Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:3494
Strafrecht; Materieel strafrecht
Rekestprocedure
3,294 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3494 text/xml public 2026-04-15T16:19:05 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 26-004625 Uitspraak Rekestprocedure NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3494 text/html public 2026-04-15T16:14:22 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3494 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / 26-004625 Beslissing artikel 164, lid 8 WVW 1994, deels gegrond RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam parketnummer : 96-036304-26 raadkamernummer : 26-004625 datum : 11 maart 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. V. Poelmeijer; [adres] , hierna te noemen: klager. Feiten Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd op 31 januari 2026 omstreeks 17:30 uur in Amsterdam. Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in haar adem hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Tijdens de ademanalyse werd een ademalcoholgehalte van 765 µg/l geconstateerd. Op 31 januari 2026 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd. De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van zeven maanden, tot uiterlijk 31 augustus 2026. Procedure Het klaagschrift is op 16 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft klager, haar advocaat, mr. V. Poelmeijer, en de officier van justitie, mr, P. van Laere, op zitting gehoord. Beklag Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Door klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Ik heb er spijt van dat ik onder invloed van alcohol heb gereden. Ik heb mijn rijbewijs nodig voor mijn werk. Ik heb een eigen managementadviesbureau. Ik doe vooral HR en coaching. Hiervoor moet ik klanten in het hele land bezoeken en moet ik snel op locatie kunnen zijn als er iets aan de hand is. Het is niet mogelijk om dit online te doen, omdat klanten mij fysiek willen zien. Het openbaar vervoer is geen reëel alternatief, omdat ik dan heel erg lang onderweg ben. Op dit moment doe ik alles met de taxi, maar dit is erg duur. Het kost mij gemiddeld 200-300 euro per week. Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. In het dossier staat dat er sprake was van een huiselijke twist, maar dat is een misverstand. Klager is mantelzorger voor haar moeder en zij belde haar in paniek op waarna zij niet meer bereikbaar was. Klager heeft in eerste instantie haar zoons benaderd om erheen te gaan, maar dit was niet mogelijk. Vervolgens is klager in een vlaag van verstandsverbijstering toch in de auto gestapt. Klager heeft al sinds 2008 haar rijbewijs en heeft niet eerder onder invloed van alcohol gereden. Zij is schuldbewust en het zal niet meer gebeuren. Klager heeft uitgelegd waarom het openbaar vervoer voor haar werk geen reëel alternatief is. Op dit moment doet zij alles met de taxi. Naast de gederfde inkomsten en de kosten voor de cursus van het CBR is dit financieel niet haalbaar. Op grond van de persoonlijke omstandigheden van klager en het feit dat zij first offender is, ligt een kortere onvoorwaardelijke inhoudingtermijn dan drie maanden die de officier van justitie noemt, in de rede. Het rijbewijs van klager dient daarom met ingang van vandaag aan haar te worden teruggegeven. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs per 30 april 2026. Op dat moment is het rijbewijs van klager drie maanden ingehouden geweest. De officier van justitie heeft aangevoerd dat klager heeft gereden onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol en dat dit gevaarlijk is. Klager heeft haar rijbewijs nodig voor haar werk. Klager heeft een eigen bedrijf en moet hiervoor (tijdig) klanten bezoeken in het hele land. Doordat zij nu veel met taxi moet doen, maakt zij hoge kosten. Gelet op deze persoonlijke omstandigheden van klager en het feit dat zij first offender is, moet er ernstig rekening worden gehouden met feit dat aan klager geen langere onvoorwaardelijke rijontzegging zal worden opgelegd dan voor de duur van drie maanden. Beoordeling De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Op grond van hetgeen in het klaagschrift en bij het onderzoek in raadkamer naar voren is gebracht omtrent de belangen van klager bij het kunnen beschikken over het rijbewijs en het feit dat klager niet eerder is veroordeeld wegens het rijden onder invloed, wordt geoordeeld dat het persoonlijk belang op dit moment niet zo groot is dat dit zwaarder moet wegen dan het belang van voortduring van de inhouding. Dat is wel het geval met ingang van 28 maart 2026. De rechtbank zal dan ook de teruggave van het rijbewijs gelasten met ingang van die dag. De rechtbank zal het klaagschrift (deels) gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs per die datum aan klager moet worden teruggegeven. Dit laat overigens onverlet dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere periode dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag gegrond, voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 28 maart 2026 en gelast met ingang van die datum de teruggave van het rijbewijs met het nummer [rijbewijsnummer] aan klager. Deze beslissing is gegeven door mr. A.A. Spoel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen en voor klager binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3494 text/xml public 2026-04-15T16:19:05 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 26-004625 Uitspraak Rekestprocedure NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3494 text/html public 2026-04-15T16:14:22 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3494 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / 26-004625 Beslissing artikel 164, lid 8 WVW 1994, deels gegrond RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam parketnummer : 96-036304-26 raadkamernummer : 26-004625 datum : 11 maart 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van: [klager] , geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] , woonplaats kiezend op het kantoor van mr. V. Poelmeijer; [adres] , hierna te noemen: klager. Feiten Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd op 31 januari 2026 omstreeks 17:30 uur in Amsterdam. Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in haar adem hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Tijdens de ademanalyse werd een ademalcoholgehalte van 765 µg/l geconstateerd. Op 31 januari 2026 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd. De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van zeven maanden, tot uiterlijk 31 augustus 2026. Procedure Het klaagschrift is op 16 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft klager, haar advocaat, mr. V. Poelmeijer, en de officier van justitie, mr, P. van Laere, op zitting gehoord. Beklag Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Door klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Ik heb er spijt van dat ik onder invloed van alcohol heb gereden. Ik heb mijn rijbewijs nodig voor mijn werk. Ik heb een eigen managementadviesbureau. Ik doe vooral HR en coaching. Hiervoor moet ik klanten in het hele land bezoeken en moet ik snel op locatie kunnen zijn als er iets aan de hand is. Het is niet mogelijk om dit online te doen, omdat klanten mij fysiek willen zien. Het openbaar vervoer is geen reëel alternatief, omdat ik dan heel erg lang onderweg ben. Op dit moment doe ik alles met de taxi, maar dit is erg duur. Het kost mij gemiddeld 200-300 euro per week. Namens klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. In het dossier staat dat er sprake was van een huiselijke twist, maar dat is een misverstand. Klager is mantelzorger voor haar moeder en zij belde haar in paniek op waarna zij niet meer bereikbaar was. Klager heeft in eerste instantie haar zoons benaderd om erheen te gaan, maar dit was niet mogelijk. Vervolgens is klager in een vlaag van verstandsverbijstering toch in de auto gestapt. Klager heeft al sinds 2008 haar rijbewijs en heeft niet eerder onder invloed van alcohol gereden. Zij is schuldbewust en het zal niet meer gebeuren. Klager heeft uitgelegd waarom het openbaar vervoer voor haar werk geen reëel alternatief is. Op dit moment doet zij alles met de taxi. Naast de gederfde inkomsten en de kosten voor de cursus van het CBR is dit financieel niet haalbaar. Op grond van de persoonlijke omstandigheden van klager en het feit dat zij first offender is, ligt een kortere onvoorwaardelijke inhoudingtermijn dan drie maanden die de officier van justitie noemt, in de rede. Het rijbewijs van klager dient daarom met ingang van vandaag aan haar te worden teruggegeven. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs per 30 april 2026. Op dat moment is het rijbewijs van klager drie maanden ingehouden geweest. De officier van justitie heeft aangevoerd dat klager heeft gereden onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol en dat dit gevaarlijk is. Klager heeft haar rijbewijs nodig voor haar werk. Klager heeft een eigen bedrijf en moet hiervoor (tijdig) klanten bezoeken in het hele land. Doordat zij nu veel met taxi moet doen, maakt zij hoge kosten. Gelet op deze persoonlijke omstandigheden van klager en het feit dat zij first offender is, moet er ernstig rekening worden gehouden met feit dat aan klager geen langere onvoorwaardelijke rijontzegging zal worden opgelegd dan voor de duur van drie maanden. Beoordeling De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Op grond van hetgeen in het klaagschrift en bij het onderzoek in raadkamer naar voren is gebracht omtrent de belangen van klager bij het kunnen beschikken over het rijbewijs en het feit dat klager niet eerder is veroordeeld wegens het rijden onder invloed, wordt geoordeeld dat het persoonlijk belang op dit moment niet zo groot is dat dit zwaarder moet wegen dan het belang van voortduring van de inhouding. Dat is wel het geval met ingang van 28 maart 2026. De rechtbank zal dan ook de teruggave van het rijbewijs gelasten met ingang van die dag. De rechtbank zal het klaagschrift (deels) gegrond verklaren en bevelen dat het rijbewijs per die datum aan klager moet worden teruggegeven. Dit laat overigens onverlet dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere periode dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag gegrond, voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 28 maart 2026 en gelast met ingang van die datum de teruggave van het rijbewijs met het nummer [rijbewijsnummer] aan klager. Deze beslissing is gegeven door mr. A.A. Spoel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen en voor klager binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.