Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:3800
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,804 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3800 text/xml public 2026-04-17T11:51:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-03 13.154767.21 en 13.326899.21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3800 text/html public 2026-04-17T11:51:04 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3800 Rechtbank Amsterdam , 03-04-2026 / 13.154767.21 en 13.326899.21 Onderzoek Delos. Beslissing onderzoekswensen ontneming. Beoordelingskader. Afwijzing getuigenverzoeken. beslissing RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13.154767.21 en 13.326899.21 Beslissing van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in bovengenoemde strafzaak, genomen naar aanleiding van de regiezitting van 3 april 2026 in de ontnemingszaak tegen veroordeelde: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, wonende op het adres [BRP-adres] , thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting] . [veroordeelde] wordt hierna ‘veroordeelde’ genoemd. 1 Procesverloop De rechtbank heeft voorafgaand aan de regiezitting van 3 april 2026 – na schriftelijke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie – kenbaar gemaakt dat tijdens de zitting besproken zal worden welke van de door het gerechtshof in het hoger beroep van de strafzaak toegewezen getuigen, de verdediging ook in de ontnemingsprocedure bij de rechtbank wil horen. Op 16 maart 2026 heeft de verdediging haar onderzoekswensen die binnen die kaders vielen kenbaar gemaakt. Op 25 maart 2026 heeft het Openbaar Ministerie hierop schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 31 maart 2026 medegedeeld dat zij het hierna te noemen beoordelingskader voor getuigenverzoeken in ontnemingszaken bij de beoordeling van de verzoeken zal hanteren. De relevante e-mailcorrespondentie is als bijlage aan deze beslissing gehecht. 2 Beoordelingskader De rechtbank stelt voorop dat de ontnemingsprocedure een ander karakter heeft dan de strafprocedure. De rechter die over de ontnemingsvordering moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak (de strafzaak). Wel komt de rechter die over de ontnemingsvordering oordeelt, een zelfstandig oordeel toe met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK3424). Als een getuigenverzoek is gedaan in verband met de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verdeling van dat voordeel of de gemaakte kosten, geldt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot het horen van een getuige, mede in zijn oordeel kan betrekken of het betreffende verzoek van de verdediging, in het licht van de door het Openbaar Ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, is voorzien van een onderbouwing waaruit blijkt waarom het horen van die getuige van belang is voor die beslissing (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1749). Ook mag bij dit oordeel betrokken worden de mate waarin het standpunt van het Openbaar Ministerie op voorhand aannemelijk kan worden geacht (vgl de conclusie van de A-G voor ECLI:NL:HR:2021:1749 en ECLI:NL:HR:2022:147). De omstandigheid dat in de strafzaak in hoger beroep is geoordeeld dat er een belang is om die getuige in de strafzaak te horen, brengt dus niet zonder meer mee dat het horen van die getuige in de ontnemingszaak eveneens van belang is. De reden dat de rechtbank heeft verzocht zich te beperken tot die getuigen was in efficiëntie gelegen; dat die getuigen – zo mogelijk – niet dubbel gehoord hoefden te worden. 3 De verzoeken De verdediging heeft verzocht de volgende getuigen te horen: [getuige 1] [getuige 2] [getuige 3] [getuige 4] Gebruiker Sky-account [accountnummer 1] Gebruiker Sky-account [accountnummer 2] Gebruiker Sky-account [accountnummer 3] ( [getuige 5] ) De getuigen 1 tot en met 4 en 7 zijn verzocht omdat zij als direct betrokkenen worden genoemd bij het transport van een partij van 1500 kilogram cocaïne. De verdediging wil hen ondervragen over de rol van de betrokkenen, de opbrengsten en de kosten van de partij en de verdeling, en over een diefstal van (een deel van) de partij. De getuigen 5 en 6 zijn verzocht omdat zij in het dossier in verband worden gebracht met een partij van ongeveer 200 kilogram cocaïne. De verdediging wil hen horen over de rol van verdachte, de vraag of daadwerkelijk cocaïne is verzonden en zo ja, over de opbrengsten en de kosten van de partij en de verdeling hiervan. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen het horen van de getuigen onder 1 tot en met 4 en onder 7. Het Openbaar Ministerie verzet zich wel tegen de getuigen onder 5 en 6, omdat deze gebruikers niet zijn geïdentificeerd en daarom niet kunnen worden opgeroepen. 4 Beslissing op getuigenverzoeken De rechtbank wijst alle zeven getuigenverzoeken af. De rechtbank stelt voorop dat veroordeelde in de strafzaak door de rechtbank is veroordeeld voor onder meer het medeplegen van het invoeren van 1500 en 200 kilogram cocaïne. Hoewel de veroordeling niet onherroepelijk is, dient de rechtbank hier op dit moment in de ontnemingsprocedure wel van uit te gaan. In de ontnemingsrapportage is een berekening gemaakt van de geschatte opbrengst van de cocaïne per kilo, de eventuele kosten die hierop in mindering gebracht dienen te worden en aan wie het geschatte voordeel toegerekend dient te worden. Tegen deze achtergrond en het hiervoor weergegeven toetsingskader is de enkele stelling dat de getuigen kunnen verklaren over vraagstukken die in het algemeen van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van een ontnemingsvordering onvoldoende om de getuigen toe te wijzen. In het bijzonder blijkt uit het verzoek niet welke aspecten van de in het rapport gepresenteerde berekening bijstelling behoeven en hoe de verzochte getuigen daaraan kunnen bijdragen. 5 Overige beslissingen Voor de voortgang en efficiëntie in deze ontnemingsprocedure zijn ook ontwikkelingen in het hoger beroep van de strafzaak van belang. Begin mei 2026 vindt bij het gerechtshof een nieuwe regiezitting plaats, waarbij het gerechtshof zal beoordelen of het kan oordelen over (herhaalde) Sky- en Encro-verzoeken. Als het gerechtshof hierover kan oordelen, kan het Openbaar Ministerie - nadat het gerechtshof heeft beslist - de onderhavige ontnemingszaak wederom op zitting aanbrengen bij de rechtbank voor een nieuwe regiezitting. Op die regiezitting kunnen dan onderzoekswensen van de verdediging worden voorgelegd die geen betrekking hebben op de getuigen die reeds door het gerechtshof in de strafzaak waren toegewezen en waarover in deze beslissing nu een oordeel is gegeven. De rechtbank ziet op dit moment – zoals wel door het Openbaar Ministerie is verzocht – geen aanleiding om termijnen te stellen voor schriftelijke rondes voor die nieuwe regiezitting, omdat dat afhankelijk is van de planning en de volgende zittingscombinatie. 6 Conclusie De rechtbank komt tot de volgende beslissingen. Wijst af de verzoeken tot het horen van getuigen. Schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd . Beveelt de oproeping van veroordeelde tegen het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van veroordeelde. Deze beslissing is genomen door de zittingscombinatie van de regiezitting van 3 april 2026, te weten mr. C. Bruil (voorzitter), mrs. A.H.E. van der Pol en M. Nieuwenhuijs (rechters) en in aanwezigheid van mr. C. Wolswinkel (griffier). Deze beslissing is door de voorzitter en de griffier ondertekend.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3800 text/xml public 2026-04-17T11:51:19 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-03 13.154767.21 en 13.326899.21 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3800 text/html public 2026-04-17T11:51:04 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3800 Rechtbank Amsterdam , 03-04-2026 / 13.154767.21 en 13.326899.21 Onderzoek Delos. Beslissing onderzoekswensen ontneming. Beoordelingskader. Afwijzing getuigenverzoeken. beslissing RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13.154767.21 en 13.326899.21 Beslissing van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in bovengenoemde strafzaak, genomen naar aanleiding van de regiezitting van 3 april 2026 in de ontnemingszaak tegen veroordeelde: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985, wonende op het adres [BRP-adres] , thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting] . [veroordeelde] wordt hierna ‘veroordeelde’ genoemd. 1 Procesverloop De rechtbank heeft voorafgaand aan de regiezitting van 3 april 2026 – na schriftelijke standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie – kenbaar gemaakt dat tijdens de zitting besproken zal worden welke van de door het gerechtshof in het hoger beroep van de strafzaak toegewezen getuigen, de verdediging ook in de ontnemingsprocedure bij de rechtbank wil horen. Op 16 maart 2026 heeft de verdediging haar onderzoekswensen die binnen die kaders vielen kenbaar gemaakt. Op 25 maart 2026 heeft het Openbaar Ministerie hierop schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 31 maart 2026 medegedeeld dat zij het hierna te noemen beoordelingskader voor getuigenverzoeken in ontnemingszaken bij de beoordeling van de verzoeken zal hanteren. De relevante e-mailcorrespondentie is als bijlage aan deze beslissing gehecht. 2 Beoordelingskader De rechtbank stelt voorop dat de ontnemingsprocedure een ander karakter heeft dan de strafprocedure. De rechter die over de ontnemingsvordering moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak (de strafzaak). Wel komt de rechter die over de ontnemingsvordering oordeelt, een zelfstandig oordeel toe met betrekking tot alle verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BK3424). Als een getuigenverzoek is gedaan in verband met de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de verdeling van dat voordeel of de gemaakte kosten, geldt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot het horen van een getuige, mede in zijn oordeel kan betrekken of het betreffende verzoek van de verdediging, in het licht van de door het Openbaar Ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, is voorzien van een onderbouwing waaruit blijkt waarom het horen van die getuige van belang is voor die beslissing (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1749). Ook mag bij dit oordeel betrokken worden de mate waarin het standpunt van het Openbaar Ministerie op voorhand aannemelijk kan worden geacht (vgl de conclusie van de A-G voor ECLI:NL:HR:2021:1749 en ECLI:NL:HR:2022:147). De omstandigheid dat in de strafzaak in hoger beroep is geoordeeld dat er een belang is om die getuige in de strafzaak te horen, brengt dus niet zonder meer mee dat het horen van die getuige in de ontnemingszaak eveneens van belang is. De reden dat de rechtbank heeft verzocht zich te beperken tot die getuigen was in efficiëntie gelegen; dat die getuigen – zo mogelijk – niet dubbel gehoord hoefden te worden. 3 De verzoeken De verdediging heeft verzocht de volgende getuigen te horen: [getuige 1] [getuige 2] [getuige 3] [getuige 4] Gebruiker Sky-account [accountnummer 1] Gebruiker Sky-account [accountnummer 2] Gebruiker Sky-account [accountnummer 3] ( [getuige 5] ) De getuigen 1 tot en met 4 en 7 zijn verzocht omdat zij als direct betrokkenen worden genoemd bij het transport van een partij van 1500 kilogram cocaïne. De verdediging wil hen ondervragen over de rol van de betrokkenen, de opbrengsten en de kosten van de partij en de verdeling, en over een diefstal van (een deel van) de partij. De getuigen 5 en 6 zijn verzocht omdat zij in het dossier in verband worden gebracht met een partij van ongeveer 200 kilogram cocaïne. De verdediging wil hen horen over de rol van verdachte, de vraag of daadwerkelijk cocaïne is verzonden en zo ja, over de opbrengsten en de kosten van de partij en de verdeling hiervan. Het Openbaar Ministerie heeft zich niet verzet tegen het horen van de getuigen onder 1 tot en met 4 en onder 7. Het Openbaar Ministerie verzet zich wel tegen de getuigen onder 5 en 6, omdat deze gebruikers niet zijn geïdentificeerd en daarom niet kunnen worden opgeroepen. 4 Beslissing op getuigenverzoeken De rechtbank wijst alle zeven getuigenverzoeken af. De rechtbank stelt voorop dat veroordeelde in de strafzaak door de rechtbank is veroordeeld voor onder meer het medeplegen van het invoeren van 1500 en 200 kilogram cocaïne. Hoewel de veroordeling niet onherroepelijk is, dient de rechtbank hier op dit moment in de ontnemingsprocedure wel van uit te gaan. In de ontnemingsrapportage is een berekening gemaakt van de geschatte opbrengst van de cocaïne per kilo, de eventuele kosten die hierop in mindering gebracht dienen te worden en aan wie het geschatte voordeel toegerekend dient te worden. Tegen deze achtergrond en het hiervoor weergegeven toetsingskader is de enkele stelling dat de getuigen kunnen verklaren over vraagstukken die in het algemeen van belang zouden kunnen zijn voor de beoordeling van een ontnemingsvordering onvoldoende om de getuigen toe te wijzen. In het bijzonder blijkt uit het verzoek niet welke aspecten van de in het rapport gepresenteerde berekening bijstelling behoeven en hoe de verzochte getuigen daaraan kunnen bijdragen. 5 Overige beslissingen Voor de voortgang en efficiëntie in deze ontnemingsprocedure zijn ook ontwikkelingen in het hoger beroep van de strafzaak van belang. Begin mei 2026 vindt bij het gerechtshof een nieuwe regiezitting plaats, waarbij het gerechtshof zal beoordelen of het kan oordelen over (herhaalde) Sky- en Encro-verzoeken. Als het gerechtshof hierover kan oordelen, kan het Openbaar Ministerie - nadat het gerechtshof heeft beslist - de onderhavige ontnemingszaak wederom op zitting aanbrengen bij de rechtbank voor een nieuwe regiezitting. Op die regiezitting kunnen dan onderzoekswensen van de verdediging worden voorgelegd die geen betrekking hebben op de getuigen die reeds door het gerechtshof in de strafzaak waren toegewezen en waarover in deze beslissing nu een oordeel is gegeven. De rechtbank ziet op dit moment – zoals wel door het Openbaar Ministerie is verzocht – geen aanleiding om termijnen te stellen voor schriftelijke rondes voor die nieuwe regiezitting, omdat dat afhankelijk is van de planning en de volgende zittingscombinatie. 6 Conclusie De rechtbank komt tot de volgende beslissingen. Wijst af de verzoeken tot het horen van getuigen. Schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd . Beveelt de oproeping van veroordeelde tegen het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van veroordeelde. Deze beslissing is genomen door de zittingscombinatie van de regiezitting van 3 april 2026, te weten mr. C. Bruil (voorzitter), mrs. A.H.E. van der Pol en M. Nieuwenhuijs (rechters) en in aanwezigheid van mr. C. Wolswinkel (griffier). Deze beslissing is door de voorzitter en de griffier ondertekend.