Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-15
ECLI:NL:RBAMS:2026:3688
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/300409-21 Datum uitspraak: 15 april 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969, wonende op het adres [adres] , [woonplaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 2 februari 2026, 3 februari 2026 en 15 april 2026. Op laatstgenoemde zitting is het onderzoek gesloten en is aansluitend uitspraak gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.W. van Zanten en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. S.N. de Jager, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht. 2 Inleiding Op 17 september 2021 is medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangehouden vanwege een verdenking op grond van de Opiumwet. Bij het uitlezen van zijn telefoon in het kader van die verdenking zijn ook afbeeldingen aangetroffen met daarop advertenties waarin Covid-19 vaccinatieregistraties te koop werden aangeboden . De resultaten van het onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] hebben naar [medeverdachte 2] ( hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] ( hierna: [medeverdachte 3] ) en uiteindelijk ook naar [verdachte] ( hierna: [verdachte] ) geleid. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] waren allen doktersassistente bij Expat Medical Centre op de Bloemgracht in Amsterdam. Het openbaar ministerie verdenkt hen ervan dat zij – tezamen en in vereniging – valse negatieve testresultaten dan wel valse vaccinatiebewijzen hebben opgemaakt en deze hebben geregistreerd in het BRBA-systeem. Zij zouden daartoe persoonsgegevens hebben gekregen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] ( hierna: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 5] ( hierna: [medeverdachte 5] ). [medeverdachte 5] is de partner van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] was destijds de partner van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] is de broer van [verdachte] . Met de vaccinatiebewijzen en negatieve testbewijzen kon een coronatoegangsbewijs worden verkregen. Middels de QR-code op dit bewijs werd toegang mogelijk tot horeacagelegenheden, evenementen, bioscopen en theaters. Een dergelijke QR-code was in een bepaalde periode gedurende de coronapandemie verplicht om naar het buitenland te mogen reizen. Uitleg van de gebruikte systemen In het BRBA-systeem werden de Nederlandse vaccinaties geregistreerd. Dit systeem was gekoppeld aan de RIVM-database. Voor de invoering was onder meer een BSN nummer vereist. Eenmaal geregistreerd kon de geregistreerde via DigiD het vaccinatiebewijs raadplegen en kon via de coronacheck app een QR-code worden gegenereerd. Nadat de vaccinatie was geregistreerd in het BRBA-systeem werd een registratiekaart meegegeven. Op die kaart kwam een sticker van het type vaccinatie (het batchnummer), de datum van vaccinatie en een stempel te staan. Om volledig gevaccineerd te zijn moest men in beginsel twee vaccinaties hebben gehad, zodat er uiteindelijk twee verschillende data en twee verschillende stickers van batchnummers op een registratiekaart kwamen te staan. Het HKVI-systeem was bedoeld voor de omzetting van buitenlandse vaccinaties in een Nederlandse QR-code. Dit systeem fungeerde ook als een alternatieve methode om een onjuiste registratie via het BRBA-systeem te kunnen corrigeren en zo alsnog een QR-code te kunnen genereren. Daarnaast waren er testbewijzen. De negatieve test kon vanaf een gegeven moment met een ophaalcode in de coronacheck app worden ingevoerd. 3 Tenlastelegging In deze strafzaak zijn zes verdachten gedagvaard, te weten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] . Dit vonnis ziet o Valsheid in geschrifte De rechtbank vindt bewezen dat [verdachte] in de periode van 28 juli 2021 tot en met 2 augustus 2021 samen met anderen valse Covid-19 vaccinatiebewijzen heeft opgemaakt. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op de telefoon van [verdachte] zijn de volgende chatberichten aangetroffen: Datum Afzender Inhoud bericht 28- 07-2021 [verdachte] Als het lukt stuur vandaag even de gegevens door van die 2, [medeverdachte 3] is er tot een uur of 15 vandaag mee bezig 28-07-2021 [medeverdachte 4] Top 28-07-2021 [verdachte] Dacht ik al ze gaat akkoord, stuur het als het kan vandaag even door, maar zeg niet dat het via mij of [naam 1] is. 28-01-2021 [medeverdachte 4] Ok 02-08-2021 [verdachte] Moet wel vandaag de gegevens hebben 02-08-2021 [medeverdachte 4] Stuurt afbeelding van paspoort [naam 2] en [naam 3] 02-08-2021 [verdachte] Ook bsn is nodig 02-08-2021 [medeverdachte 4] Zijn de laatste 9 cijfers onderaan ik zal ze door sturen 02-08-2021 [verdachte] Tis gedaan, maar niet zeggen via wie of wat 02-08-2021 [verdachte] Hoe gaan we dat doen met tikkie, laat anders weten wanneer hun betaald hebben 02-08-2021 [medeverdachte 4] Ok zal ik doen 02-08-2021 [verdachte] Zeg maar dat ze eerst moeten betalen dat het dan pas in gang gezet wordt 02-08-2021 10:37:37 uur [medeverdachte 4] Ze betalen direct zusje. Dit zijn hele goede en rijke kennissen van mij dus stuur maar een tikkie [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] haar een aantal keer heeft gevraagd mensen aan te melden en dat zij dat ook heeft gedaan. Zij kreeg daar 300 euro voor en die is op haar rekening gestort. Uit het onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte 3] blijkt dat Euro Construct op 2 augustus 2021 om 11:17 uur, dus ruim een half uur nadat [medeverdachte 4] het laatste hierboven weergegeven bericht aan [verdachte] heeft verstuurd, onder de omschrijving “laarzen” 300 euro over heeft gemaakt naar [medeverdachte 3] . Euro Construct is een BV van [medeverdachte 4] . 4.3.3. Conclusie De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte. De rechtbank is van oordeel dat uit de chatberichten blijkt dat [verdachte] dat opzettelijk heeft gedaan met het oogmerk om de registraties als echt en onvervalst te laten gebruiken. Uit het bericht Tis gedaan, maar niet zeggen via wie of wat en de omstandigheid dat er een betaling heeft plaatsgevonden, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de valse registratie ook is voltooid. De rechtbank is verder van oordeel dat het handelen van [verdachte] te kwalificeren is als medeplegen. [verdachte] is degene geweest die het contact had met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en de persoonsgegevens doorgaf die zij van [medeverdachte 4] ontving. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . De rechtbank ziet in het dossier verder aanwijzingen dat [verdachte] zich vaker heeft beziggehouden met het opmaken van valse Covid-19 vaccinatiebewijzen. Uit de telefoon van [verdachte] blijkt namelijk dat zij met [medeverdachte 4] heeft gesproken over een Covid-19 vaccinatiekaart van [naam 4] . [medeverdachte 4] vraagt [verdachte] of zij kans ziet om deze persoon te registreren. Het gaat om een registratiekaart “die we samen ingevuld hadden”. [verdachte] meldt daarna dat het andere data zijn geworden aangezien het genoemde batchnummer niet voor 9 april uit was. [medeverdachte 4] heeft verder van twee personen Covid-19 vaccinatiekaarten gestuurd naar [verdachte] met de vraag of zij nog iets voor hen kon betekenen. Van bovenstaande gevallen kan de rechtbank echter niet vaststellen dat er daadwerkelijk valse registraties zijn gemaakt. De rechtbank zal daarom een kortere periode bewezen verklaren. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 28 juli 2021 to In dit geval oordeelt de rechtbank dat deze handeling is verricht op het moment dat [verdachte] in verzekering is gesteld. Dat was op 4 november 2021. Wanneer geen sprake is van bijzondere omstandigheden geldt als uitgangspunt dat de redelijke termijn tussen de aanvang daarvan en het wijzen van een vonnis in eerste aanleg, twee jaar duurt. De rechtbank ziet in onderhavige zaak geen aanleiding om te oordelen dat er bijzondere omstandigheden zijn die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Uit het dossier blijkt dat het onderzoek tussen het voorjaar van 2022 en de verhoren in juni 2023 zonder reden heeft stilgelegen. Er is geen sprake van uitgebreid vooronderzoek dat het overschrijden van de redelijke termijn zou kunnen verklaren. Na het uitsturen van de regiebrief in januari 2024, heeft het ruim twee jaar geduurd voordat de zaak op zitting werd behandeld. Nu in april 2026, bijna 4,5 jaar na aanvang van de redelijke termijn, vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met twee en een half jaar overschreden. De rechtbank compenseert [verdachte] voor deze overschrijding door aan haar geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals in een dergelijke zaak voor de hand zou hebben gelegen, maar in plaats daarvan een onvoorwaardelijke taakstraf. De rechtbank ziet in het voorgaande eveneens reden om geen voorwaardelijke straf op te leggen. De voorlopige hechtenis van [verdachte] is op 12 november 2021 geschorst. Per 24 september 2024 is het geschorste bevel bewaring opgeheven. Niet is gebleken dat [verdachte] gedurende deze 4,5 jaar strafbare feiten heeft gepleegd. Een voorwaardelijke straf heeft daarom volgens de rechtbank geen doel meer. Voor de hoogte van de taakstraf heeft de rechtbank ook gekeken naar de opgelegde werkstraffen die aan de medeverdachten worden opgelegd, waarbij steeds naar ieders aandeel en ieders specifieke rol is gekeken. [verdachte] heeft een kleinere rol gehad bij het opmaken van de vaccinatiebewijzen dan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Ook gaat het om minder aantallen. Daarom krijgt zij van de drie doktersassistentes de laagste straf. Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 180 uren opleggen. 9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 45,- per verkochte valse vaccinatie en/of testbewijs aan vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en aanhouding om nadere onderbouwing mogelijk te maken een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op artikel 9, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren , met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen , met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag. Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdac