Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-01
ECLI:NL:RBAMS:2026:3519
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/763040 / HA ZA 25-111 Vonnis van 1 april 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VISSER & SMIT HANAB B.V. , thans genaamd HANAB PROJECTS B.V. gevestigd te Papendrecht, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: Hanab, advocaat: mr. R.J. van Agteren, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AEB EXPLOITATIE B.V. , gevestigd te Amsterdam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: AEB, advocaat: mr. J. Bedaux. 1 De zaak in het kort 1.1. Hanab is met AEB in 2022 een aannemingsovereenkomst aangegaan voor het uitvoeren van constructie- en installatiewerkzaamheden van een stoomkoppelleiding in een fabriek van AEB. Partijen zijn vervolgens in discussie geraakt over onder andere meerwerk en hebben hier op een later moment in 2024 nadere afspraken over gemaakt. Volgens Hanab zijn daarna twee nieuwe kinken in de kabel ontstaan. Hanab stelt dat zij niet ongestoord in de fabriek kon werken en dat zij de werkzaamheden niet volgens het goedgekeurde ontwerp kon uitvoeren. Hanab heeft de werkzaamheden gestaakt en vordert in deze procedure onder meer dat de overeenkomst met AEB wordt ontbonden en AEB wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding voor de door haar gemaakte kosten. 1.2. AEB vindt dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst of nadere afspraken, maar dat juist Hanab niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, doordat zij van het werk is weggelopen en het werk niet heeft voltooid. Zij vordert dat voor recht wordt verklaard dat Hanab tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Daarnaast vordert zij in het verlengde daarvan betaling van een contractuele boete voor het niet tijdig opleveren van het werk en een verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de door AEB geleden schade. 1.3. De rechtbank ontbindt de tussen partijen gesloten overeenkomst, waaronder de nadere afspraken, en bepaalt dat AEB de helft van de oorspronkelijke aanneemsom aan Hanab moet betalen voor de verrichte werkzaamheden. De overige vorderingen van partijen worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank deze beslissingen uit. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 januari 2025, - de akte overlegging producties van Hanab, met producties, - de brief van mr. Van Agteren van 30 januari 2025, met bijlagen, waarin is verzocht om de bijlagen toe te voegen aan de akte overlegging producties van Hanab, - de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties, - de conclusie van antwoord in reconventie, - het tussenvonnis van 27 augustus 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 december 2025 en de daarin genoemde stukken, alsmede de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden. 3 De feiten 3.1. Hanab is een onderneming die actief is in (onder meer) de bovengrondse en ondergrondse leiding- en kabelinfrastructuur. Hanab was onderdeel van het VolkerWessels concern en was voorheen genaamd Visser & Smit Hanab B.V. (hierna: V&SH). 3.2. AEB is het Afval Energie Bedrijf. AEB verbrandt afval en wekt daar, kort gezegd, energie mee op. AEB is voortgekomen uit (oorspronkelijk) de Dienst Stadsreiniging van de gemeente Amsterdam. De gemeente Amsterdam is de aandeelhouder van AEB. 3.3. In 2021 heeft AEB een aanbesteding uitgeschreven voor het sluiten van een overeenkomst voor een 'Stoomkoppelleiding AEC/HRC', meer specifiek het uitvoeren van constructie- en installatiewerkzaamheden van een stoomkoppelleiding voor het koppelen van de Afval Energie Centrale (AEC) met de Hoog Rendement Centrale (HRC) van AEB. 3.4. Op basis van de inschrijving van Hanab is de aanbesteding aan Hanab gegund. Partijen hebben vervolgens op 31 januari 2022 de Projectovereenkomst Stoomkoppelleiding AEC/HRC gesloten (hi De kosten voor eventueel meerwerk worden na de Goedkeuring van het Werk verrekend, evenals de aftrekposten voor eventueel minderwerk. 10.2. Eventuele fouten en/of onvolledigheden in de aanbestedingsdocumenten, zoals tekeningen en overige contract documenten, waaraan Opdrachtnemer tijdens de aanbesteding kennis van heeft kunnen nemen en waarvoor redelijkerwijs geldt dat Opdrachtnemer deze had kunnen voorkomen of hiervoor had kunnen waarschuwen, geven geen aanspraak op meerwerk. (…) Artikel 13 – Tussentijdse beëindiging van de Projectovereenkomst (…) 13.3 Indien deze Projectovereenkomst eindigt, ongeacht de reden ervan, is Opdrachtgever gerechtigd van alle documenten, ontwerpen, berekeningen en tekeningen c.a., voor zover die aan Opdrachtnemer zouden toebehoren, naar goeddunken gebruik te maken en deze aan derden ter beschikking te stellen (…) Opdrachtnemer zal zodanige documenten, ontwerpen, berekeningen en tekeningen c.a. op eerste verzoek aan Opdrachtgever overhandigen. (…) Artikel 19 Verantwoordelijkheden voor de CE-goedkeuring 19.1. In aanvulling op de antwoorden op vraag 109,112 en 135 uit de nota van inlichtingen is de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van de CE-goedkeuring als volgt overeengekomen: • Opdrachtgever draagt de verantwoordelijkheid voor het ontwerp van het Werk. Alle documenten die tezamen het ontwerp hierna - Ontwerpdocumenten vormen stelt Opdrachtgever beschikbaar aan Opdrachtnemer. • Opdrachtnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van alle documenten die voor de uitvoering van het werk noodzakelijk zijn, hierna – Uitvoeringsdocumenten. • Opdrachtnemer dient de Ontwerpdocumenten tezamen met de Uitvoeringsdocumenten in bij Lloyds als een Design Appraisal Document. • Opdrachtgever draagt de kosten voor de beoordelingen van Lloyds. Indien een herbeoordeling nodig is als gevolg van een ommissie in de Uitvoeringsdocumenten draagt Opdrachtnemer de kosten voor de herbeoordeling. • Indien Lloyds aanpassingen aan het ontwerp voorschrijft dient Opdrachtnemer de gevolgen daarvan te kwantificeren en onderbouwd met een openbegroting te verstrekken aan Opdrachtgever. • Opdrachtgever draagt de kosten voor de aanpassingen die nodig zijn om te voldoen aan de voorwaarden om de CE-keuring te verkrijgen. • Opdrachtnemer is verantwoordelijk voor de coördinatie met Lloyds tot commissioning het CE-pakket van de uitvoering het samenvoegen van de Ontwerpdocumenten en de Uitvoeringsdocumenten . Artikel 20 – Slotbepalingen 20.1 Afwijkingen van deze Projectovereenkomst (…) zijn slechts bindend voor zover zij uitdrukkelijk tussen Partijen schriftelijk zijn overeengekomen.” 3.5. Op de Overeenkomst zijn de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 van toepassing (hierna: UAV 2012), voor zover daar in de Overeenkomst niet nadrukkelijk van wordt afgeweken. Een hier van belang zijnde bepaling van de UAV 2012 luidt als volgt: “§ 36 lid 4 Bestekswijzigingen worden verrekend tegen bedragen of prijzen die vóór de uitvoering van die wijzigingen of, indien hun aard dit belet, zo spoedig mogelijk tussen de opdrachtgever en de aannemer worden overeengekomen. Indien de directie overweegt om een bestekswijziging aan te brengen en daartoe de aannemer verzoekt een prijsaanbieding te doen, plegen de directie en de aannemer op verzoek van de aannemer tevoren overleg omtrent de vraag of, en zo ja onder welke omstandigheden, de aannemer aanspraak zal kunnen maken op een redelijke vergoeding van de aan het doen van de prijsaanbieding verbonden kosten.” 3.6. Voordat de aanbesteding aan Hanab is gegund, heeft AEB in een Nota van Inlichtingen vragen over de aanbesteding van reflecterende marktpartijen beantwoord. Daarin staat, voor zover relevant, het volgende: “28. Vraag: (…) Het bepaalde inzake het waarschuwen voor alle tekortkomingen (zijnde onjuistheden, onduidelijkheden, tegenstrijdigheden of anderszins onvolkomenheden) in de aanbestedingsdocumenten en verder door u verstrekte Vraag: in de ontvangen 3D modellen zijn enkele clashes geconstateerd tussen leidingen en bestaande staalconstructie. Worden deze clashes (en eventuele andere nog te ontdekken) door Opdrachtgever aangepast zodat er een “AFC” isometrieen pakket is bij het begin van de uitvoering? Antwoord : Opdrachtnemer dient waar conflicten zijn met bestaande installatiedelen, deze in het werk op te lossen. Dit wordt met het meerwerk afgerekend. In bijgevoegde bijlagen zijn de conflicten weergegeven die in het 3d model zichtbaar zijn. Niet alle conflicten zijn bekend bij Aanbestedende dienst. Hieronder enkele conflicten. • Het meerdendeel van de conflicten betreft kabelgoten, ten behoeve van TL-verlichting en leuningwerk. Dat moet op locatie worden aangepast. • Dan een clash met de wand van de voormalige drugslift AEC. Deze balk kan worden ingenomen. • Het vloerluik bij de HRC dient losgenomen te worden om plaatsing stoomleiding mogelijk te maken. Na plaatsing dient Opdrachtnemer dit passend te maken. (…)” 3.7. Op 29 maart 2022 hebben partijen een addendum bij de Overeenkomst gesloten, waarin is bepaald dat Hanab uiterlijk op 8 april 2022 een Level 4 planning zal verstrekken. Verder is de eerste mijlpaal verschoven naar ‘28 september 2022 of Conform Level 4 planning’ en de tweede mijlpaal naar ‘26 december 2022 of Conform Level 4 planning’. In het addendum is, voor zover hier van belang, het volgende in aanmerking genomen: “b) Opdrachtgever heeft besloten de ontwerpcapaciteit van de condensaatretourleiding te verhogen; c) Opdrachtgever de uitwerking van de capaciteitsverhoging hiervan medio maart zal verstrekken; d) Opdrachtgever hiertoe een separate bestekswijziging op de Overeenkomst zal verstrekken aan Opdrachtnemer; e) Opdrachtnemer de voornoemde bestekswijziging aanbiedt conform Art. 10 – Meer- en minderwerk; f) Opdrachtnemer ingevolge artikel 6.1 een level 4 planning dient te verstrekken op 28 februari 2022; g) Opdrachtnemer vanwege de voornoemde aanpassing in sub b, geen level 4 planning kan verstrekken; (…)” 3.8. Op 21 april 2022 heeft AEB de hiervoor in 3.7 onder d) vermelde bestekswijziging ingediend bij Hanab en een offerte gevraagd voor het meer- en minderwerk in verband met deze scope wijziging. Hanab heeft op 9 november 2022 een gespecificeerde meerwerkaanbieding gedaan. AEB heeft deze meerwerkaanbieding niet aanvaard. 3.9. Op 3 juni 2022 heeft Hanab (conform artikel 2.5 van de Overeenkomst) een bankgarantie gesteld waarbij BNP Paribas S.A. zich tegenover AEB borg stelt voor de juiste nakoming door Hanab van haar verplichtingen voortvloeiend uit de Overeenkomst, tot een bedrag van € 712.760,-. De bankgarantie was aanvankelijk geldig tot 31 december 2022. De geldigheidsduur is op 30 juni 2023 verlengd tot 31 december 2023 en op 12 december 2023 verlengd tot 31 juli 2024. 3.10. AEB heeft voor het opstellen van de Ontwerpdocumenten als bedoeld in artikel 19.1 van de Overeenkomst een derde partij ingeschakeld, te weten IV-Industrie B.V. (hierna: IV-Industrie). 3.11. Op 20 juni 2022 heeft AEB ‘definitieve ontwerptekeningen’ aan Hanab gezonden. Daarna heeft IV-Industrie nog aanvullende documenten/informatie, waaronder pipe-stressberekeningen, aan Hanab gezonden. Hanab heeft vervolgens de Uitvoeringsdocumenten als bedoeld in artikel 19.1 van de Overeenkomst opgesteld en op 4 november 2022 Lloyds verzocht om een offerte voor de beoordeling van het ontwerp, welke offerte zij op 22 december 2022 heeft ontvangen. Hanab heeft nadien een aantal technische vragen aan AEB/IV-Industrie gesteld over het ontwerp. 3.12. Eind november 2022 is Hanab gestart met de werkzaamheden op locatie en heeft AEB 50% van de aanneemsom voldaan. 3.13. Op 13 februari 2023 heeft Hanab haar werkzaamheden op locatie gestaakt omdat er geen positieve ontwerpbeoordeling door Lloyds was. 3.14. Op 16 februari 2023 heeft AEB aan Hanab bericht dat de schoen wringt op het punt dat Hanab, door bij oplevering een CE-verklaring af te geven, zich impliciet akkoord verklaart met h Hanab heeft geconstateerd dat sprake was van diverse tegenstrijdigheden in het ontwerp van AEB dan wel door of namens AEB verstrekte informatie en dat het ontwerp en de specificaties onvolledig waren. Verder kon het proces van certificering pas na 31 maart 2023 in gang worden gezet, omdat toen de laatste informatie van IV-Industrie is ontvangen. Hanab heeft conform de gemaakte afspraken in het addendum een meerwerkaanbieding aan AEB gedaan gerelateerd aan de doorgevoerde bestekswijziging en inmiddels is het gewijzigde ontwerp gecertificeerd, maar AEB heeft deze meerwerkaanbieding niet geaccepteerd, zodat het werk niet kan worden uitgevoerd. Hanab heeft daarbij toegelicht dat het niet mogelijk is om terug te vallen op de originele scope op basis waarvan de Overeenkomst is gesloten, omdat hiervoor geen gecertificeerd ontwerp bestaat, zodat geen uitvoering kan worden gegeven aan de Overeenkomst. Hanab heeft laten weten dat als AEB nalaat om binnen twee weken een gecertificeerd ontwerp aan te leveren dat voldoet aan de Overeenkomst, zij de Overeenkomst gedeeltelijk (voor de toekomst) ontbindt. Verder heeft Hanab erop gewezen dat AEB vanwege de gedeeltelijke ontbinding geen rechten meer kan ontlenen aan de door Hanab verstrekte bankgarantie, waarbij zij AEB heeft verzocht om de bankgarantie te retourneren. 3.23. Bij brief van 27 november 2023 heeft AEB daarop gereageerd. Daarin heeft zij onder meer het standpunt ingenomen dat Hanab nalaat haar contractuele verplichting te vervullen doordat zij het werk niet op 1 juni 2023 heeft opgeleverd vanwege het niet nakomen van haar verplichtingen inzake de CE-goedkeuring en doordat zij geen herziene Level 4 planning heeft verstrekt. AEB heeft verder toegelicht dat zij inzichtelijk heeft gemaakt voor welk meerwerk opdracht is gegeven en wat de status en beoordeling van AEB is, maar dat zij hierop van Hanab geen reactie heeft ontvangen. AEB heeft het standpunt ingenomen dat Hanab het ingediende meerwerk niet heeft onderbouwd en niet heeft gespecificeerd waarom dit meerwerk betreft en afwijkt van de scope van de Overeenkomst en de vaste aanneemsom, zodat AEB dit niet kan beoordelen. Verder heeft AEB benoemd dat de vertraging in verband met de CE-verklaring in het domein van Hanab ligt. AEB heeft laten weten bereid te zijn in gesprek te gaan over de prijs van het meerwerk. Ook heeft AEB laten weten dat voor zover Hanab bij de ontbinding blijft, zij haar eerdere standpunt handhaaft dat Hanab zelf in verzuim verkeert en AEB hierdoor schade lijdt. AEB heeft Hanab gesommeerd om het meer- en minderwerk inzichtelijk te maken, zodat partijen hierover in overleg kunnen treden. Daarnaast heeft AEB Hanab erop gewezen dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken, zij de bankgarantie zal inroepen. 3.24. Bij e-mail van 1 december 2023 is Hanab ingegaan op de uitnodiging van AEB om via overleg alsnog tot overeenstemming te komen. Bij e-mail van 7 december 2023 heeft Hanab de onderbouwing van zowel het meerwerk als de inefficiëntie/vertragingskosten aan AEB gezonden. 3.25. Bij e-mail van 13 december 2023 heeft AEB: (i) de herziene planning met een opleverdatum van 14 juni 2024 akkoord bevonden, (ii) het meerwerk ter grootte van € 438.778,08 volgens het overzicht van 6 juli 20223 – hoewel dit volgens haar niet nader is onderbouwd – onder protest geaccepteerd, en (iii) de inefficiëntiekosten – bij gebrek aan duidelijkheid – niet geaccepteerd. 3.26. Partijen zijn vervolgens in overleg getreden over een mogelijke oplossing. AEB was bereid een bedrag van € 2,4 miljoen te betalen voor alle werkzaamheden tegen finale kwijting en Hanab was bereid alle werkzaamheden te verrichten voor € 2,65 miljoen tegen finale kwijting. Hanab heeft op 7 februari 2024 voorgesteld het verschil te delen (hetgeen neerkomt op € 2,525 miljoen). AEB heeft echter bij brief van 16 februari 2024 Hanab gesommeerd om uiterlijk 23 februari 2024 te bevestigen dat zij uitvoering zal geven aan de Overeenkomst en uiterlijk op 19 juli 2024 he Bij e-mail van 29 april 2024 heeft Hanab aan AEB een voorstel gedaan voor het afmaken van het werk met een “open boek” begroting. Deze e-mail vermeldt onder meer: “ Om de planning te halen zullen we extra overuren moeten maken en mogelijk onderdelen/materialen met spoed aan te laten leveren. Deze willen we wel doorbelasten, mits [de rechtbank begrijpt: tenzij] AEB afziet van de boeteclausule “te laat opleveren”. (…) We hebben kunnen concluderen vanuit de 3D clash analyse dat de engineering vanuit IV niet helemaal goed is gegaan. Ook in het verleden zijn hierover al wat discussies geweest. (...) Aangezien de engineering niet 100% is willen we de huidige isometric aanpassen naar as-build. Dit houdt in dat bv de maatvoering qua leiding lengte zal veranderen of supports aanpassingen. Meerwerken: • 3D scan • Clash analyse • Kosten t.b.v. clash analyse op te lossen, ik heb een globale kosten inschatting gemaakt van 270K exclusief 30 % onvoorzien en NDO kosten of herzien van DAD. (…) • Engineering naar As-Build door externe partij. (…)” 3.35. In reactie daarop heeft AEB op 13 mei 2024 geschreven dat zij niet wil werken met een openboek constructie en heeft zij Hanab gevraagd om een onderbouwing van het meer- en minderwerk per clash. 3.36. Bij brief van 16 mei 2024 heeft Hanab aan AEB bericht: “Zoals bekend staat een brede financiële discussie, over o.a. niet geaccordeerde meerwerken en inefficiëntiekosten, al geruime tijd ‘on hold’(…) Het project (...) waarbij V&SH in 13 aaneengesloten kalenderwerken het werk in het jaar 2022 zou kunnen uitvoeren. De werkelijkheid is echter dat: ontwerpdocumenten onvoldoende zijn; een 3D clash analyse uitgevoerd diende te worden waaruit diverse nieuwe conflicten/clashes naar voren gekomen zijn; realisatie in 13 aaneengesloten kalenderwerken niet mogelijk blijkt; werkzaamheden niet ongestoord uitgevoerd kunnen worden hetgeen een voorwaarde was voor het hervatten van de werkzaamheden in februari 2024; meerwerken niet geaccordeerd worden door opdrachtgever; opdrachtgever haar directie voerende taken niet uitvoert. (…)” Hanab heeft een laatste voorstel gedaan om het werk af te maken tegen een vaste prijs van € 3,5 miljoen met 26 juli 2024 als streefdatum voor de oplevering. Daarbij heeft Hanab meegedeeld dat dit aanbod geldt tot 17 mei 2024 om 17:00 uur en als AEB geen akkoord geeft, Hanab een week later geen gevolg meer zal geven aan de geplande werkzaamheden. 3.37. Bij brief van 28 mei 2024 heeft AEB Hanab verzocht en gesommeerd uitvoering te geven aan de Overeenkomst en de nadere afspraken van 28 februari 2024. AEB heeft meegedeeld dat als Hanab niet uiterlijk op 30 mei 2024 om 14:00 uur heeft bevestigd dat het werk zal worden uitgevoerd zoals overeengekomen, AEB de bankgarantie zal trekken. 3.38. Bij brief van 30 mei 2024 gericht aan BNP Paribas S.A. heeft AEB de bankgarantie ingeroepen, met het verzoek om uit te keren op 14 juni 2024, behoudens het geval dat Hanab een spoedgeschil entameert. 3.39. Hanab heeft zich vervolgens gedemobiliseerd van de site en alle werkzaamheden gestaakt en bij brief van 30 mei 2024 aan AEB geschreven dat zij niet meer inhoudelijk zal ingaan op sommaties en heeft nogmaals verwezen naar de inhoud van haar brief van 16 mei 2024. 3.40. Hanab heeft daarna AEB gedagvaard in kort geding voor deze rechtbank en – kort gezegd – gevorderd om AEB te verbieden een beroep te doen op de bankgarantie. Bij vonnis van 11 juli 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van Hanab afgewezen. 3.41. Bij e-mail van 15 juli 2024 heeft de advocaat van AEB de advocaat van Hanab verzocht om bepaalde documentatie van de door Hanab uitgevoerde werkzaamheden aan AEB te verstrekken. Hanab heeft op 31 juli 2024 documentatie aan AEB verstrekt. AEB heeft vervolgens op 6 september 2024 laten weten dat deze documentatie incompleet is. Hierop heeft Hanab op 19 september 2024 geantwoord dat het opleverdossier een tussenstand is omdat de werkzaamheden niet zijn afgerond. Vervolgens h Hanab is op 16 mei 2024 in verzuim gekomen omdat zij toen een onaanvaardbaar voorstel heeft gedaan en heeft aangegeven dat als dit voorstel niet wordt geaccepteerd, zij geen vervolg zal geven aan de werkzaamheden, zodat AEB hieruit mocht afleiden dat Hanab tekort zou schieten in de nakoming van de overeenkomst, Voor zover dit niet slaagt, is Hanab op 30 mei 2024 in verzuim geraakt omdat zij toen heeft aangegeven dat zij zich demobiliseert van de site en alle werkzaamheden staakt. Voor vordering II stelt AEB dat Hanab op grond van artikel 6.4 van de Overeenkomst gehouden is om een schadevergoeding te betalen voor het niet tijdig opleveren van het werk op 26 juli 2024. Omdat het maximum van de schadevergoeding 10% van de totale aanneemsom betreft en partijen een herziene aanneemsom van ruim € 1,8 miljoen zijn overeengekomen, is Hanab gehouden om € 186.377,- te betalen. Daarnaast vordert AEB dat de zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure om de door haar geleden schade vast te stellen. Omdat Hanab de werkzaamheden niet heeft voltooid, is AEB gerechtigd om de werkzaamheden door een derde uit te laten voeren op kosten van Hanab. Nu Hanab niet alle benodigde documentatie over de verrichte werkzaamheden heeft verstrekt, kan een derde partij niet voortbouwen op de uitgevoerde werkzaamheden. AEB is daarom genoodzaakt geweest om het werk te laten demonteren, waarvoor zij kosten heeft gemaakt. AEB wenst dat al haar schade, waaronder interne kosten en gemiste inkomsten en voordelen door het niet kunnen gebruiken van de stoomkoppelleiding, in een schadestaatprocedure wordt begroot. 4.7. Hanab is het niet met de vorderingen eens en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van AEB in de kosten van deze procedure. 4.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling in conventie Partijen hebben op 28 februari 2024 nadere afspraken gemaakt 5.1. Partijen verschillen van mening of zij op 28 februari 2024 nadere afspraken hebben gemaakt. Volgens Hanab hadden partijen toen weliswaar op hoofdlijnen overeenstemming bereikt, maar kan dit niet worden gezien als een nieuwe overeenkomst. Zij betoogt dat het voorbehoud was gemaakt van schriftelijke uitwerking in een addendum, dat dit ook vereist is op grond van artikel 20.1 van de Overeenkomst, maar dat partijen het niet eens zijn geworden over de tekst van het addendum, zodat geen nieuwe afspraken tot stand zijn gekomen. Daarnaast stelt Hanab dat AEB onbevoegd is vertegenwoordigd omdat de e-mail van 28 februari 2024 (zie 3.29) niet afkomstig is van een bevoegde vertegenwoordiger van AEB. AEB meent daarentegen dat nieuwe en bindende afspraken zijn gemaakt en voert aan dat deze afspraken ook door haar zijn bekrachtigd. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat tussen partijen op 28 februari 2024 nadere afspraken zijn gemaakt met het oog op de afronding van het project. Het door Hanab gedane voorstel (zie 3.28), dat is bevestigd door de vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders van Hanab (zie 3.30), is door AEB bij e-mail van dezelfde datum (zie 3.29) geaccepteerd. AEB heeft ter zitting verklaard dat zij met haar e-mail (zie 3.29) geen afwijkend tegenvoorstel heeft gedaan, maar heeft ingestemd met het voorstel van Hanab. Voor zover deze e-mail van AEB al door een vertegenwoordigingsonbevoegde is geschreven, heeft AEB de daarin besloten rechtshandeling (de aanvaarding van het aanbod van Hanab) nadien, in ieder geval tijdens het kort geding, bekrachtigd als bedoeld in artikel 3:69 BW, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het betoog van Hanab dat AEB onbevoegd zou zijn vertegenwoordigd. Hoewel het standpunt van Hanab juist is dat op grond van artikel 20.1 van de Overeenkomst een schriftelijkheidsvereiste geldt voor nadere (afwijkende) afspraken, is in dit geval hieraan voldaan. De nadere afspraken zijn immers vastgelegd in de e-mails van 28 februari 2024. Dat brengt mee dat deze afspraken gelden in aanvulling op de Overeenkomst. Dat uit de e-ma In de tweede plaats stelt Hanab dat het onmogelijk was het werk te voltooien conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp omdat sprake was van nieuwe clashes (conflicten) tussen de bestaande installatie en het ontwerp van de stoomkoppelleiding. Hierdoor was een ontwerpwijziging nodig, hetgeen viel onder de ontwerp-verantwoordelijkheid van AEB. Volgens Hanab heeft AEB voor beide omstandigheden geen oplossing geboden. De rechtbank begrijpt het standpunt van Hanab zo dat AEB hierdoor niet voldaan heeft aan de nadere afspraken zoals hiervoor genoemd in 5.6. 5.10. AEB betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en voert aan dat zij op geen enkel moment door Hanab in gebreke is gesteld. Volgens AEB kan Hanab daarom geen succesvol beroep doen op ontbinding. 5.11. De rechtbank overweegt dat de onderhoudsstop niet kan leiden tot het oordeel dat de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) moet worden ontbonden, maar dat dit wel het geval is voor zover het gaat om de nieuwe clashes . Hierna worden deze onderwerpen afzonderlijk besproken. Onderhoudsstop 5.12. Als Hanab door de onderhoudsstop haar werkzaamheden niet ongestoord heeft kunnen uitvoeren, levert dit aan de zijde van AEB een tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen op, althans in ieder geval schuldeisersverzuim. AEB heeft niet betwist dat zij ten tijde van de nadere afspraken op 28 februari 2024 bekend was met de geplande onderhoudsstop, dit niet heeft gemeld aan Hanab en op 5 maart 2024 heeft aangekondigd dat de werkzaamheden vanwege de algehele onderhoudsstop naar verwachting niet aaneengesloten kunnen worden uitgevoerd. AEB heeft echter wel gemotiveerd betwist dat Hanab daadwerkelijk feitelijk hinder heeft gehad van de onderhoudswerkzaamheden. AEB heeft toegelicht dat Hanab in het ketelhuis werkzaamheden moest verrichten en dat daar geen onderhoudswerkzaamheden waren. Daartegenover heeft Hanab niet concreet gesteld waar en op welke geplande data zij niet ongestoord heeft kunnen werken, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Dat maakt dat niet is komen vast te staan dat Hanab de werkzaamheden niet ongestoord heeft kunnen uitvoeren en dus ook niet dat AEB op dit punt de nadere afspraken niet is nagekomen. Deze omstandigheid levert dus geen grond op voor ontbinding van de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken). Nieuwe clashes 5.13. Hanab stelt zich op het standpunt dat het onmogelijk was om het werk te voltooien conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp omdat er in april 2024 nieuwe clashes bleken die niet ‘in het werk’ konden worden opgelost, maar een wijziging van het ontwerp vergden. AEB betwist dit en voert aan dat het voor Hanab vanaf het begin al duidelijk moet zijn geweest waar de clashes (te verwachten) waren. Volgens AEB is Hanab op grond van de Overeenkomst gehouden de clashes ‘in het werk’ op te lossen en moet AEB dit als meerwerk compenseren en eventueel (op verzoek van Hanab) bouwtijdverlenging verlenen. 5.14. De rechtbank is van oordeel dat Hanab voldoende heeft onderbouwd dat zij het werk niet kon uitvoeren volgens het door Lloyds goedgekeurde ontwerp. Daarbij wordt vooropgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de ontwerpverantwoordelijkheid op grond van de Overeenkomst op AEB rust. Hanab heeft voldoende toegelicht dat het niet mogelijk was om de nieuw gebleken clashes ‘in het werk’ op te lossen zonder een aanpassing van het ontwerp. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Hanab een clash-analyse overgelegd en ter zitting toegelicht dat de geel gemarkeerde clashes een wijziging van het ontwerp vergden. Zo heeft zij uitgelegd dat clash nummer 16 een leidingclash betreft waarbij volgens het ontwerp een leiding moet worden gebouwd die dwars door een andere bestaande leiding loopt. Volgens Hanab kan de bestaande leiding niet worden aangepast, zodat het ontwerp van de nieuwe leiding moet worden aangepast. 5.15. AEB heeft daartegenover aangevoerd dat zij de clash -analyse niet eerder heeft ontvangen da De rechtbank begrijpt het standpunt van AEB zo dat het voor rekening van Hanab moet komen dat zij pas na de nadere afspraken, en dus nadat het ontwerp door Lloyds was goedgekeurd, nieuwe clashes heeft ontdekt, maar dit verweer slaagt niet. Het is niet relevant op welk moment Hanab uiteindelijk de clashes heeft onderzocht, aangezien partijen zijn overeengekomen dat Hanab het werk kon uitvoeren conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp. Als er vervolgens tijdens de uitvoering van het werk clashes zouden worden ontdekt, zou dit volgens de gemaakte afspraken door Hanab worden opgelost ‘in het werk’ tegen betaling van meerwerk. Dat betekent echter niet dat clashes die een ontwerpwijziging vergen, ook door Hanab moeten worden opgelost. Dat het aflopen van de stoomkoppelleiding en het onderzoeken waar de clashes (kunnen) zijn volgens AEB slechts een aantal uur werk betreft, doet dus niet ter zake. Hetzelfde geldt voor de stelling van AEB dat alle clashes met het blote oog zouden zijn vast te stellen. Dit ligt bovendien ook niet voor de hand, aangezien AEB zelf in de Nota van Inlichtingen heeft vermeld dat niet alle clashes bij haar bekend zijn, hetgeen uiteraard wel het geval zou zijn als deze met het blote oog zichtbaar zouden zijn. Het gaat immers om haar eigen fabriek. Daarnaast wordt in de aanbestedingsdocumentatie verwezen naar 3D modellen waarin clashes zijn geconstateerd. Als alle clashes met het blote oog zouden zijn vast te stellen, zou het verstrekken van deze documentatie zinloos zijn. 5.19. Gelet op het voorgaande kon Hanab het werk niet uitvoeren conform het door Lloyds goedgekeurde ontwerp, zoals partijen in de nadere afspraken van 28 februari 2024 zijn overeengekomen. AEB verlangde wel dat Hanab hiertoe zou overgaan en de nieuwe clashes ‘in het werk’ zou oplossen, terwijl dit in feite niet mogelijk was zonder aanpassing van het ontwerp. Gelet op de ontwerpverantwoordelijkheid van AEB, valt dit aan haar toe te rekenen en kan dit niet voor rekening van Hanab komen. Tussenconclusie 5.20. Uit het voorgaande volgt dat Hanab als aannemer de overeenkomst niet kon uitvoeren ten gevolge van een omstandigheid die haar niet kan worden toegerekend. Daarom zal de rechtbank de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) geheel ontbinden. Dit strookt ook met de wens van partijen, die beiden ter zitting hebben verklaard dat zij geen uitvoering meer wensen te geven aan de Overeenkomst. Dat Hanab AEB niet in gebreke heeft gesteld, staat aan een ontbinding op grond van artikel 7:756 lid 2 BW niet in de weg omdat dit geen vereiste is. Vorderingen II en III van Hanab worden dan ook toegewezen. Gevolgen ontbinding 5.21. Op grond van artikel 7:756 lid 3 BW bepaalt de rechter de gevolgen van de ontbinding. Dit doet de rechtbank als volgt. Door de ontbinding worden de uit de Overeenkomst (inclusief de nadere afspraken) voortvloeiende verbintenissen beëindigd. Dat betekent dat Hanab geen werkzaamheden meer hoeft te verrichten en AEB niet gehouden is tot nadere betalingen van (termijnen van) de aanneemsom c.q. het meerwerk. De werkzaamheden zijn echter voor een deel uitgevoerd en daarvoor is 50% van de aanneemsom betaald. AEB heeft echter de bankgarantie (ter hoogte van 50% van de aanneemsom) getrokken, waardoor zij feitelijk niets voor de door Hanab uitgevoerde werkzaamheden heeft betaald. Bij deze beoordeling is van belang dat de aard van de door Hanab verrichte prestatie uitsluit dat zij ongedaan gemaakt wordt, zodat Hanab in beginsel recht heeft op een vergoeding ten belope van de waarde van die prestatie op het tijdstip van ontvangst, zoals bepaald in artikel 6:272 lid 1 BW. De rechtbank ziet daarom aanleiding voor een betalingsverplichting aan de zijde van AEB. 5.22. De waarde van de prestatie ten tijde van ontvangst kan niet gelijk gesteld worden met de door Hanab gemaakte kosten voor leveringen/materialen en manuren van € 1.560.060,07. AEB heeft ter zitting verklaard dat het door Hanab gerealiseerde deel van de stoomkoppelleiding is