Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:3792
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
11,164 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3792 text/xml public 2026-04-17T15:22:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-15 13-028438-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3792 text/html public 2026-04-17T15:22:27 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3792 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2026 / 13-028438-26 Executie-EAB uit België. Artikel 12 OLW: de gegeven verklaring voldoet aan de eisen van artikel 12, onder d, OLW. De weigeringsgrond doet zich niet voor. Artikel 2 OLW: met de omschrijving in het EAB is voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast is de rol van de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk omschreven. De naleving van het specialiteitsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/028438-26 Datum uitspraak: 15 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 5 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2025 door het Parket bij het hof van beroep in Gent, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Suriname), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 1 april 2026 – niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigd raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van het hof van beroep in Gent van 29 april 2025 met referentie 2023/PGG/2128 - C/653/25. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden (1.200 dagen), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1 Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het EAB moet worden aangehouden omdat er aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten ten aanzien van de gegeven toezegging van 17 maart 2026. Deze toezegging kan namelijk niet worden beschouwd als een verzetgarantie zoals bedoeld in artikel 12, onder d, OLW, omdat deze geen onvoorwaardelijke toezegging bevat dat de opgeëiste persoon verzet zal mogen instellen. Hierbij heeft de raadsvrouw verwezen naar het A-formulier, waarin is vermeld: “ judgment of the court of appeal in Ghent // opposition not possible ”. Bovendien heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geen antwoord gegeven op de vraag van het openbaar ministerie van 13 maart 2026 of de zaak na het instellen van verzet in België in aanwezigheid van de opgeëiste persoon opnieuw ten gronde zal worden behandeld en of dan nieuw bewijsmateriaal zal worden toegelaten. In de zaken waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, hebben de Belgische autoriteiten deze informatie wel gegeven. 4.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven verzetgarantie van 17 maart 2026 voldoet aan de vereisten van artikel 12, onder d, OLW. Hierbij heeft de officier van justitie verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank, waarbij een verzetgarantie werd gegeven door de Belgische autoriteiten en de rechtbank de overlevering heeft toegestaan. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. 4.3 Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat: ( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. In het EAB, is onder onderdeel d) 3.4 (de verzetgarantie) niet aangekruist. Het IRC heeft hierop op 13 maart 2026 de volgende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “ Uit uw antwoord op onderstaande mail kan ik opmaken dat de beslissing niet aan [de opgeëiste persoon] in persoon is betekend en hij ook geen raadsman heeft gehad tijdens de procedure bij de correctionele rechtbank en het hof van beroep. Zou u mij over het volgende kunnen informeren: - Zal de beslissing na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend aan [de opgeëiste persoon] , en; - Zal [de opgeëiste persoon] na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en - Zal [de opgeëiste persoon] worden geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen? Zo ja, wat zou deze termijn zijn?” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 17 maart 2026 het volgende vermeld: "De beslissing zal inderdaad aan hem worden persoonlijk betekend na de overlevering, met een gedetailleerde bespreking van alle mogelijke rechtsmiddelen en hun termijnen. In concreto dient hij verzet aan te tekenen binnen de 15 dagen na de persoonlijke kennisname ervan." Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3792 text/xml public 2026-04-17T15:22:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-15 13-028438-26 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3792 text/html public 2026-04-17T15:22:27 2026-04-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3792 Rechtbank Amsterdam , 15-04-2026 / 13-028438-26 Executie-EAB uit België. Artikel 12 OLW: de gegeven verklaring voldoet aan de eisen van artikel 12, onder d, OLW. De weigeringsgrond doet zich niet voor. Artikel 2 OLW: met de omschrijving in het EAB is voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast is de rol van de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk omschreven. De naleving van het specialiteitsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/028438-26 Datum uitspraak: 15 april 2026 UITSPRAAK op de vordering van 5 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2025 door het Parket bij het hof van beroep in Gent, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Suriname), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 april 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – conform de door hem ondertekende afstandsverklaring van 1 april 2026 – niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn daartoe gemachtigd raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van het hof van beroep in Gent van 29 april 2025 met referentie 2023/PGG/2128 - C/653/25. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden (1.200 dagen), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1 Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het EAB moet worden aangehouden omdat er aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten ten aanzien van de gegeven toezegging van 17 maart 2026. Deze toezegging kan namelijk niet worden beschouwd als een verzetgarantie zoals bedoeld in artikel 12, onder d, OLW, omdat deze geen onvoorwaardelijke toezegging bevat dat de opgeëiste persoon verzet zal mogen instellen. Hierbij heeft de raadsvrouw verwezen naar het A-formulier, waarin is vermeld: “ judgment of the court of appeal in Ghent // opposition not possible ”. Bovendien heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geen antwoord gegeven op de vraag van het openbaar ministerie van 13 maart 2026 of de zaak na het instellen van verzet in België in aanwezigheid van de opgeëiste persoon opnieuw ten gronde zal worden behandeld en of dan nieuw bewijsmateriaal zal worden toegelaten. In de zaken waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, hebben de Belgische autoriteiten deze informatie wel gegeven. 4.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven verzetgarantie van 17 maart 2026 voldoet aan de vereisten van artikel 12, onder d, OLW. Hierbij heeft de officier van justitie verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank, waarbij een verzetgarantie werd gegeven door de Belgische autoriteiten en de rechtbank de overlevering heeft toegestaan. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. 4.3 Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat: ( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel. In het EAB, is onder onderdeel d) 3.4 (de verzetgarantie) niet aangekruist. Het IRC heeft hierop op 13 maart 2026 de volgende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “ Uit uw antwoord op onderstaande mail kan ik opmaken dat de beslissing niet aan [de opgeëiste persoon] in persoon is betekend en hij ook geen raadsman heeft gehad tijdens de procedure bij de correctionele rechtbank en het hof van beroep. Zou u mij over het volgende kunnen informeren: - Zal de beslissing na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend aan [de opgeëiste persoon] , en; - Zal [de opgeëiste persoon] na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en - Zal [de opgeëiste persoon] worden geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen? Zo ja, wat zou deze termijn zijn?” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 17 maart 2026 het volgende vermeld: "De beslissing zal inderdaad aan hem worden persoonlijk betekend na de overlevering, met een gedetailleerde bespreking van alle mogelijke rechtsmiddelen en hun termijnen. In concreto dient hij verzet aan te tekenen binnen de 15 dagen na de persoonlijke kennisname ervan." Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
Volledig
Uit deze informatie volgt dat, als de beslissing na de overlevering wordt betekend aan de opgeeiste persoon, ook sprake zal zijn van “een gedetailleerde bespreking van alle mogelijke rechtsmiddelen en hun termijnen” . Deze informatie kan naar het oordeel van de rechtbank als een onvoorwaardelijke toezegging beschouwd worden dat de opgeëiste persoon gebruik kan maken van het rechtsmiddel van verzet binnen 15 dagen nadat de beslissing aan hem in persoon is betekend. Dat in deze aanvullende informatie niet nader is gespecificeerd dat dit (ook) inhoudt dat ‘de zaak opnieuw in aanwezigheid van de opgeëiste persoon ten gronde zal worden behandeld en nieuw bewijsmateriaal zal worden toegelaten’ bij eventueel gebruik van die rechtsmiddelen, is onvoldoende om aan die onvoorwaardelijke toezegging te twijfelen. Het voorgaande houdt in dat de veroordeling niet onherroepelijk is zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 6). 5 Genoegzaamheid 5.1 Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. Het EAB bevat slechts een beperkte omschrijving van de feiten, waaruit niet blijkt in welke mate de opgeëiste persoon betrokken is geweest en welke handelingen hem worden verweten. Daarbij zijn de omstandigheden waaronder de feiten zouden zijn gepleegd niet omschreven. Bovendien vermeldt het EAB niet de naam van het bedrijf dat bij de feiten betrokken zou zijn. Hierdoor wordt naleving van het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. Ten aanzien van het voorgaande moeten aanvullende vragen worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 5.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In de stukken is duidelijk omschreven van welke feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit alle noodzakelijke gegevens vermeld en is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Er bestaat geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen. De overlevering kan worden toegestaan. 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Blijkens onderdeel e) van het EAB is de opgeëiste persoon veroordeeld voor twee feiten, namelijk de invoer van een partij cocaïne in de nacht van 21 op 22 maart 2023 uit Zuid-Amerika in de haven van Antwerpen als lid van een criminele organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze omschrijving voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast is de rol van de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk omschreven. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar het A-formulier waarin de opgeëiste persoon als perpetrator is aangemerkt. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, vereist artikel 2 OLW niet dat wordt vermeld onder welke omstandigheden de feiten zijn gepleegd. Het betoog dat de naam van het bedrijf dat betrokken zou zijn geweest bij de strafbare feiten niet is vermeld in de feitomschrijving slaagt evenmin, nu uit de feitomschrijving voldoende blijkt wat de pleegdatum, pleegplaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is. In verband met het voorgaande is de naleving van het specialiteitsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. 6 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. Het Parket-Generaal bij het hof van beroep Gent heeft de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] ( [geboortedag] 1989). Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit in toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 8 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden 8.1 Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 23 maart 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.
Volledig
Uit deze informatie volgt dat, als de beslissing na de overlevering wordt betekend aan de opgeeiste persoon, ook sprake zal zijn van “een gedetailleerde bespreking van alle mogelijke rechtsmiddelen en hun termijnen” . Deze informatie kan naar het oordeel van de rechtbank als een onvoorwaardelijke toezegging beschouwd worden dat de opgeëiste persoon gebruik kan maken van het rechtsmiddel van verzet binnen 15 dagen nadat de beslissing aan hem in persoon is betekend. Dat in deze aanvullende informatie niet nader is gespecificeerd dat dit (ook) inhoudt dat ‘de zaak opnieuw in aanwezigheid van de opgeëiste persoon ten gronde zal worden behandeld en nieuw bewijsmateriaal zal worden toegelaten’ bij eventueel gebruik van die rechtsmiddelen, is onvoldoende om aan die onvoorwaardelijke toezegging te twijfelen. Het voorgaande houdt in dat de veroordeling niet onherroepelijk is zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 6). 5 Genoegzaamheid 5.1 Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is. Het EAB bevat slechts een beperkte omschrijving van de feiten, waaruit niet blijkt in welke mate de opgeëiste persoon betrokken is geweest en welke handelingen hem worden verweten. Daarbij zijn de omstandigheden waaronder de feiten zouden zijn gepleegd niet omschreven. Bovendien vermeldt het EAB niet de naam van het bedrijf dat bij de feiten betrokken zou zijn. Hierdoor wordt naleving van het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. Ten aanzien van het voorgaande moeten aanvullende vragen worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 5.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. In de stukken is duidelijk omschreven van welke feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht en waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Hiermee heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit alle noodzakelijke gegevens vermeld en is het specialiteitsbeginsel gewaarborgd. Er bestaat geen aanleiding om aanvullende vragen te stellen. De overlevering kan worden toegestaan. 5.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. Blijkens onderdeel e) van het EAB is de opgeëiste persoon veroordeeld voor twee feiten, namelijk de invoer van een partij cocaïne in de nacht van 21 op 22 maart 2023 uit Zuid-Amerika in de haven van Antwerpen als lid van een criminele organisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze omschrijving voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast is de rol van de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk omschreven. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar het A-formulier waarin de opgeëiste persoon als perpetrator is aangemerkt. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, vereist artikel 2 OLW niet dat wordt vermeld onder welke omstandigheden de feiten zijn gepleegd. Het betoog dat de naam van het bedrijf dat betrokken zou zijn geweest bij de strafbare feiten niet is vermeld in de feitomschrijving slaagt evenmin, nu uit de feitomschrijving voldoende blijkt wat de pleegdatum, pleegplaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is. In verband met het voorgaande is de naleving van het specialiteitsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank gewaarborgd. Artikel 2 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. 6 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. Het Parket-Generaal bij het hof van beroep Gent heeft de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] ( [geboortedag] 1989). Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit in toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 8 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden 8.1 Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 23 maart 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.
Volledig
Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren. ” 8.2 Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van de zaak om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De door de Belgische autoriteiten verstrekte detentiegarantie neemt het reële risico op schending van grondrechten niet weg ten aanzien van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon zal over minimaal 3m2 individuele leefruimte beschikken, hetgeen het absolute minimum is. Uit vaste jurisprudentie van de rechtbank volgt dat er dan dient te worden gekeken naar compenserende factoren, waarvan onvoldoende sprake is. Uit de aanvullende informatie blijkt immers niet hoe lang de opgeëiste persoon per dag kan wandelen en toegang heeft tot gemeenschappelijke ruimtes. Hiermee wordt niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon op structurele basis 23 uur per dag in de cel zal verblijven. 8.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie van 23 maart 2026 het algemene gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon wegneemt. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd, die aantonen dat de individuele detentiegarantie in het geval van de opgeëiste persoon niet kan worden nageleefd. De overlevering kan worden toegestaan. 8.4 Oordeel van de rechtbank De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden). Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd doet hier niet aan af, reeds omdat de door haar genoemde jurisprudentie ziet op de omstandigheid dat de opgeëiste persoon over minder dan 3 m2 personal space zal beschikken, hetgeen niet aan de orde is. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. In verband met het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het stellen van aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Parket bij het hof van beroep in Gent, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 4 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8342; rechtbank Amsterdam 2 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9412. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie 25 juli 2018, zaak ML , ECLI:EU:C:2018:589.
Volledig
Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren. ” 8.2 Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft verzocht om aanhouding van de zaak om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De door de Belgische autoriteiten verstrekte detentiegarantie neemt het reële risico op schending van grondrechten niet weg ten aanzien van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon zal over minimaal 3m2 individuele leefruimte beschikken, hetgeen het absolute minimum is. Uit vaste jurisprudentie van de rechtbank volgt dat er dan dient te worden gekeken naar compenserende factoren, waarvan onvoldoende sprake is. Uit de aanvullende informatie blijkt immers niet hoe lang de opgeëiste persoon per dag kan wandelen en toegang heeft tot gemeenschappelijke ruimtes. Hiermee wordt niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon op structurele basis 23 uur per dag in de cel zal verblijven. 8.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie van 23 maart 2026 het algemene gevaar ten aanzien van de opgeëiste persoon wegneemt. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd, die aantonen dat de individuele detentiegarantie in het geval van de opgeëiste persoon niet kan worden nageleefd. De overlevering kan worden toegestaan. 8.4 Oordeel van de rechtbank De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden). Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd doet hier niet aan af, reeds omdat de door haar genoemde jurisprudentie ziet op de omstandigheid dat de opgeëiste persoon over minder dan 3 m2 personal space zal beschikken, hetgeen niet aan de orde is. Artikel 11 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. In verband met het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het stellen van aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Parket bij het hof van beroep in Gent, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas en E. Mulder, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 april 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 4 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8342; rechtbank Amsterdam 2 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9412. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie 25 juli 2018, zaak ML , ECLI:EU:C:2018:589.