Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-04-13
ECLI:NL:RBAMS:2026:3454
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2989 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. K. Kromhout), en de korpschef van politie, verweerder (gemachtigde: mr. K. van Bindsbergen). Procesverloop 1.1. In de e-mails van 25 oktober 2024 en 26 november 2024 heeft verweerder eiseres gewezen op haar terugbetalingsverplichting in verband met toegekende studiefaciliteiten voor de opleiding integrale veiligheidskunde. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.2. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 1. 1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 2.1. Op 17 juli 2020 heeft eiseres een aanvraag studiefaciliteiten gedaan voor de opleiding Integrale Veiligheidskunde. Met een besluit van 10 augustus 2020 heeft verweerder de studiefaciliteiten toegekend. Eiseres heeft de opleiding voltooid. 2. 2.2. In oktober 2024 heeft eiseres formeel ontslag ingediend. Op 25 oktober 2024 heeft de HR-administratie van verweerder eiseres per e-mail meegedeeld dat als gevolg van het ontslag er een terugbetalingsverplichting bestaat van € 3.661,16. Op verzoek van eiseres is per e-mail van 26 november 2024 de ontslagdatum aangepast naar 1 januari 2025 en is de terugbetalingsverplichting vastgesteld op € 3.054,02. 2.3. Met een besluit van 28 november 2024 heeft verweerder besloten om eiseres per1 januari 2025 eervol ontslag te verlenen. 2.4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat aan de vereisten van artikel 67, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie Politie (Barp) en artikel 10, eerste lid, onder a, van de Regeling Studiefaciliteiten Politie (de Regeling), is voldaan. 2.5. Eiseres voert aan dat artikel 67, derde lid, van het Barp voorschrijft dat de terugbetalingsverplichting schriftelijk moet zijn vastgelegd. Schriftelijk wil zeggen op papier en niet digitaal. Er is volgens eiseres niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste want er was sprake van een elektronisch formulier. Ook is volgens eiseres onvoldoende toelichting gegeven met betrekking tot de terugbetalingsverplichting bij uitdiensttreding. In het elektronisch formulier is geen volledige verwijzing naar artikel 67 van het Barp en artikel 11 van de Regeling opgenomen. Niet zonder voorbehoud en concreet is aangegeven dat, en voor welk deel van de studiekosten, eiseres rekening moest houden bij een mogelijke terugvordering. Overwegingen 3. De voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat het schriftelijkheidsvereiste in artikel 67, derde lid, van het Barp – anders dan eiseres aanvoert – niet zo gelezen moet worden dat de verklaring bekend te zijn met de mogelijkheid van terugvordering, alleen op papier getekend kan worden. Dit wordt bevestigd door de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met de Wet elektronisch bestuurlijk verkeer. Hieruit volgt dat de wetgever gekozen heeft voor een ruime, dynamische uitleg van het begrip “schriftelijk”. Een schriftelijk stuk in de zin van deze wet kan op papier staan, maar ook een elektronisch document zijn. 4.2. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder eiseres voldoende heeft geïnformeerd over de terugbetalingsverplichting. In de aanvraag van 17 juli 2020 staat: “Door het indienen van deze aanvraag verklaar ik dat ik bekend ben met de terugbetalingsverplichting op grond van artikel 67 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 11 van de Regeling studiefaciliteiten politie.”. Eiseres heeft op het aanvraagformulier aangegeven dat