Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-17
ECLI:NL:RBAMS:2026:3821
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 26/1052 (voorlopige voorziening) en AMS 26/1053 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen M&F Carservice B.V., te [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H.J.G. Dudink), en de directie van de Dienst Wegverkeer, de RDW (gemachtigde: mr. F. Schuring). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de APK-erkenning van eiseres door de RDW voor de duur van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, in combinatie met verscherpt toezicht. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de intrekking van de APK-erkenning. 1.2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de RDW de APK-erkenning van eiseres mocht intrekken. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Procesverloop 2.1. De RDW heeft op 15 januari 2025 besloten om de APK-erkenning van eiseres voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kg voor de duur van vier weken in te trekken, waarvan twee weken voorwaardelijk, in combinatie met verscherpt toezicht. 2.2. Op 20 augustus 2025 is de RDW na bezwaar van eiseres bij de intrekking van de APK-erkenning gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dat besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 2.3. De voorzieningenrechter heeft op 2 december 2025 op het beroep beslist en geoordeeld dat de RDW de intrekking van de APK-erkenning van eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd en daarom een nieuw besluit moet nemen . 2.4. Op 5 januari 2026 heeft een nieuwe hoorzitting plaatsgevonden. Op 11 februari 2026 heeft de RDW een nieuw besluit genomen waarbij er zij zijn gebleven bij de intrekking van de APK-erkenning. Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. 2.5. De RDW heeft gedurende de procedures de intrekking meermaals opgeschort. Ook heeft de voorzieningenrechter 2 december 2025 bepaald dat de intrekking is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Desondanks is de intrekking meerdere keren geactiveerd. Volgens de RDW staan er daarom momenteel nog zes van de tien werkdagen van de sanctie open. 2.6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] , de vestigingsmanager van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de RDW en [persoon 2] toezichthouder bij de RDW. 2.7. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming 3.1. Tijdens de steekproefherkeuring heeft de RDW een overtreding geconstateerd. De RDW concludeert op basis van de steekproefherkeuring op 6 december 2024 en de horing op 19 december 2024 dat er een onvolledige keuring is verricht. De volledige keuring dient namelijk door een keurmeester te worden uitgevoerd. Dat is hier volgens de RDW niet het geval geweest. Dit is een overtreding categorie III van artikel 28, derde lid, artikel 29 en 30, tweede lid en derde lid onder f, van de Regeling Erkenning en Keuringsbevoegdheid APK. De RDW heeft op grond van artikel 87, tweede lid, onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) een sanctie opgelegd en besloten eiseres haar APK-erkenning voor de duur van vier weken in te trekken, waarvan twee weken voorwaardelijk, in combinatie met versche Wij keuren de voertuigen regelmatig samen, ook in dit geval heb ik dit voertuig samen met mijn collega gekeurd. We hebben het gebrek aan de remslang niet opgemerkt. De toezichthouder van de RDW heeft daarbij op de zitting toegelicht dat nadat hij het gebrek aan de remslang had vastgesteld, de monteur en niet de keurmeester tegen hem heeft gezegd dat hij dat gebrek niet had opgemerkt. Dat is eveneens een aanwijzing dat de keurmeester niet de volledige keuring heeft uitgevoerd. De voorzieningenrechter volgt eiseres niet dat er sprake is geweest van een taalbarrière waardoor de woordkeuze ‘globaal’ niet is begrepen. De toezichthouder heeft op de zitting toegelicht dat hij geen taalbarrière heeft ervaren in het gesprek met de keurmeester. Verder hebben zowel de keurmeester als de vestigingsmanager het verslag van de horing van 19 december 2024 ondertekend. Bovendien heeft de toezichthouder van de RDW op de zitting– onweersproken – verklaard dat voor het behalen van het keurmeesterschap een goede beheersing van de Nederlandse taal nodig is. De voorzieningenrechter weegt bij voorgaand oordeel mee dat de RDW naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 2 december 2025 tijdens een nieuwe hoorzitting nadere vragen heeft gesteld over de werkwijze en de gang van zaken tijdens deze specifieke keuring. Op deze vragen is, na meerdere verzoeken vanuit verweerder, geen reactie gekomen. Bij die stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de inhoud van het verslag van de horing te twijfelen en mocht verweerder dit verslag dan ook ten grondslag leggen aan het vaststellen van de overtreding. De voorzieningenrechter volgt eiseres ook niet in de stelling dat de cautie had moeten worden gegeven en dat zij voorafgaand aan het verhoor gewezen zouden moeten worden op juridische bijstand. Verweerder wijst er terecht op dat in dit geval geen sprake is van een punitieve sanctie, maar een herstellende sanctie. In zo’n geval is het volgens de Afdeling niet verplicht om de cautie te geven. Ook het informeren op het recht op juridische bijstand is dan geen verplichting. Overigens heeft de toezichthouder van de RDW bij aanvang van de horing wel ten overvloede tegen de betrokkenen gezegd dat zij niet verplicht zijn om te antwoorden. Ook deze beroepsgronden slagen dus niet. Evenredigheid 6.1. Eiseres heeft verder – kortgezegd – aangevoerd dat de sanctie onevenredig is en de RDW geen aandacht heeft besteed aan de onderbouwde financiële gevolgen van de sluiting en de gevolgen voor eiseres op de lange termijn. 6.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de RDW gedurende de procedure zich heeft ingespannen om de financiële gevolgen voor eiseres in kaart te brengen. Eiseres heeft daarbij niet alle door de RDW gevraagde informatie overgelegd. De RDW heeft de wel beschikbare informatie meegewogen in het bestreden besluit. De RDW is echter tot de afweging gekomen dat de sanctie geen onevenredige gevolgen heeft en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat eiseres de uitkomst van die afweging niet deelt, betekent niet dat de RDW geen gedegen afweging van de belangen heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. Verscherpt toezicht 7.1. Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van het onrechtmatig opleggen van twee sancties voor één overtreding, namelijk de intrekking van de APK-erkenning en het opleggen van verscherpt toezicht. Eiseres heeft daarbij opgemerkt dat het beleid omtrent verscherpt toezicht niet transparant is en kenbaar moet zijn. 7.2. De RDW heeft overeenkomstig het Toezichtbeleid en het bijbehorende ‘stroomschema sancties overtredingen’ een eerste overtreding van categorie III afgedaan met een intrekking voor de duur van vier weken waarvan twee weken voorwaardelijk. Uit het Toezichtbeleid volgt dat zo’n sanctie in combinatie met verscherpt toezicht kan worden opgelegd en in bepaalde gevallen moet dat. Uit het Toezichtbeleid volgt dat de frequentie van het (reguliere) toezicht met name afhankelijk is van he