Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-05
ECLI:NL:RBAMS:2026:3900
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,963 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3900 text/xml public 2026-04-30T12:55:15 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-05 13/289180-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3900 text/html public 2026-04-23T15:17:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3900 Rechtbank Amsterdam , 05-02-2026 / 13/289180-25 Executie-EAB uit Polen. Situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW aan de orde. Gelijkstellingsverweer niet geslaagd nu geen ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren is aangetoond. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/289180-25 Datum uitspraak: 5 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 10 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 oktober 2025 door de Regional Court of Rybnik 3rd Criminal Division , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 14 januari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW. Zitting 29 januari 2026 De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in ż ory van 23 september 2020, met referentie II K 291/20. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon betwist dat hij de dagvaarding in zijn handen heeft gekregen en verklaart dat hij reeds vóór die datum naar Nederland was vertrokken en zijn Nederlandse adres als correspondentieadres aan de Poolse autoriteiten had doorgegeven. Ter onderbouwing heeft de raadsman gewezen op een Poolse opsporingswebsite waarop een onjuiste spelling van het Nederlands adres van de opgeëiste persoon staat vermeld (namelijk [adres 2] ), waaruit blijkt dat de Poolse autoriteiten beschikten over zijn Nederlandse adres maar dit onjuist hebben geregistreerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over het op de website onjuist vermelde Nederlandse adres. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW van toepassing is, nu in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen en de aanvullende informatie van 20 januari 2026 dit bevestigt. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Subsidiair kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. Op de Poolse website is te zien dat de informatie over de opgeëiste persoon pas in 2023 is geüpload, terwijl zijn strafzaak in 2020 speelde. Op basis van de informatie op de website kan dus niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon zijn adres al in 2020 heeft doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank stelt op grond van het EAB en het antwoord van de Poolse autoriteiten van 20 januari 2026, in samenhang gelezen met de door het Internationaal Rechtshulpcentrum gestelde vragen, vast dat de opgeëiste persoon op 18 augustus 2020 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De stelling van de opgeëiste persoon en de verwijzing naar de Poolse opsporingswebsite bieden geen aanknopingspunten om aan de juistheid van die informatie te twijfelen, nu daaruit niet blijkt dat hij vóór 18 augustus 2020 in Nederland verbleef of dat hij zijn Nederlandse adres in 2020 al aan de Poolse autoriteiten had doorgeven. Verder zijn er geen andere objectieve stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: telkens: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Standpunten van partijen De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander op basis van de door hem overgelegde stukken. Hoewel de opgeëiste persoon niet voldoende inkomen heeft gegenereerd, doet hij een beroep op gelijkstelling, omdat hij naar eigen zeggen vijf jaar in Nederland woont en sinds december 2022 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen. Oordeel van de rechtbank Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3900 text/xml public 2026-04-30T12:55:15 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-05 13/289180-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3900 text/html public 2026-04-23T15:17:09 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3900 Rechtbank Amsterdam , 05-02-2026 / 13/289180-25 Executie-EAB uit Polen. Situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW aan de orde. Gelijkstellingsverweer niet geslaagd nu geen ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren is aangetoond. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/289180-25 Datum uitspraak: 5 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 10 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 oktober 2025 door de Regional Court of Rybnik 3rd Criminal Division , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 14 januari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan artikel 12 OLW. Zitting 29 januari 2026 De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling, voortgezet op de zitting van 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in ż ory van 23 september 2020, met referentie II K 291/20. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon betwist dat hij de dagvaarding in zijn handen heeft gekregen en verklaart dat hij reeds vóór die datum naar Nederland was vertrokken en zijn Nederlandse adres als correspondentieadres aan de Poolse autoriteiten had doorgegeven. Ter onderbouwing heeft de raadsman gewezen op een Poolse opsporingswebsite waarop een onjuiste spelling van het Nederlands adres van de opgeëiste persoon staat vermeld (namelijk [adres 2] ), waaruit blijkt dat de Poolse autoriteiten beschikten over zijn Nederlandse adres maar dit onjuist hebben geregistreerd. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over het op de website onjuist vermelde Nederlandse adres. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW van toepassing is, nu in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen en de aanvullende informatie van 20 januari 2026 dit bevestigt. Op basis van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Subsidiair kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. Op de Poolse website is te zien dat de informatie over de opgeëiste persoon pas in 2023 is geüpload, terwijl zijn strafzaak in 2020 speelde. Op basis van de informatie op de website kan dus niet worden gesteld dat de opgeëiste persoon zijn adres al in 2020 heeft doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank stelt op grond van het EAB en het antwoord van de Poolse autoriteiten van 20 januari 2026, in samenhang gelezen met de door het Internationaal Rechtshulpcentrum gestelde vragen, vast dat de opgeëiste persoon op 18 augustus 2020 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De stelling van de opgeëiste persoon en de verwijzing naar de Poolse opsporingswebsite bieden geen aanknopingspunten om aan de juistheid van die informatie te twijfelen, nu daaruit niet blijkt dat hij vóór 18 augustus 2020 in Nederland verbleef of dat hij zijn Nederlandse adres in 2020 al aan de Poolse autoriteiten had doorgeven. Verder zijn er geen andere objectieve stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: telkens: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Standpunten van partijen De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander op basis van de door hem overgelegde stukken. Hoewel de opgeëiste persoon niet voldoende inkomen heeft gegenereerd, doet hij een beroep op gelijkstelling, omdat hij naar eigen zeggen vijf jaar in Nederland woont en sinds december 2022 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen. Oordeel van de rechtbank Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.