Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:3485
Strafrecht; Materieel strafrecht
Rekestprocedure
4,041 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3485 text/xml public 2026-04-15T16:02:04 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 25-033634 Uitspraak Rekestprocedure NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3485 text/html public 2026-04-15T14:59:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3485 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / 25-033634 Beslissing artikel 7 Wet DNA, ongegrond RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam parketnummer: 13-162377-24 raadkamernummer: 25-033634 datum: 11 maart 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van: [veroordeelde] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H.W. van Eeuwijk; [adres] , hierna te noemen: veroordeelde. Procedure Het bezwaarschrift is op 30 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld. De rechtbank heeft veroordeelde, haar advocaat, mr. H.W. van Eeuwijk, en de officier van justitie, mr. V.C.E. de Jong, in raadkamer gehoord. Bezwaar Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde. Veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Door veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Het misdrijf is digitaal gepleegd en ik ben niet van plan om iets fysieks te doen. Ik vind het geen fijn idee dat mijn DNA-profiel wordt bewaard in de databank. Namens veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Cliënte is veroordeeld voor het openbaar maken van één foto van seksuele aard. Deze foto heeft zij digitaal toegestuurd gekregen. Nu het feit zich geheel digitaal heeft voltrokken is het gelet op de aard van het misdrijf niet redelijkerwijs aannemelijk dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van cliënte van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten begaan door cliënte. Daarnaast is cliënte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en is zij na het misdrijf ook niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Tot slot maakt het bepalen en het verwerken van het DNA-profiel van cliënte een grote inbreuk haar lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM). Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Beoordeling Bij vonnis van 12 augustus 2025 is veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van: openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn (artikel 139h Sr oud). De rechtbank is bevoegd. Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, was opgenomen in de opsomming van artikel 67, eerste lid, onder b, Sv en dat daarmee aan dit vereiste is voldaan. De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor het openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn. Hoewel het misdrijf door veroordeelde digitaal is gepleegd en bij de opsporing geen gebruik is gemaakt van DNA-onderzoek, kan hiermee niet worden gesteld dat voor het oplossen van dergelijke feiten in zijn algemeenheid DNA-onderzoek niet van belang kan zijn nu bij elk delict waarbij stoffelijke objecten worden gebruikt, zoals in dit geval het versturen van de foto met een gegevensdrager, DNA-bewijs aan de orde kan zijn. De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens een misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626). Hetgeen door en namens veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Niet kan niet worden gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Door de rechtbank is een forse taakstraf opgelegd voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Derhalve kan niet worden gesproken van een gering recidivegevaar. Hoewel met de afname van het celmateriaal van veroordeelde een inbreuk op haar recht op privacy (artikel 8 EVRM) wordt gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat deze inbreuk geoorloofd is omdat aan alle wettelijke criteria voor het maken van een inbreuk op dit recht is voldaan. Van bijzondere omstandigheden die dat in onderhavige zaak anders zouden maken is, naar het oordeel van de rechtbank, niet gebleken. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. A.A. Spoel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3485 text/xml public 2026-04-15T16:02:04 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 25-033634 Uitspraak Rekestprocedure NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3485 text/html public 2026-04-15T14:59:50 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3485 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / 25-033634 Beslissing artikel 7 Wet DNA, ongegrond RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam parketnummer: 13-162377-24 raadkamernummer: 25-033634 datum: 11 maart 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van: [veroordeelde] , geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H.W. van Eeuwijk; [adres] , hierna te noemen: veroordeelde. Procedure Het bezwaarschrift is op 30 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld. De rechtbank heeft veroordeelde, haar advocaat, mr. H.W. van Eeuwijk, en de officier van justitie, mr. V.C.E. de Jong, in raadkamer gehoord. Bezwaar Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde. Veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Door veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Het misdrijf is digitaal gepleegd en ik ben niet van plan om iets fysieks te doen. Ik vind het geen fijn idee dat mijn DNA-profiel wordt bewaard in de databank. Namens veroordeelde is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Cliënte is veroordeeld voor het openbaar maken van één foto van seksuele aard. Deze foto heeft zij digitaal toegestuurd gekregen. Nu het feit zich geheel digitaal heeft voltrokken is het gelet op de aard van het misdrijf niet redelijkerwijs aannemelijk dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van cliënte van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten begaan door cliënte. Daarnaast is cliënte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en is zij na het misdrijf ook niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. Tot slot maakt het bepalen en het verwerken van het DNA-profiel van cliënte een grote inbreuk haar lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM). Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Beoordeling Bij vonnis van 12 augustus 2025 is veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van: openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn (artikel 139h Sr oud). De rechtbank is bevoegd. Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. Veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, was opgenomen in de opsomming van artikel 67, eerste lid, onder b, Sv en dat daarmee aan dit vereiste is voldaan. De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor het openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn. Hoewel het misdrijf door veroordeelde digitaal is gepleegd en bij de opsporing geen gebruik is gemaakt van DNA-onderzoek, kan hiermee niet worden gesteld dat voor het oplossen van dergelijke feiten in zijn algemeenheid DNA-onderzoek niet van belang kan zijn nu bij elk delict waarbij stoffelijke objecten worden gebruikt, zoals in dit geval het versturen van de foto met een gegevensdrager, DNA-bewijs aan de orde kan zijn. De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen met de persoon van veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens een misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626). Hetgeen door en namens veroordeelde is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Niet kan niet worden gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Door de rechtbank is een forse taakstraf opgelegd voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Derhalve kan niet worden gesproken van een gering recidivegevaar. Hoewel met de afname van het celmateriaal van veroordeelde een inbreuk op haar recht op privacy (artikel 8 EVRM) wordt gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat deze inbreuk geoorloofd is omdat aan alle wettelijke criteria voor het maken van een inbreuk op dit recht is voldaan. Van bijzondere omstandigheden die dat in onderhavige zaak anders zouden maken is, naar het oordeel van de rechtbank, niet gebleken. Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. A.A. Spoel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026. Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.