Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-01
ECLI:NL:RBAMS:2026:3892
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM afdeling privaatrecht zaaknummer / rolnummer: C/13/767432 / HA ZA 25-925 vonnis in incidenten van 1 april 2026 1. de vennootschap naar het recht van België RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, gevestigd te Brussel, België, en 58 andere vennootschappen naar vreemd recht als opgenomen in Bijlage I, eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in de (voorwaardelijke) incidenten, hierna gezamenlijk: de Zorginkopers, advocaat mr. R. Meijer, tegen 1. de stichting STICHTING FIRS , gevestigd te Amsterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SERVIER INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Amsterdam, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SERVIER NEDERLAND FARMA B.V., gevestigd te Leiden, 4. de vennootschap naar het recht van Frankrijk SERVIER SAS, gevestigd te Suresnes, Frankrijk, 5. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk SERVIER LABORATORIES LIMITED, gevestigd te Slough, Verenigd Koninkrijk, 6. de vennootschap naar het recht van Frankrijk LES LABORATOIRES SERVIER, gevestigd te Suresnes, Frankrijk, 7. de vennootschap naar het recht van Frankrijk BIOGARAN, gevestigd te Colombes, Frankrijk, gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het eerste vrijwaringsincident, hierna gezamenlijk: de Servier-gedaagden, advocaat mr. P.N. Malanczuk, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TEVA PHARMACEUTICALS EUROPE B.V., gevestigd te Amsterdam, hierna: Teva BV, 9. de vennootschap naar het recht van Israël TEVA PHARMACEUTICAL INDUSTRIES LTD, gevestigd te Tel Aviv, Israël, 10. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk TEVA UK LIMITED, gevestigd te Castleford, Verenigd Koninkrijk, hierna: Teva UK, gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het eerste bevoegdheidsincident, eiseressen in het tweede (deels onvoorwaardelijke, deels voorwaardelijke) vrijwaringsincident, hierna gezamenlijk: Teva, advocaat mr. J.M. Luycks, 11. de vennootschap naar het recht van Slovenië KRKA, TOVARNA ZDRAVIL, D.D., NOVO MESTO, gevestigd te Novo Mesto, Slovenië, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het tweede bevoegdheidsincident, eiseres in het derde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident, hierna: Krka, advocaat mr. J.A. van de Hel, 12. de vennootschap naar het recht van India LUPIN LIMITED, gevestigd te Mumbai, India, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het derde bevoegdheidsincident, eiseres in het vierde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident, hierna: Lupin, advocaat mr. P.L. Tjiam, 13. de vennootschap naar het recht van India MYLAN LABORATORIES LIMITED, gevestigd te Hyderabad, India, 14. de vennootschap naar vreemd recht MYLAN INC., gevestigd te Canonsburg, Pennsylvania, Verenigde Staten van Amerika, gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het vierde bevoegdheidsincident, eiseressen in het vijfde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident, hierna gezamenlijk: Mylan, advocaat mr. J.S. Kortmann, 15. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk NICHE GENERICS LIMITED, gevestigd te Hitchin, Verenigd Koninkrijk, 16. de vennootschap naar het recht van India UNICHEM LABORATORIES LIMITED, gevestigd te Mumbai, India, gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het vijfde bevoegdheidsincident, eiseressen in het zesde (voorwaardelijke) vrijwaringsincident, hierna gezamenlijk: Niche/Unichem, advocaat mr. Chr.F. Kroes. Gedaagden 1 tot en met 3 worden gezamenlijk ook wel de Nederlandse Servier-gedaagden genoemd. Gedaagden sub 4 tot en met 16 worden gezamenlijk de Producenten genoemd. De gedaagden sub 8 tot en met 16 worden gezamenlijk “de Eisers in het Bevoegdheidsincident” genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 april 2025, met producties, - de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring ex artikel 210 RV van de Servier-gedaagden, - de incidentele conclusie houdende (I) onbevoegdheidsexceptie ex artikel 11 RV en (II) vordering tot oproeping in vrijwaring, van Teva, - de incidentele conclusie tot INLEIDING (1) Het besluit Perindopril (Servier) heeft betrekking op i) vijf overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting tussen Servier, een producent van merkgeneesmiddelen, en vijf producenten van generische geneesmiddelen (2005-2007), en ii) een aanschaf van technologie door Servier (2004), waarmee deze de bedoeling had de introductie van generische middelen op de markt van perindopril, een geneesmiddel voor de behandeling van hart- en vaatziekten, te vertragen. (2) De overeenkomsten betreffende de beslechting van octrooigeschillen werden ondertekend door Servier [de Servier-ondernemingen die geadresseerden zijn van het besluit, gedaagden sub 4 t/m 6, rb] en respectievelijk: - Niche Generics Limited („Niche”) en Unichem Laboratories Limited („Unichem”) [gedaagden sub 15 en 16, rb]: een overeenkomst die alle lidstaten uitgezonderd Italië en Kroatië dekte. De aanvangsdatum van de inbreuk was 8 februari 2005 [met uitzondering van: Letland vanaf 1 juli 2005, Bulgarije en Roemenië vanaf 1 januari 2007, Malta vanaf 1 maart 2007, rb] en de einddatum was 15 september 2008 [behalve voor het Verenigd Koninkrijk geëindigd [in de samenvatting is onjuist opgenomen ‘aanving’ ; in artikel 1 van het Besluit staat ‘ended’ , rb] op 6 juli 2007 en voor Nederland geëindigd op 12 december 2007, rb] (…). - Mylan Laboratories Limited (voorheen bekend als Matrix Laboratories Limited) (…) en Mylan Inc. („Mylan”) [gedaagden sub 13 en 14, rb]: een overeenkomst die alle lidstaten uitgezonderd Italië en Kroatië dekte. De aanvangsdatum van de inbreuk was 8 februari 2005 [met uitzondering van Italië en Kroatië, rb] en de einddatum was 15 september 2008 [met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, geëindigd op 6 juli 2007 en Nederland op 12 december 2007, rb]; - Teva UK Limited, Teva Pharmaceutical Industries Ltd en Teva Pharmaceuticals Europe B.V. („Teva”) [gedaagden sub 8 t/m 10, rb]: een overeenkomst die het Verenigd Koninkrijk dekte van 13 juni 2006 tot en met 6 juli 2007; - Krka, tovarna zdravil, d.d., Novo mesto („Krka”) [gedaagde sub 11, rb]: drie overeenkomsten die één enkele en voortdurende inbreuk vormden en betrekking hadden op alle lidstaten uitgezonderd Kroatië, Tsjechië, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slowakije en Slovenië. De aanvangsdatum van de inbreuk was 27 oktober 2006 [zie uitzonderingen hiervoor, rb] en de einddatum was 6 mei 2009 [met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, geëindigd op 6 juli 2007 en Nederland op 12 december 2007, rb]; - Lupin Limited („Lupin”) [gedaagde sub 12, rb]: een overeenkomst die alle lidstaten uitgezonderd Kroatië dekte. De aanvangsdatum van de inbreuk was 30 januari 2007 [zie uitzonderingen hiervoor, rb] en de einddatum was 6 mei 2009 [met uitzondering van Verenigd Koninkrijk, geëindigd op 6 juli 2007, Nederland op 12 december 2007 en Frankrijk op 16 september 2008, rb]; (…) (5) Uit bewijsmateriaal is gebleken dat Servier een strategie heeft opgesteld om haar exclusiviteit over perindopril te verlengen. Servier beriep zich op, en verzocht om erkenning van een aantal octrooien op processen en kristalstructuren. In 2004 kocht Servier technologie van Azad [producent van APIs, rb] om perindopril te produceren, waardoor een directe bron van concurrentie uit de markt werd geweerd, hetgeen verder reikte dan alleen maar ingaan op de concurrentie en zorgen voor een gerechtvaardigde verdediging van haar intellectuele eigendom. Vervolgens deed Servier ook haar octrooien te gelde en ging zij octrooigeschillen aan met een aantal van haar generische concurrenten, die van oordeel waren dat de kans bestond dat hun perindoprilproducten geen schending van de octrooien van Servier opleverden en/of dat het 947-octrooi van Servier ongeldig was. (6) Daarnaast sloot Servier tussen 2005 en 2007 vijf overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting op basis van aanzienlijke inducements ten aanzien van de respectieve generische producenten (zogenoemde schikkingsovereenkomsten met „reverse payment”). Deze inducements namen me - voor de inbreuk op artikel 101 van het Verdrag, tussen Krka en Servier: a) Krka, tovarna zdravil, d.d., Novo mesto: 10 000 000 EUR; b) Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 37 661 800 EUR. - voor de inbreuk op artikel 101 van het Verdrag, tussen Lupin en Servier: a) Lupin Limited: 40 000 000 EUR; b) Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk: 37 102 100 EUR; - voor de inbreuk van Servier op artikel 102 van het Verdrag: (a) Servier S.A.S., gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk met Les Laboratoires Servier: 41 270 000 EUR. (…).” 2.6. De Producenten hebben (per groep en sommige individueel) over dit Besluit gerechtelijke procedures ingesteld bij het Gerecht van de EU en het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU). 2.6.1. De gerechtelijke beroepsprocedures van gedaagden Mylan, Lupin, Niche Generics Limited, Unichem Laboratories Limited, Teva en Biogaran zijn bij arresten van 27 juni 2024 van het HvJ EU geëindigd met verwerping van hun vordering tot vernietiging van het Besluit van 9 juli 2014 van de Commissie. 2.6.2. Servier S.A.S., Servier Laboratories Limited en Les Laboratoires Servier hebben ook beroep ingesteld bij het Gerecht van de EU strekkende tot nietigverklaring van het gehele Besluit dan wel verlaging van het bedrag van de opgelegde geldboeten. Het Gerecht van de EU heeft bij uitspraak van 12 december 2018 de beslissing van de Commissie over de inbreuk op artikel 101 VWEU door enerzijds Krka en anderzijds Servier S.A.S. en Les Laboratoires nietig verklaard. Verder heeft het Gerecht van de EU de beslissing van de Commissie dat Servier S.A.S. en Les Laboratoires misbruik hebben gemaakt van hun machtspositie (artikel 102 VWEU) nietig verklaard. De aan Krka, Servier S.A.S. en Les Laboratoires opgelegde geldboeten in het Besluit zijn eveneens vernietigd. De verzoeken van Servier S.A.S., Servier Laboratories Limited en Les Laboratoires Servier gericht op de overige beslissingen, waaronder de verschillende aan hen opgelegde geldboeten, in het Besluit van de Commissie zijn afgewezen door het Gerecht van de EU. 2.6.3. Het HvJ EU heeft bij arrest van 27 juni 2024 de (hiervoor onder 2.6.2 vermelde) procedure die was ingesteld door Servier S.A.S., Servier Laboratories Limited en Les Laboratoires Servier terug verwezen naar het Gerecht van de EU voor een nadere uitspraak over de kwalificatie van de overdracht- en licentieovereenkomst tussen Krka en Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier, over de door de Commissie vastgestelde inbreuk op artikel 102 VWEU door Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier en de berekening van de daarvoor opgelegde geldboete. 2.6.4. Het Gerecht van de EU heeft bij uitspraak van 12 december 2018 de beslissing van de Commissie dat de overeenkomsten tussen Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier enerzijds en Krka anderzijds in strijd zijn met artikel 101 VWEU vernietigd. 2.6.5. Het HvJ EU heeft bij arrest van 27 juni 2024 de procedure ingesteld door Krka de uitspraak van het Gerecht van de EU terzijde geschoven en de procedure terug verwezen naar het Gerecht van de EU voor het opnieuw beoordelen van de aard van de overeenkomsten die Krka heeft gesloten met Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier. 3 Het geschil in de hoofdzaak 3.1. De Zorginkopers vorderen een verklaring voor recht dat de Producenten jegens ieder van hen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door hen geleden schade als gevolg van de Inbreuken, en de Producenten hoofdelijk te veroordelen tot een voor ieder van de eiseressen begroot bedrag (hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 101.407.000), te vermeerderen met rente en kosten. in de incidenten vrijwaringsincidenten 3.2. Alle (groepen van) gedaagden vorderen toestemming voor het in vrijwaring dagvaarden van de andere (groepen van) gedaagden. 3.3. De Zorginkopers refereren zich aan het oordeel van de rechtbank, met het verzoek dat de hoofdzaak niet onnodig zal worden vertraagd d In de kern is de stelling van de Zorginkopers, dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de Eisers in het Bevoegdheidsincident rechtsmacht heeft, gebaseerd op de gedachte dat de verschillende door de Commissie in het Besluit vastgestelde inbreuken in feite zijn aan te merken als één enkele en voortdurende inbreuk op de artikelen 101 en 102 VWEU, waaraan alle geadresseerden van het Besluit hebben deelgenomen. Vervolgens doen de Zorginkopers een beroep op het ondernemingsbegrip in het Europese (mededingings)recht en de jurisprudentie van het HvJ EU (Akzo , Sumal en Heineken ) om te concluderen dat deze rechtbank bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen omdat de Nederlandse Servier-gedaagden en gedaagde sub 8 (Teva BV) in Nederland (en deels in Amsterdam) zijn gevestigd. Dit is, zoals hierna zal worden toegelicht, te kort door de bocht. Omdat de inhoud en reikwijdte van het Besluit van wezenlijk belang zijn voor de beoordeling van de bevoegdheidsincidenten, zal daarop hierna eerst worden ingegaan. Inhoud en reikwijdte van het Besluit 4.7. In de dagvaarding hebben de Zorginkopers – specifiek over de bevoegdheid van deze rechtbank – gesteld dat alle Servier-gedaagden gevestigd buiten Nederland (Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier, Servier Laboratories Limited en Biogaran) en alle Eisers in het Bevoegdheidsincident hebben deelgenomen aan één overkoepelende uitsluitingsstrategie, ontwikkeld en geïmplementeerd door de Servier-gedaagden, die was gericht op het kunstmatig vertragen van markttoetreding van producenten van generieke medicijnen met een generiek perindopril medicijn. De vorderingen van de Zorginkopers zijn gebaseerd op hetzelfde overkoepelende doel en gedrag bestaande uit het misbruik van machtspositie door de Servier-gedaagden (artikel 102 VWEU) en de daaruit voortkomende overeenkomsten tussen de Eisers in het Bevoegdheidsincident en de Servier-entiteiten (artikel 101 VWEU). Zoals het letterlijk in de dagvaarding staat: “alle gedaagden (worden) in rechte betrokken in hun hoedanigheid van ondernemingen die zich volgens het Besluit schuldig hebben gemaakt aan een enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht.” 4.8. Dit is simpelweg onjuist. In het Besluit is niet één enkele en voortdurende inbreuk vastgesteld. In het Besluit zijn zes (6) afzonderlijke inbreuken vastgesteld. Dit zijn (i) de inbreuk op artikel 102 VWEU door Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier (gedaagden sub 4 en 5) en daarnaast vijf ‘pay-for-delay-overeenkomsten’ (in het Besluit: overeenkomsten voor octrooigeschillenbeslechting (zogenoemde schikkingsovereenkomsten met „reverse payment”, zie 2.5.2)), tussen enerzijds verschillende Servier-ondernemingen die geadresseerden zijn van het Besluit en anderzijds: (ii) Niche/Unichem (gedaagden sub 15 en 16); (iii) Mylan (gedaagden sub 13 en 14); (iv) Teva (gedaagden sub 8 t/m 10); (v) Krka (gedaagde sub 11), (vi) Lupin (gedaagde sub 12). Deze laatste vijf inbreuken worden hierna ook wel genoemd ‘de kartelafspra(a)k(en)’. Dat deze zes inbreuken gezamenlijk niet als één enkele en voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, wordt hierna toegelicht. 4.9. Vooraf wordt opgemerkt dat de rechtbank dient uit te gaan van de juistheid van het Besluit van de Commissie, tenzij dit wordt vernietigd door het Gerecht van de EU of het HvJ EU . Indien in een dergelijke beroepsprocedure nog geen definitieve uitspraak is gedaan, geldt het Besluit van de Commissie. Deze rechtbank kan niet anders beslissen dan de Commissie heeft beslist. Dit is ook niet in geschil. 4.10. Zoals hiervoor vermeld hebben de Zorginkopers in hun dagvaarding gesteld dat sprake is van één enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht. In de incidentele conclusie van antwoord hebben de Zorginkopers ter ondersteuning van deze stelling gewezen op de punten 2786, 2786, 2788, 2789 en 2791 van het Besluit: “(…) 8.1.3 Servier’s strategy was broadly recognised by the generic industry (2785) Servier’s exclusionary strategy of buying By and large, these threats were not ousted from competition based on the merit of Servier (…) but by string of technology acquisitions (Azad in 2004, Sandoz (failed) in 2008) and rent sharing in the form of a series of reverse payment patent settlements with generic companies (Niche/Unichem and Matrix [thans: Mylan, rb] in 2005, Teva and Krka in 2006, Lupin in 2007). (2794) (…) considering the clear pattern of Servier’s conduct and based on contemporaneous evidence, the acquisition of Azad’s patent application and related know-how by Servier (…) and the reverse payment patent settlements can be seen to form a single and continuous exclusionary strategy by Servier. (…). (…)” De Commissie heeft een separate boete opgelegd aan Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier voor de inbreuk op artikel 102 VWEU. 4.11.4. Ook hieruit kan niet worden afgeleid dat de Commissie de verwijten aan Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier ter zake misbruik van machtspositie ook toerekent aan de Eisers in het Bevoegdheidsincident. 4.11.5. Deze gedragingen van de betrokken Franse Servier-gedaagden richtten zich bovendien juist tegen andere medicijnproducenten en dus ook tegen de Eisers in het Bevoegdheidsincident, zoals mr. Stein en mr. Kortmann namens deze groep gedaagden ter zitting – onweersproken – hebben betoogd. 4.12. De Commissie heeft (dus) vijf verschillende inbreuken op artikel 101 VWEU (kartelafspraken) vastgesteld tussen enerzijds deze Servier-gedaagden (en in het geval van Niche/Unichem ook Servier Laboratories Limited en Biogaran; en in geval van Teva ook Server Laboratories Limited) en anderzijds elk van de Eisers in het Bevoegdheidsincident. Dit zijn steeds separate inbreuken. De Commissie heeft de betrokken Servier-gedaagden expliciet vijf verschillende boetes opgelegd – één voor iedere separate kartelafspraak. Ook die verschillende kartelafspraken samen zijn door de Commissie dus niet beschouwd als één enkele en voortdurende inbreuk door de Producenten. Dit is ook in rechte vast komen te staan, zoals hierna wordt toegelicht. 4.12.1. Met name Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier hebben de Commissie verzocht één boete op te leggen. De Commissie heeft overwogen: “(…) 10.2.3 The calculation of the fines for Servier (…) (3120) Servier argued in its reply to the Statement of Objections that the fine would be exceptionally severe if the infringements of Articles 101 and 102 of the Treaty were cumulated and different agreements were treated as separate infringements. As analysed in section 5, Servier entered into separate agreements with five (potential) competitors and each of these agreements infringed Article 101 of the Treaty. As analysed in section 8, the acquisition of technology from Azad and the reverse payment patent settlements also constituted a single and continuous infringement of Article 102 of the Treaty. It follows from Article 23(2) of Regulation (EC) No 1/2003 and is consistent with the Guidelines on fines that separate fines should be imposed for each infringement. (…). (…).” 4.12.2. Het Gerecht van de EU heeft in zijn arrest van 12 december 2018 in de beroepsprocedure van het Besluit ingesteld door Servier S.A.S., Les Laboratroires Servier en Servier Laboratories Limited over dit alles overwogen: “(…) 1271 Tot slot moet worden opgemerkt dat de complementariteit van de overeenkomsten of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen een objectieve aanwijzing kan vormen voor het bestaan van een totaalplan dat als enige doel heeft de mededinging te beperken. Van een dergelijke complementariteit is sprake wanneer elke overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging bedoeld is om het hoofd te bieden aan een of meer gevolgen van de normale mededinging en zij door hun wisselwerking bijdragen tot de verwezenlijking van één enkel doel, namelijk de mededinging beperken (zie in die zin arresten van 28 april 2010, Amann & Söhne en Cousin Filterie/Commissie, T446/05, EU:T:2010:165, punt 92 en aldaar aangehaalde indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (…). 4.17. De formulering van artikel 7 lid 1 Rv is vrijwel gelijkluidend. Anders dan de Zorginkopers hebben betoogd, wordt ook voor de uitleg van deze bepaling aangesloten bij de uitleg van artikel 8 Brussel I bis door het HvJ EU. Het verschil tussen artikel 8 onder 1 Brussel I bis en artikel 7 lid 1 Rv is de woonplaats van de ankergedaagde: voor artikel 8 onder 1 Brussel I bis is vereist dat de ankergedaagde woonplaats heeft in het arrondissement van de aangezochte rechtbank (in dit geval dus Amsterdam) en voor artikel 7 lid 1 Rv is voldoende dat de ankergedaagde woonplaats in Nederland heeft. De overige vereisten voor de ankergedaagde zijn voor beide artikelen gelijk en dienen conform de uitleg van het HvJ EU over artikel 8 Brussel I bis te worden toegepast. 4.18. Op grond van artikel 8 onder 1 Brussel I bis kan de eiser, in geval hij meerdere verweerders uit verschillende EU-lidstaten dagvaardt, bij uitzondering kiezen een verweerder op te roepen voor het gerecht waar een van de verweerders woonplaats heeft, de ‘ankerverweerder’ (of ‘ankergedaagde’). Artikel 7 lid 1 Rv biedt de eiser dezelfde uitzondering voor het geval van meerdere verweerders uit andere landen dan EU-lidstaten. 4.19. Artikel 8 Brussel I bis (en daarmee ook artikel 7 lid 1 Rv) moet restrictief (“eng”) worden uitgelegd . Er is slechts sprake van een (voldoende) ‘nauwe band’ tussen de vorderingen (per gedaagde, per vordering en per rechtsgrondslag) als voldaan is aan de volgende (cumulatieve) vereisten: i) er moet sprake zin van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens tussen (een van) de Nederlandse gedaagden (Stichting FIRS, Servier International B.V., Servier Nederland Farma B.V., Teva BV) enerzijds en (ieder van) de niet in Nederland gevestigde gedaagden (alle overige gedaagden) anderzijds; ii) er mag in geval van afzonderlijke berechting geen gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaan; iii) de bevoegdheid van de Nederlandse rechter moet voor ieder van de niet in Nederland gevestigde gedaagden voorzienbaar zijn geweest ; en ( iv) er mag geen sprake zijn van misbruik van recht. 4.20. Met dit laatste vereiste wordt beoogd te voorkomen dat de eiser vorderingen instelt tegen verschillende verweerders met het enkele doel een verweerder af te trekken van de rechter van het land waar hij zijn woonplaats heeft. Een aangezochte rechter kan een eventuele omzeiling van de in artikel 8 onder 1 Brussel I bis vastgelegde bevoegdheidsregel slechts vaststellen, indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd. 4.21. De vereisten onder (iii) en (iv) zijn bedoeld als beperking van toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel en niet als voorwaarde voor het toepassen van deze bijzondere bevoegdheidsregel. Wie als ankergedaagde? 4.22. Om als ankergedaagde te worden gezien in deze procedure ten overstaan van deze rechtbank, is vereist dat die gedaagde partij is gevestigd in Amsterdam (artikel 8 onder 1 Brussel I bis) dan wel in Nederland (artikel 7 lid 1 Rv). 4.23. Dat de buitenlandse Servier-gedaagden in deze procedure zijn verschenen zonder de bevoegdheid van deze rechtbank te betwisten (stilzwijgende forumkeuze), brengt – anders dan de Zorginkopers proberen te betogen – niet met zich dat deze als ankergedaagde kunnen dienen. Door een forumkeuze (expliciet dan wel stilzwijgend) verandert de vestigingsplaats van die rechtspersoon niet. 4.24. Dan resteren de drie Nederlandse Servier-gedaagden en Teva BV. Deze gedaagden zijn ook expliciet aangewezen als ankergedaagde door de Zorginkopers. 4.2 Bovendien is de stelling van de Zorginkopers over de ene enkele en voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, zoals hiervoor reeds is overwogen, onjuist. Dit betekent dat de stelling van de Zorginkopers dat tussen hun vorderingen op de Eisers in het Bevoegdheidsincident en hun vorderingen op Stichting FIRS dan wel Servier International B.V. dan wel Servier Nederland Farma B.V. voldoende samenhang (artikel 7 lid 1 Rv) of een nauwe band (artikel 8 onder 1 Brussel I bis) bestaat, niet hierop kan worden gebaseerd. Ter nadere toelichting wordt nog het volgende overwogen. 4.34.1. De vorderingen van de Zorginkopers op de Eisers in het Bevoegdheidsincident zijn gebaseerd op het Besluit. 4.34.2. De Nederlandse Servier-gedaagden zijn geen geadresseerden van het Besluit. Indien de Nederlandse Servier-gedaagden al aansprakelijk zijn jegens de Zorginkopers, zal die aansprakelijkheid dan ook niet rechtsreeks kunnen berusten op het Besluit. 4.34.3. De vorderingen van de Zorginkopers op de Nederlandse Servier-gedaagden kunnen dus alleen zijn gebaseerd op het ondernemingsbegrip in het Europese mededingingsrecht, zoals nader uitgewerkt in de jurisprudentie van het HvJ EU (Akzo, Sumal, Heineken). Dit is een feitelijk en juridisch andere grondslag. 4.34.4. Voor zover de Zorginkopers hebben bedoeld dat de grondslag voor hun vorderingen op Servier-geadresseerden ook de grondslag is voor hun vorderingen op de Nederlandse Servier-gedaagden, kan dat betoog hen niet baten. Met de jurisprudentie Akzo en Sumal is het ondernemingsbegrip in mededingingsrechtelijke zin uitgebreid zodat – kort samengevat – een dochter- of moederonderneming onder voorwaarden (het vormen van een economische eenheid) aansprakelijk kan worden gehouden voor een schadeveroorzakend voorval (een onrechtmatige gedraging) van een moeder- of dochteronderneming. Uit het arrest Athenian Brewery en Heineken volgt verder dat het Akzo-vermoeden (het vermoeden dat een rechtspersoon die 100% van de aandelen van een vennootschap houdt de volledige zeggenschap over die vennootschap heeft) ook in civielrechtelijke kartelschade van toepassing is. 4.34.5. Deze aansprakelijkheid voor een onrechtmatige daad van een andere partij houdt echter niet in dat het gedrag van de inbreuk makende onderneming ook het gedrag van die dochter- of moederonderneming is geweest. In dit geval betekent dit dat de vordering van de Zorginkopers op de Nederlandse Servier-gedaagden niet is gebaseerd op het Besluit, maar op hun aansprakelijkheid voor de schade die de Servier-geadresseerden van het Besluit – geen van alle Nederlandse rechtspersonen – hebben veroorzaakt door inbreuk te maken op de Europese mededingingsregels. 4.35. De Zorginkopers hebben verder gesteld dat alle Eisers in het Bevoegdheidsincident, waaronder Teva BV, kartelafspraken met (in ieder geval) Servier S.A.S. en Les Laboratoires Servier hebben gemaakt, en dat het “voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen voor de gerechten van een land waar de mededingingsrechtelijke onderneming Servier is gevestigd, waaronder (ook) in Nederland.” 4.36. Als deze gedachtegang van de Zorginkopers wordt gevolgd, zou ieder van de Eisers in het Bevoegdheidsincident ook in Slovenië, het Verenigd Koninkrijk, India of de Verenigde Staten van Amerika kunnen worden gedagvaard omdat Servier S.A.S. ook in die landen dochterondernemingen heeft, zoals de Eisers in het Bevoegdheidsincident terecht hebben betoogd. Dit staat haaks op voorspelbaarheid van de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels uit Brussel I bis en de Nederlandse wetgeving. 4.37. Daarbij is ook van belang dat geen van de Eisers in het Bevoegdheidsincident (behalve Teva BV, waarop hierna nader wordt ingegaan) is gevestigd in Nederland en/of actief is op de Nederlandse markt. Zij zijn ook geen overeenkomsten aangegaan met in Nederland gevestigde Servier-ondernemingen. Zij hebben ‘pay-for-delay-overeenkomsten’ gesloten (kartelafspraken gemaakt) met de niet in Nederland gevestigde Servier-gedaagden, De Zorginkopers hebben betoogd dat deze Nederlandse vennootschap de medicijnen van Servier verkoopt en op die wijze deelneemt aan dezelfde economische activiteit die door de Commissie als een inbreuk op de Europese mededingingsregels is vastgesteld. Dit is een opmerkelijk betoog. Alle (andere) gedagvaarde partijen zijn immers aangeduid als producenten van medicijnen. Die producenten zullen, naar mag worden aangenomen, ook verkoopfilialen van die medicijnen hebben in verschillende landen. De Zorginkopers hebben die regionale (landelijke) verkoopondernemingen van de andere medicijnproducenten niet gedagvaard, en hebben de Eisers in het Bevoegdheidsincident ook niet aangesproken als verkoper van medicijnen – ook niet van specifiek perindopril. Dit alles duidt op selectieve dagvaarding van Servier Nederland Farma B.V. als gedaagde en dat zij slechts is gedagvaard om op kunstmatige wijze rechtsmacht van deze rechtbank te creëren, zoals de Eisers in het Bevoegdheidsincident (met name: Lupin) terecht hebben betoogd. Tussenconclusie Nederlandse Servier-gedaagden als ankergedaagde 4.46. Uit dit alles volgt dat de vereiste nauwe band of samenhang niet bestaat tussen de vorderingen van de Zorginkopers op de Nederlandse Servier-gedaagden en de Eisers in het Bevoegdheidsincident. Geen van de Nederlandse Servier-gedaagden kan dienen als ankergedaagde voor de Eisers in het Bevoegdheidsincident. Teva BV ankergedaagde voor Eisers in het Bevoegdheidsincident? 4.47. Teva BV wordt door de Zorginkopers beschouwd als ankergedaagde voor de andere Teva-entiteiten en Mylan, Lupin, Krka en Niche/Unichem. Ook dat gaat niet op. Hiervoor is het volgende redengevend. 4.47.1. De Zorginkopers hebben allereerst betoogd dat de vorderingen op Teva – dus ook op Teva BV – zijn gebaseerd op de mededingingsrechtelijke inbreuken als vastgesteld door de Commissie. Teva heeft welbewust deelgenomen aan een overkoepelend, pan-Europese uitsluitingsstrategie van Servier die onder meer bestond uit het sluiten van pay-for-delay-overeenkomsten met de Producenten, aldus steeds de Zorginkopers. 4.47.2. Zoals hiervoor al is overwogen, is dit een onjuiste interpretatie van het Besluit (en de uitspraak van het Gerecht van de EU in het door de Servier-geadresseerden ingestelde beroep tegen het Besluit), zodat hieraan voorbij wordt gegaan. 4.47.3. De Zorginkopers hebben voorts gesteld dat de Teva-vennootschappen een kartelafspraak hebben gemaakt met Servier S.A.S., Les Laboratoires Servier en Servier Laboratories Limited en dat dit de feitelijke en juridische grondslag is van hun vorderingen op Teva. Daarnaast hebben de Zorginkopers gesteld dat Teva BV geadresseerde is van het Besluit en dat daarom een zelfde situatie, feitelijk en rechtens, bestaat voor hun vorderingen op Teva BV als voor hun vorderingen op de andere Teva-entiteiten, Mylan, Lupin, Krka, Niche/Unichem, en de niet in Nederland gevestigde Servier-gedaagden. 4.47.4. Teva heeft aangevoerd dat de Zorginkopers zo weinig hebben gesteld over hun vorderingen op Teva BV dat niet duidelijk is waarom deze Nederlandse onderneming is gedagvaard, en dat reeds op voorhand duidelijk is dat de vorderingen op Teva BV niet toewijsbaar zijn. De Zorginkopers dienen daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen op Teva. Daarbij heeft Teva ook gewezen op de volgende omstandigheden: haar kartelafspraak heeft slechts betrekking op het Verenigd Koninkrijk – anders dan de andere kartelafspraken die betrekking hadden op bijna de gehele EU; de daadwerkelijk betrokken partijen bij die kartelafspraak waren Servier Laboratories Limited en Teva UK; de Zorginkopers hebben in de dagvaarding niet gesteld welke rol Teva BV daarin heeft gespeeld; de Zorginkopers hebben in de dagvaarding niet gesteld waarom en hoe Teva BV als ankergedaagde voor Teva Pharmaceuticals Industries Ltd (verder Teva Pharmaceuticals) en Teva UK is te beschouwen; de Zorginkopers hebben niet gesteld dat zij actief zijn geweest op de markt van het Vereni Voor iedere Eiser in het Bevoegdheidsincident worden die kosten begroot op: - griffierecht € 10.188,00 - salaris advocaat 1.306,00 (tarief II, € 653 per punt) - nakosten 189,00 (plus verhoging als vermeld in de beslissing) Totaal € 11.683,00 In het geval van Teva zijn hier ook de kosten van Teva BV (waarover in de hoofdzaak wordt beslist in dit vonnis) inbegrepen. Aanhoudingsincident 4.56. Met deze uitkomst is er geen aanleiding deze procedure aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van het gerechtshof Amsterdam in de zaken bekend als Stroomkabels en Karton. 4.57. De kosten in dit incident worden gecompenseerd zodat ieder de eigen kosten draagt. Vrijwaringsincident van Servier 4.58. De Zorginkopers hebben zich gerefereerd aan de beslissing van deze rechtbank over het vrijwaringsincident dat is ingesteld door de Servier-gedaagden. Daarbij hebben de Zorginkopers wel gevraagd om een redelijke voortgang in deze procedure te bewaken. 4.59. De Servier-gedaagden hebben voldoende gesteld om Teva, Krka, Lupin, Mylan en Niche/Unichem in vrijwaring te mogen oproepen zodat die vordering zal worden toegewezen. De Servier-gedaagden krijgen echter geen uitstel voor het nemen van een inhoudelijk conclusie van antwoord. Deze hoofdzaak zal een eigen voortzetting kennen waarop de vrijwaringszaken niet van invloed zullen zijn. 4.60. De kosten in dit vrijwaringsincident worden gecompenseerd zodat de Servier-gedaagden en de Zorginkopers de eigen kosten dragen. 5 De beslissing De rechtbank in de incidenten 5.1. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen van de Zorginkopers op Teva Pharmaceuticals Industries Ltd, Teva UK, Krka, Lupin, Mylan en Niche/Unichem, 5.2. veroordeelt de Zorginkopers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Teva Pharmaceuticals Industries Ltd en Teva UK tot op heden begroot op € 11.683,00, 5.3. veroordeelt de Zorginkopers hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Lupin tot op heden begroot op € 11.683,00, 5.4. veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Krka tot op heden begroot op € 11.683,00, 5.5. veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Mylan tot op heden begroot op € 11.683,00, 5.6. veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Niche/Unichem tot op heden begroot op € 11.683,00, 5.7. bepaalt dat deze proceskosten voor iedere partij worden vermeerderd met € 98,00 aan salaris advocaat en de betekeningskosten indien de Zorginkopers niet binnen 14 dagen na aanschrijving voldoen aan de kostenveroordelingen en dit vonnis moet worden betekend, 5.8. veroordeelt de Zorginkopers – hoofdelijk in het geval van Teva en Lupin – tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten – aan de partij van welke de Zorginkopers de proceskosten niet hebben voldaan binnen 14 dagen na aanschrijving – vanaf 14 dagen na aanschrijving tot de dag van voldoening, 5.9. verleent de Servier-gedaagden verlof om Teva, Krka, Lupin, Mylan en Niche/Unichem in vrijwaring op te roepen tegen de rol van woensdag 1 juli 2026 , 5.10. compenseert de proceskosten in het vrijwaringsincident van de Servier-gedaagden aldus dat ieder de eigen kosten draagt, 5.11. wijst de overige vorderingen af, 5.12. compenseert de proceskosten in de overige incidenten aldus dat ieder de eigen kosten draagt, 5.13. verklaart de kostenveroordelingen onder 5.2 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak 5.14. verklaart de Zorginkopers niet ontvankelijk in hun vorderingen op Teva Pharmaceuticals Europe B.V., 5.15. veroordeelt de Zorginkopers in de proceskosten, aan de zijde van Teva Pharmaceuticals Europe B.V. tot op heden begroot op nihil, 5.16. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 13 mei 2026 voor conclusie van antwoord van de Servier-gedaagden, 5.17. houdt iedere andere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaa