Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-31
ECLI:NL:RBAMS:2026:3502
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,025 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3502 text/xml public 2026-04-10T10:09:46 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-31 13-337753-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3502 text/html public 2026-04-09T16:36:03 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3502 Rechtbank Amsterdam , 31-03-2026 / 13-337753-25 Overlevering. EAB Polen t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in Polen opgelegde straf. Verweer m.b.t. art. 12 OLW verworpen. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-337753-25 Datum uitspraak: 31 maart 2025 UITSPRAAK op de vordering van van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 oktober 2025 door the Regional Court in Rzeszów , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Rzeszów van 17 september 2024 met kenmerk: II K 1306/22. Volgens het EAB is het vonnis in hoger beroep bevestigd op 21 mei 2025 (III Ka 844/24). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Uit het EAB blijkt dat deze straf nog in het geheel resteert. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde veroordeling in hoger beroep. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. 4.1 Standpunt van de raadsman De raadsman heeft onder verwijzing naar een overgelegde werkgeversverklaring betoogd dat de informatie in het EAB niet klopt. Uit de werkgeversverklaring volgt dat de opgeëiste persoon van 18 maart 2024 tot 1 september 2024 in Nederland heeft gewerkt. De informatie dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij het proces in eerste aanleg – eindigend in het vonnis van 17 september 2024 – kan dus niet kloppen. In het kader van artikel 12 OLW moet het proces in hoger beroep worden getoetst. Omdat de informatie in het EAB over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij het proces in eerste aanleg niet klopt, moet ook de informatie met betrekking tot het proces in hoger beroep worden betwijfeld, zeker omdat de opgeëiste persoon stellig ontkent dat zij aanwezig is geweest bij dat proces. De raadsman heeft betoogd dat de overlevering daarom moet worden geweigerd of dat – subsidiair – nadere informatie moet worden opgevraagd over de procedure in hoger beroep. 4.2 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer niet leidt tot twijfel over de juistheid van de informatie in het EAB. Uit die informatie volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij het proces in hoger beroep. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. 4.3 Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW. Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d): “ Yes, this person appeared in person at the hearing which resulted in the judgement of 17th September 2024 and at the appeal trial which resulted in the appeal judgement in 21st May 2025.” Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet leidt tot twijfel aan de juistheid van deze informatie. Dat de opgeëiste persoon een bepaalde periode in Nederland heeft gewerkt – zoals volgt uit de overgelegde werkgeversverklaring – leidt niet zonder meer tot de conclusie dat zij in die periode niet bij het proces (in eerste aanleg) in Polen aanwezig kan zijn geweest. Het verweer leidt dus ook niet tot twijfel aan de informatie dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces in hoger beroep. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daarvoor onvoldoende. Op basis het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank er - ondanks de ontkenning door de opgeëiste persoon - vanuit dat de door de Poolse autoriteiten overgelegde informatie in het EAB over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon tijdens de zitting in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van 21 mei 2025 klopt. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Het verweer wordt verworpen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de zaak aan te houden voor het opvragen van nadere informatie. 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerwet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rzeszów , Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.