Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2026:3550
Civiel recht; Europees civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3550 text/xml public 2026-04-14T09:00:23 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-19 11991213 CV EXPL 25-16705 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Civiel recht; Europees civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3550 text/html public 2026-04-10T11:51:58 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3550 Rechtbank Amsterdam , 19-02-2026 / 11991213 CV EXPL 25-16705 consumentenkrediet kort roodstaan. Ambtshalve toetsing informatieverplichtingen, kredietwaardigheid consument vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 11991213 CV EXPL 25-16705 vonnis van: 19 februari 2026 fno.: 393 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de cooperatie Cooperatieve Rabobank U.A. gevestigd te Amsterdam eiseres gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde niet verschenen Verloop van de procedure Bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2025 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van primair een bedrag van € 3.660,94, vermeerderd met de wettelijke rente en nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven. Gedaagde is niet verschenen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Vordering Eiseres vordert primair betaling van € 3.660,94, aan hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente en kosten. Subsidiair vordert zij betaling van € 3.415,30 aan hoofdsom. Eiseres stelt - kort weergegeven - het volgende. Op de bankrekening van gedaagde heeft eiseres aan gedaagde op 21 december 2017 een krediet ter beschikking gesteld tot een maximum van € 900,00, onder de voorwaarde dat hij een keer per drie maanden tenminste een dag een positief saldo op de betaalrekening moest hebben. Op deze overeenkomst zijn algemene (bank)voorwaarden van toepassing en de algemene voorwaarden voor betalen en online diensten van de Rabobank 2016. Gedaagde heeft de overeenkomst op 21 december 2017 digitaal ondertekend. De kredietwaardigheid van gedaagde is getoetst. Eiseres heeft inzage in de maandelijkse inkomsten die hoger moeten zijn dan het gewenste kredietlimiet. Daardoor is het vrij zeker dat het krediet steeds kan worden terugbetaald door gedaagde en is er geen sprake van overkreditering, aldus eiseres. Eiseres heeft als productie overgelegd (voor zover van belang): 1. de kredietovereenkomst en het ESIC formulier beide gedateerd op 21 december 2017; 2. de algemene voorwaarden; 3. bankafschriften van de periode van 1 januari 2023 tot en met 17 augustus 2023; 4. een overzicht genaamd toets op inkomen waarin enkele transacties met bedrag, nummer en datum in september, oktober en november 2017 staan vermeld; 5. brieven waarin gedaagde is aangemaand omdat hij een negatief saldo had en het kredietlimiet was overschreden.. Gronden van de beslissing Partijen hebben op 21 december 2017 online een doorlopend krediet “Rabo kort roodstaan krediet” gesloten tot een maximum van € 900,00 met een variabele effectieve rente die bij aanvang van de overeenkomst effectief 12,9 % per jaar bedroeg. Gedaagde is consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst zijn de bepalingen van de titel 7:2A BW van toepassing. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 87/102/EEG om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplichten de nationale bepalingen waarin de richtlijnen zijn omgezet, ambtshalve toe te passen (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van titel 2A boek 7 BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet. Onder meer moet worden getoetst of de kredietverstrekker heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. Ook moet worden getoetst of de kredietgever vóór het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van gedaagde partij toereikend heeft beoordeeld. Precontractuele informatieverplichtingen Op grond van het bepaalde in artikel 7:60 BW moet de kredietverstrekker of kredietbemiddelaar geruime tijd voordat de consument aan de kredietovereenkomst of een kredietaanbod is gebonden bepaalde precontractuele informatie verschaffen, onder meer over de belangrijkste kenmerken van het krediet en over de overige informatie zoals opgenomen in het Europese standaard informatieformulier inzake consumentenkrediet (hierna: ESIC). De achterliggende gedachte van het bepaalde in artikel 7:60 BW is dat de consument in staat moet worden gesteld het krediet te beoordelen. De consument moet de precontractuele informatie daarom geruime tijd voordat zij aan de kredietovereenkomst of een aanbod is gebonden ontvangen. Wat onder geruime tijd moet worden verstaan, moet van geval tot geval worden beoordeeld, maar vaste jurisprudentie hierover is dat verstrekking van de informatie op dezelfde dag als de dag waarop de kredietovereenkomst is gesloten niet voldoet aan dit criterium (zie onder meer ECLI:NL:GHARL:2018:7970, ECLI:NL:RBNHO:2024:3436 en ECLI:NL:RBOBR:2019:7790). Met de verplichte informatieverstrekking heeft de (Europese) wetgever willen bereiken dat de consument voldoende informatie ontvangt om een bewuste keuze te maken en zich van de gevolgen van het krediet op de hoogte te stellen. De consument moet voldoende tijd hebben om de aanbieding van de kredietgever te doorgronden en, indien de consument dat wenst, het aanbod kunnen vergelijken met aanbiedingen van andere kredietgevers, opdat zij goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het sluiten van de kredietovereenkomst. Als deze precontractuele informatie niet geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst aan de consument wordt verstrekt, dan maakt de kredietgever of kredietbemiddelaar zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW, zo bepaalt artikel 7:60 lid 3 BW. Vast staat dat de precontractuele informatie op dezelfde datum als de overeenkomst is verstrekt, zodat – in beginsel – er van uit wordt gegaan dat niet aan (de doelstelling van) artikel 7:60 BW is voldaan door aan gedaagde geruime tijd voor het aangaan van de overeenkomst deze verplichte informatie te verstrekken (zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7970 en Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 9 juli 2019 ECLI:NLGHARL:2019:5655). In dit geval mocht eiseres echter er mee volstaan de precontractuele informatie op dezelfde datum te verstrekken als de overeenkomst is ondertekend, omdat er sprake is van een reeds bestaande contractuele relatie tussen partijen. Kredietwaardigheidstoets Op grond van artikel 4:34 lid 1 Wft dient een kredietverstrekker vóór de totstandkoming van een kredietovereenkomst in het belang van de consument informatie in te winnen over diens financiële positie en te beoordelen, ter voorkoming van overkreditering, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is. Eiseres stelt dat zij voor het afsluiten van onderhavig krediet de inkomsten van gedaagde aan de hand van de bankafschriften van drie maanden heeft getoetst en daarnaast overige controles heeft uitgevoerd, waaronder een BKR-toets. Volgens eiseres heeft zij de kredietwaardigheid van gedaagde toereikend getoetst. Partijen zijn een doorlopend krediet overeengekomen van € 900,00 met de voorwaarde dat gedaagde gedurende een volledige werkdag per drie maanden een positief saldo op zijn rekening heeft per maand. Dat betekent dat gedaagde in ieder geval voldoende inkomen moet hebben om een bedrag van € 900,00 gedurende een dag per maand terug te betalen. Dat is niet komen vast te staan. Eiseres heeft alleen een uitdraai uit haar interne systeem overgelegd van enkele transactie bedragen van € 995,51 in de maand september, oktober en november 2017. Dit overzicht is niet onderbouwd met stukken, zodat daaruit kan niet worden vastgesteld dat zij de kredietwaardigheid van gedaagde toereikend heeft getoetst.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3550 text/xml public 2026-04-14T09:00:23 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-19 11991213 CV EXPL 25-16705 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Civiel recht; Europees civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3550 text/html public 2026-04-10T11:51:58 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3550 Rechtbank Amsterdam , 19-02-2026 / 11991213 CV EXPL 25-16705 consumentenkrediet kort roodstaan. Ambtshalve toetsing informatieverplichtingen, kredietwaardigheid consument vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 11991213 CV EXPL 25-16705 vonnis van: 19 februari 2026 fno.: 393 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de cooperatie Cooperatieve Rabobank U.A. gevestigd te Amsterdam eiseres gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde niet verschenen Verloop van de procedure Bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2025 heeft eiseres gevorderd dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van primair een bedrag van € 3.660,94, vermeerderd met de wettelijke rente en nevenvordering(en), één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven. Gedaagde is niet verschenen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Vordering Eiseres vordert primair betaling van € 3.660,94, aan hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente en kosten. Subsidiair vordert zij betaling van € 3.415,30 aan hoofdsom. Eiseres stelt - kort weergegeven - het volgende. Op de bankrekening van gedaagde heeft eiseres aan gedaagde op 21 december 2017 een krediet ter beschikking gesteld tot een maximum van € 900,00, onder de voorwaarde dat hij een keer per drie maanden tenminste een dag een positief saldo op de betaalrekening moest hebben. Op deze overeenkomst zijn algemene (bank)voorwaarden van toepassing en de algemene voorwaarden voor betalen en online diensten van de Rabobank 2016. Gedaagde heeft de overeenkomst op 21 december 2017 digitaal ondertekend. De kredietwaardigheid van gedaagde is getoetst. Eiseres heeft inzage in de maandelijkse inkomsten die hoger moeten zijn dan het gewenste kredietlimiet. Daardoor is het vrij zeker dat het krediet steeds kan worden terugbetaald door gedaagde en is er geen sprake van overkreditering, aldus eiseres. Eiseres heeft als productie overgelegd (voor zover van belang): 1. de kredietovereenkomst en het ESIC formulier beide gedateerd op 21 december 2017; 2. de algemene voorwaarden; 3. bankafschriften van de periode van 1 januari 2023 tot en met 17 augustus 2023; 4. een overzicht genaamd toets op inkomen waarin enkele transacties met bedrag, nummer en datum in september, oktober en november 2017 staan vermeld; 5. brieven waarin gedaagde is aangemaand omdat hij een negatief saldo had en het kredietlimiet was overschreden.. Gronden van de beslissing Partijen hebben op 21 december 2017 online een doorlopend krediet “Rabo kort roodstaan krediet” gesloten tot een maximum van € 900,00 met een variabele effectieve rente die bij aanvang van de overeenkomst effectief 12,9 % per jaar bedroeg. Gedaagde is consument, althans wordt vermoed een consument te zijn. Op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst zijn de bepalingen van de titel 7:2A BW van toepassing. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat richtlijn 87/102/EEG om een afdoende beschermingsniveau te waarborgen, de (nationale) rechter verplichten de nationale bepalingen waarin de richtlijnen zijn omgezet, ambtshalve toe te passen (HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:236 met verwijzing naar HvJ EU 4 oktober 2007, C-429/05, ECLI:EU:C:2007:575 en HvJ EU 16 november 2010, C-76/10 ECLI:EU:C:2010:685). Dat wil zeggen dat de bepalingen van titel 2A boek 7 BW ook moeten worden toegepast als de consument daar geen beroep op doet. Onder meer moet worden getoetst of de kredietverstrekker heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten. Ook moet worden getoetst of de kredietgever vóór het sluiten van de overeenkomst de kredietwaardigheid van gedaagde partij toereikend heeft beoordeeld. Precontractuele informatieverplichtingen Op grond van het bepaalde in artikel 7:60 BW moet de kredietverstrekker of kredietbemiddelaar geruime tijd voordat de consument aan de kredietovereenkomst of een kredietaanbod is gebonden bepaalde precontractuele informatie verschaffen, onder meer over de belangrijkste kenmerken van het krediet en over de overige informatie zoals opgenomen in het Europese standaard informatieformulier inzake consumentenkrediet (hierna: ESIC). De achterliggende gedachte van het bepaalde in artikel 7:60 BW is dat de consument in staat moet worden gesteld het krediet te beoordelen. De consument moet de precontractuele informatie daarom geruime tijd voordat zij aan de kredietovereenkomst of een aanbod is gebonden ontvangen. Wat onder geruime tijd moet worden verstaan, moet van geval tot geval worden beoordeeld, maar vaste jurisprudentie hierover is dat verstrekking van de informatie op dezelfde dag als de dag waarop de kredietovereenkomst is gesloten niet voldoet aan dit criterium (zie onder meer ECLI:NL:GHARL:2018:7970, ECLI:NL:RBNHO:2024:3436 en ECLI:NL:RBOBR:2019:7790). Met de verplichte informatieverstrekking heeft de (Europese) wetgever willen bereiken dat de consument voldoende informatie ontvangt om een bewuste keuze te maken en zich van de gevolgen van het krediet op de hoogte te stellen. De consument moet voldoende tijd hebben om de aanbieding van de kredietgever te doorgronden en, indien de consument dat wenst, het aanbod kunnen vergelijken met aanbiedingen van andere kredietgevers, opdat zij goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het sluiten van de kredietovereenkomst. Als deze precontractuele informatie niet geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst aan de consument wordt verstrekt, dan maakt de kredietgever of kredietbemiddelaar zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW, zo bepaalt artikel 7:60 lid 3 BW. Vast staat dat de precontractuele informatie op dezelfde datum als de overeenkomst is verstrekt, zodat – in beginsel – er van uit wordt gegaan dat niet aan (de doelstelling van) artikel 7:60 BW is voldaan door aan gedaagde geruime tijd voor het aangaan van de overeenkomst deze verplichte informatie te verstrekken (zie Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7970 en Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 9 juli 2019 ECLI:NLGHARL:2019:5655). In dit geval mocht eiseres echter er mee volstaan de precontractuele informatie op dezelfde datum te verstrekken als de overeenkomst is ondertekend, omdat er sprake is van een reeds bestaande contractuele relatie tussen partijen. Kredietwaardigheidstoets Op grond van artikel 4:34 lid 1 Wft dient een kredietverstrekker vóór de totstandkoming van een kredietovereenkomst in het belang van de consument informatie in te winnen over diens financiële positie en te beoordelen, ter voorkoming van overkreditering, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is. Eiseres stelt dat zij voor het afsluiten van onderhavig krediet de inkomsten van gedaagde aan de hand van de bankafschriften van drie maanden heeft getoetst en daarnaast overige controles heeft uitgevoerd, waaronder een BKR-toets. Volgens eiseres heeft zij de kredietwaardigheid van gedaagde toereikend getoetst. Partijen zijn een doorlopend krediet overeengekomen van € 900,00 met de voorwaarde dat gedaagde gedurende een volledige werkdag per drie maanden een positief saldo op zijn rekening heeft per maand. Dat betekent dat gedaagde in ieder geval voldoende inkomen moet hebben om een bedrag van € 900,00 gedurende een dag per maand terug te betalen. Dat is niet komen vast te staan. Eiseres heeft alleen een uitdraai uit haar interne systeem overgelegd van enkele transactie bedragen van € 995,51 in de maand september, oktober en november 2017. Dit overzicht is niet onderbouwd met stukken, zodat daaruit kan niet worden vastgesteld dat zij de kredietwaardigheid van gedaagde toereikend heeft getoetst.