Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-23
ECLI:NL:RBAMS:2026:3940
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,073 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3940 text/xml public 2026-05-04T08:12:44 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-23 25/1567 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3940 text/html public 2026-05-04T08:12:16 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3940 Rechtbank Amsterdam , 23-04-2026 / 25/1567 vergunning straatartiest: van rechtswege verleend betekent niet dat verweerder geen voorwaarden aan de vergunning mocht verbinden. De rechtbank is van oordeel dat geen onredelijke voorwaarden aan de vergunning verbonden zijn. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1567 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en de burgemeester van [plaats] , verweerder (gemachtigde: [gemachtigde 2] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser voor een vergunning om als straatartiest op te treden. Eiser is het niet eens met de aan die vergunning gekoppelde voorwaarden. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan de vergunning gekoppelde voorwaarden. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover dit ziet op de verleende vergunning, ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een vergunning om als straatartiest te mogen optreden met een zogeheten cirkelshow. Op 4 juli 2024 is de vergunning, nadat de beslistermijn was verstreken en nadat eiser een beroep niet-tijdig had ingediend, van rechtswege verleend. Verweerder heeft op 8 augustus de van rechtswege verleende vergunning bekend gemaakt. Eiser heeft daartegen bezwaar ingesteld omdat de vergunning niet conform de aanvraag is verleend. Omdat verweerder niet binnen de daarvoor geldende termijn een beslissing op bezwaar nam, heeft eiser ook in deze fase een beroep niet-tijdig ingediend. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder vervolgens het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft getracht door middel van een beeldverbinding deel te nemen aan de zitting, maar door technische problemen is dit niet gelukt. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser diens standpunten genoegzaam aan hem kenbaar heeft gemaakt, waardoor de zitting kan plaatsvinden. Beoordeling door de rechtbank De vergunning 6. Eiser heeft een vergunning gevraagd om als straatartiest te mogen optreden. Het betreft een aanvraag voor een zogeheten ‘cirkelshow straattheater’. Eiser vraagt: • een maximaal toegestane totale tijdsduur van 45 minuten per optreden, • een maximum aantal optredens van twee optredens per dag op dezelfde plek, • toestemming om gebruik te mogen maken van een éénwielfiets en vuurtoortsen, • toestemming om gebruik te mogen maken van geluidsversterking voor spraak (gedurende de gehele show niet hoger dan 74 dB(a)) en muziek (gedurende maximaal 3 minuten), • overigens zonder restricties betreffende dagen, tijden en plekken. 7. De vergunning is aan eiser van rechtswege verleend nadat verweerder niet binnen de beslistermijn op de aanvraag had beslist. Aan deze vergunning zijn standaardvoorwaarden gekoppeld, voortvloeiend uit de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV). Voor zover hier van belang had eiser, anders dan is vergund, gevraagd om ook versterkte muziek af te spelen voor de duur van drie minuten. Daarnaast had eiser gevraagd om 45 minuten te kunnen optreden, bestaande uit een voorbereidingstijd van tien minuten en een daadwerkelijke show 35 minuten. Conform de verleende vergunning mag eiser 30 minuten optreden, exclusief tien minuten die bedoeld zijn voor het opbouwen van de show. 8. Eiser voert aan dat de lex silencio positivo van kracht is. Hij vroeg een vergunning aan, maar binnen de beslistermijn van deze aanvraag werd door verweerder niet gereageerd. De vergunning is daarom van rechtswege verleend. Eiser voert aan dat het leerstuk van de lex silencio positivo ertoe leidt dat een bestuursorgaan bij een van rechtswege verleende vergunning die vergunning in beginsel conform aanvraag wordt verleend. Dit kan anders zijn op grond van artikel 4.20e van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van standaardvoorschriften die in een desbetreffende vergunning worden opgenomen. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de in artikel 2.49, derde lid van de APV opgesomde omstandigheden presenteert als standaardvoorschriften. De vergunning kent voor eiser geenszins meerwaarde nu al hetgeen hij op grond van de vergunning mag, hij ook zonder vergunning mag uitvoeren. Voor zover het gaat om het gebruik van een spraakversterker, had dit ook niet vergund hoeven worden, nu dit reeds is toegestaan op grond van gedoogbeleid uit 2010 van toenmalig burgemeester Job Cohen. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan het gestelde in het derde lid van artikel 2.49 van de APV. Eiser wenst gebruik te maken van een spraakversterker, wenst gedurende drie minuten versterkte muziek ten gehore te brengen en wenst zijn optreden 45 minuten te laten duren. Anders dan eiser stelt, betekent een van rechtswege verleende vergunning niet automatisch dat deze is verleend conform de aanvraag. 10. De rechtbank is van oordeel dat aan de van rechtswege verleende vergunning geen onredelijke voorwaarden verbonden zijn. Uit artikel 4:20e van de Awb volgt dat indien in een wettelijk voorschrift of beleidsregel bepaalde voorschriften zijn opgenomen, deze ook deel uitmaken van een van rechtswege verleende beschikking. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat trage besluitvorming, met een van rechtswege verleende vergunning als gevolg, voor de maatschappij onwenselijke gevolgen met zich brengt. De uit de APV, meer in het bijzonder uit artikel 2.49 van de APV volgende voorschriften, konden daarom worden verbonden aan de van rechtswege verleende vergunning. De stelling van eiser dat het gebruik van een spraakversterker niet vergund had hoeven worden omdat dit in 2010 door toenmalig burgemeester Cohen werd gedoogd, wordt door de rechtbank ook niet gevolgd. Voor zover er destijds sprake was een gedoogbeleid, heeft verweerder nadien beleid gemaakt waaruit volgt dat voor het gebruik van een spraakversterker wel een vergunning vereist is. Een eventueel gedoogbeleid is daarmee vervallen. 10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser voor dit deel van de procedure niet in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten. Evenmin komt eiser in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht. Beroep niet-tijdig en rente over dwangsom 12. Eiser heeft op 6 maart 2025 een beroep niet-tijdig ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Doordat verweerder thans al heeft beslist, heeft eiser geen belang meer bij het beroep niet-tijdig. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk. 13. Eiser heeft echter wel terecht een beroep-niet tijdig ingesteld, want verweerder heeft pas na het instellen van dit beroep beslist. Dit betekent dat eiser voor dit deel van de procedure een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat het hier alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Het griffierecht krijgt eiser niet terug. Er is slechts éénmaal griffierecht betaald terwijl er twee beroepen zijn. 14. Het bestreden besluit was dus buiten de geldende beslistermijn genomen. Inmiddels is bij besluit van 22 januari 2026 de maximale dwangsom van € 1.442,- vastgesteld. Ter zitting is vastgesteld dat dit bedrag op 2 maart 2026 daadwerkelijk is betaald. Niet is in geschil dat verweerder aan eiser wettelijke rente is verschuldigd.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3940 text/xml public 2026-05-04T08:12:44 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-23 25/1567 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3940 text/html public 2026-05-04T08:12:16 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3940 Rechtbank Amsterdam , 23-04-2026 / 25/1567 vergunning straatartiest: van rechtswege verleend betekent niet dat verweerder geen voorwaarden aan de vergunning mocht verbinden. De rechtbank is van oordeel dat geen onredelijke voorwaarden aan de vergunning verbonden zijn. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1567 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en de burgemeester van [plaats] , verweerder (gemachtigde: [gemachtigde 2] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiser voor een vergunning om als straatartiest op te treden. Eiser is het niet eens met de aan die vergunning gekoppelde voorwaarden. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan de vergunning gekoppelde voorwaarden. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover dit ziet op de verleende vergunning, ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een vergunning om als straatartiest te mogen optreden met een zogeheten cirkelshow. Op 4 juli 2024 is de vergunning, nadat de beslistermijn was verstreken en nadat eiser een beroep niet-tijdig had ingediend, van rechtswege verleend. Verweerder heeft op 8 augustus de van rechtswege verleende vergunning bekend gemaakt. Eiser heeft daartegen bezwaar ingesteld omdat de vergunning niet conform de aanvraag is verleend. Omdat verweerder niet binnen de daarvoor geldende termijn een beslissing op bezwaar nam, heeft eiser ook in deze fase een beroep niet-tijdig ingediend. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder vervolgens het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft getracht door middel van een beeldverbinding deel te nemen aan de zitting, maar door technische problemen is dit niet gelukt. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat eiser diens standpunten genoegzaam aan hem kenbaar heeft gemaakt, waardoor de zitting kan plaatsvinden. Beoordeling door de rechtbank De vergunning 6. Eiser heeft een vergunning gevraagd om als straatartiest te mogen optreden. Het betreft een aanvraag voor een zogeheten ‘cirkelshow straattheater’. Eiser vraagt: • een maximaal toegestane totale tijdsduur van 45 minuten per optreden, • een maximum aantal optredens van twee optredens per dag op dezelfde plek, • toestemming om gebruik te mogen maken van een éénwielfiets en vuurtoortsen, • toestemming om gebruik te mogen maken van geluidsversterking voor spraak (gedurende de gehele show niet hoger dan 74 dB(a)) en muziek (gedurende maximaal 3 minuten), • overigens zonder restricties betreffende dagen, tijden en plekken. 7. De vergunning is aan eiser van rechtswege verleend nadat verweerder niet binnen de beslistermijn op de aanvraag had beslist. Aan deze vergunning zijn standaardvoorwaarden gekoppeld, voortvloeiend uit de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV). Voor zover hier van belang had eiser, anders dan is vergund, gevraagd om ook versterkte muziek af te spelen voor de duur van drie minuten. Daarnaast had eiser gevraagd om 45 minuten te kunnen optreden, bestaande uit een voorbereidingstijd van tien minuten en een daadwerkelijke show 35 minuten. Conform de verleende vergunning mag eiser 30 minuten optreden, exclusief tien minuten die bedoeld zijn voor het opbouwen van de show. 8. Eiser voert aan dat de lex silencio positivo van kracht is. Hij vroeg een vergunning aan, maar binnen de beslistermijn van deze aanvraag werd door verweerder niet gereageerd. De vergunning is daarom van rechtswege verleend. Eiser voert aan dat het leerstuk van de lex silencio positivo ertoe leidt dat een bestuursorgaan bij een van rechtswege verleende vergunning die vergunning in beginsel conform aanvraag wordt verleend. Dit kan anders zijn op grond van artikel 4.20e van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), maar verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van standaardvoorschriften die in een desbetreffende vergunning worden opgenomen. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de in artikel 2.49, derde lid van de APV opgesomde omstandigheden presenteert als standaardvoorschriften. De vergunning kent voor eiser geenszins meerwaarde nu al hetgeen hij op grond van de vergunning mag, hij ook zonder vergunning mag uitvoeren. Voor zover het gaat om het gebruik van een spraakversterker, had dit ook niet vergund hoeven worden, nu dit reeds is toegestaan op grond van gedoogbeleid uit 2010 van toenmalig burgemeester Job Cohen. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan het gestelde in het derde lid van artikel 2.49 van de APV. Eiser wenst gebruik te maken van een spraakversterker, wenst gedurende drie minuten versterkte muziek ten gehore te brengen en wenst zijn optreden 45 minuten te laten duren. Anders dan eiser stelt, betekent een van rechtswege verleende vergunning niet automatisch dat deze is verleend conform de aanvraag. 10. De rechtbank is van oordeel dat aan de van rechtswege verleende vergunning geen onredelijke voorwaarden verbonden zijn. Uit artikel 4:20e van de Awb volgt dat indien in een wettelijk voorschrift of beleidsregel bepaalde voorschriften zijn opgenomen, deze ook deel uitmaken van een van rechtswege verleende beschikking. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat trage besluitvorming, met een van rechtswege verleende vergunning als gevolg, voor de maatschappij onwenselijke gevolgen met zich brengt. De uit de APV, meer in het bijzonder uit artikel 2.49 van de APV volgende voorschriften, konden daarom worden verbonden aan de van rechtswege verleende vergunning. De stelling van eiser dat het gebruik van een spraakversterker niet vergund had hoeven worden omdat dit in 2010 door toenmalig burgemeester Cohen werd gedoogd, wordt door de rechtbank ook niet gevolgd. Voor zover er destijds sprake was een gedoogbeleid, heeft verweerder nadien beleid gemaakt waaruit volgt dat voor het gebruik van een spraakversterker wel een vergunning vereist is. Een eventueel gedoogbeleid is daarmee vervallen. 10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser voor dit deel van de procedure niet in aanmerking komt voor vergoeding van de proceskosten. Evenmin komt eiser in aanmerking voor vergoeding van het griffierecht. Beroep niet-tijdig en rente over dwangsom 12. Eiser heeft op 6 maart 2025 een beroep niet-tijdig ingediend vanwege het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Doordat verweerder thans al heeft beslist, heeft eiser geen belang meer bij het beroep niet-tijdig. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk. 13. Eiser heeft echter wel terecht een beroep-niet tijdig ingesteld, want verweerder heeft pas na het instellen van dit beroep beslist. Dit betekent dat eiser voor dit deel van de procedure een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat het hier alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Het griffierecht krijgt eiser niet terug. Er is slechts éénmaal griffierecht betaald terwijl er twee beroepen zijn. 14. Het bestreden besluit was dus buiten de geldende beslistermijn genomen. Inmiddels is bij besluit van 22 januari 2026 de maximale dwangsom van € 1.442,- vastgesteld. Ter zitting is vastgesteld dat dit bedrag op 2 maart 2026 daadwerkelijk is betaald. Niet is in geschil dat verweerder aan eiser wettelijke rente is verschuldigd.