de diefstal van een oldtimer, en is hij eerder samen met een medeverdachte veroordeeld voor heling en bendevorming. Tot slot vermeldt het A-formulier dat de rol van de opgeëiste persoon als ‘dader’ wordt aangemerkt. Gelet op de hiervoor weergegeven omschrijving is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. 5 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangemerkt als zogenoemde lijstfeiten en deze gekwalificeerd als “ bendevorming ” en “ diefstal met valse sleutels ”. Deze kwalificaties zijn in deze bewoordingen in Nederland niet opgenomen op de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De rechtbank begrijpt evenwel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit hiermee kennelijk gedoeld heeft op: deelneming aan een criminele organisatie; en georganiseerde of gewapende diefstal, welke feiten wel op de voornoemde lijst zijn opgenomen. Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De opgeëiste persoon heeft op de zitting medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van die garantie. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in België 7.1 Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:4165 text/xml public 2026-05-04T14:52:49 2026-04-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-22 13-015871-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4165 text/html public 2026-04-30T13:26:47 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:4165 Rechtbank Amsterdam , 22-04-2026 / 13-015871-26 Vervolgings-EAB België. Overlevering toegestaan. Genoegzaamheidsverweer verworpen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht. Artikel 6 OLW. De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft op de zitting medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de terugkeergarantie. Artikel 11 OLW. Detentieomstandigheden in België. Individuele detentiegarantie verstrekt en voldoende bevonden. Verweer raadsman verworpen. Waar de Belgische advocaat op heeft gewezen ziet, wat daar verder ook van zij, op het reeds aangenomen algemene reële gevaar. Met de verstrekte individuele detentiegarantie wordt het algemene gevaar weggenomen. Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak afgewezen. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-015871-26 Datum uitspraak: 22 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2026 door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zij raadsman, mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat in Maastricht. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 14 januari 2026 uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon met kenmerk TG18.LB.15420/25 – 25C019158. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid van het EAB 4.1 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe bepleit dat het EAB niet genoegzaam is. Uit onderdeel e) van het EAB blijkt onvoldoende op welke wijze de opgeëiste persoon concreet betrokken zou zijn geweest bij de strafbare feiten en waarom hij als verdachte beschouwd wordt. Het is voor de opgeëiste persoon dan ook niet duidelijk voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie is het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – genoegzaam. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaats, pleegdata en de rol van de opgeëiste persoon waardoor voldoende duidelijk is geworden voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht. De gerechtvaardigdheid van de verdenkingen tegen de opgeëiste persoon behoeft in deze procedure niet te worden onderbouwd met bewijsmateriaal. Dat is een kwestie die in het kader van de vervolging in België aan de orde zal moeten komen. 4.2 Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Uit de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB en uit het A-formulier blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met diefstallen van (luxe) voertuigen. Volgens de verdenking, zoals beschreven in het EAB, is een Porsche op 18 juli 2025 in Genk gestolen door twee bij naam genoemde medeverdachten. Verder is op 22 oktober 2025 een Fiat 500 in Maastricht gestolen. Eén van de medeverdachten zou enkele uren voorafgaand aan de feiten zich opgehouden hebben in de [plaats] waar de opgeëiste persoon woonachtig is, terwijl de opgeëiste persoon kennelijk ook omgaat met andere verdachten in het dossier. Voorts is vermeld dat de opgeëiste persoon zowel in België als in Nederland eerder is veroordeeld, onder meer voor de diefstal van een oldtimer, en is hij eerder samen met een medeverdachte veroordeeld voor heling en bendevorming. Tot slot vermeldt het A-formulier dat de rol van de opgeëiste persoon als ‘dader’ wordt aangemerkt. Gelet op de hiervoor weergegeven omschrijving is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. 5 Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangemerkt als zogenoemde lijstfeiten en deze gekwalificeerd als “ bendevorming ” en “ diefstal met valse sleutels ”. Deze kwalificaties zijn in deze bewoordingen in Nederland niet opgenomen op de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De rechtbank begrijpt evenwel dat de uitvaardigende justitiële autoriteit hiermee kennelijk gedoeld heeft op: deelneming aan een criminele organisatie; en georganiseerde of gewapende diefstal, welke feiten wel op de voornoemde lijst zijn opgenomen. Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De opgeëiste persoon heeft op de zitting medegedeeld dat hij geen beroep wenst te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van die garantie. 7 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in België 7.1 Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Volledig
Bij brief van 2 maart 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Leuven Hulp indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” 7.2 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon van zijn Belgische advocaat heeft begrepen dat in de detentie-instelling Leuven Hulp grondslapers zijn en dus niet voor een ieder een bed beschikbaar is. De verstrekte individuele detentiegarantie is daarom ontoereikend om het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Om die reden dient geen gevolg te worden gegeven aan het EAB. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie heeft het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden betrekking op de zogenoemde grondslapersproblematiek. Dit gevaar wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele garantie, omdat daarin is gewaarborgd dat voor de opgeëiste persoon een bed beschikbaar zal zijn. Artikel 11 OLW staat derhalve niet aan de overlevering in de weg. 7.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten van 2 maart 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 2 maart 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden). Het door de raadsman gevoerde verweer leidt niet tot een ander oordeel. Waar de Belgische advocaat op heeft gewezen ziet, wat daar verder ook van zij, op het reeds aangenomen algemene reële gevaar. Vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, wordt met de in deze zaak verstrekte individuele detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman. 8 Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak De opgeëiste persoon heeft ter zitting de rechtbank verzocht om de overleveringsdetentie ook na de uitspraak te schorsen tot aan de feitelijke overlevering aan België, zodat hij zorg kan blijven dragen voor zijn ernstig zieke moeder. De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank ziet geen reden om de gevangenhouding ook na de uitspraak te schorsen. Artikel 64, eerste lid, OLW biedt in beginsel geen mogelijkheid hiertoe, tenzij er – gezien de bijzondere omstandigheden – sprake is van strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen sprake. Daarbij komt dat het toestaan van de overlevering in zijn algemeenheid het vluchtgevaar vergroot. Vanaf dat moment staat immers vast dat de opgeëiste persoon ter uitvoering van het EAB feitelijk zal worden overgeleverd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Dit rechtvaardigt in beginsel reeds het voortduren van de overleveringsdetentie. Een dergelijke schorsing is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de door de opgeëiste persoon aangevoerde omstandigheden, is in dit geval geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een schorsing kunnen rechtvaardigen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. WIJST AF het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding tot aan het moment van de feitelijke overlevering. Deze uitspraak is gedaan door: mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Volledig
Bij brief van 2 maart 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Leuven Hulp indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” 7.2 Standpunten van partijen Standpunt van de raadsman De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon van zijn Belgische advocaat heeft begrepen dat in de detentie-instelling Leuven Hulp grondslapers zijn en dus niet voor een ieder een bed beschikbaar is. De verstrekte individuele detentiegarantie is daarom ontoereikend om het algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon weg te nemen. Om die reden dient geen gevolg te worden gegeven aan het EAB. Standpunt van de officier van justitie Volgens de officier van justitie heeft het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden betrekking op de zogenoemde grondslapersproblematiek. Dit gevaar wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele garantie, omdat daarin is gewaarborgd dat voor de opgeëiste persoon een bed beschikbaar zal zijn. Artikel 11 OLW staat derhalve niet aan de overlevering in de weg. 7.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank is, gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten van 2 maart 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 2 maart 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden). Het door de raadsman gevoerde verweer leidt niet tot een ander oordeel. Waar de Belgische advocaat op heeft gewezen ziet, wat daar verder ook van zij, op het reeds aangenomen algemene reële gevaar. Vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, wordt met de in deze zaak verstrekte individuele detentiegarantie het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman. 8 Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak De opgeëiste persoon heeft ter zitting de rechtbank verzocht om de overleveringsdetentie ook na de uitspraak te schorsen tot aan de feitelijke overlevering aan België, zodat hij zorg kan blijven dragen voor zijn ernstig zieke moeder. De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van de overleveringsdetentie na de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank ziet geen reden om de gevangenhouding ook na de uitspraak te schorsen. Artikel 64, eerste lid, OLW biedt in beginsel geen mogelijkheid hiertoe, tenzij er – gezien de bijzondere omstandigheden – sprake is van strijd met artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen sprake. Daarbij komt dat het toestaan van de overlevering in zijn algemeenheid het vluchtgevaar vergroot. Vanaf dat moment staat immers vast dat de opgeëiste persoon ter uitvoering van het EAB feitelijk zal worden overgeleverd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Dit rechtvaardigt in beginsel reeds het voortduren van de overleveringsdetentie. Een dergelijke schorsing is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de door de opgeëiste persoon aangevoerde omstandigheden, is in dit geval geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die een schorsing kunnen rechtvaardigen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. WIJST AF het verzoek tot schorsing van de gevangenhouding tot aan het moment van de feitelijke overlevering. Deze uitspraak is gedaan door: mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.