Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-24
ECLI:NL:RBAMS:2026:3427
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,131 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3427 text/xml public 2026-04-09T14:49:50 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-24 11154722 \ CV EXPL 24-7179 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3427 text/html public 2026-04-09T10:43:20 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3427 Rechtbank Amsterdam , 24-03-2026 / 11154722 \ CV EXPL 24-7179 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Voldoende toelichting en onderbouwing gegeven dat sprake is van een zakelijke overeenkomst, zodat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde is. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11154722 \ CV EXPL 24-7179 Vonnis van 24 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 30 december 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld, kort gezegd, zich uit te laten over de hoedanigheid waarin gedaagde partij de overeenkomst heeft gesloten. 2.2. Eisende partij heeft bij akte primair het standpunt ingenomen dat partijen een zakelijke overeenkomst hebben gesloten. 2.3. In het tussenvonnis is al overwogen dat voor de beoordeling van belang is met welk doel de overeenkomst is aangegaan, wat met name moet worden afgeleid uit de aard van de goederen of diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft (Costea-arrest, ECLI:EU:C:2015:538). 2.4. De door gedaagde partij bij eisende partij bestelde en te installeren goederen waren niet bestemd gedaagde partij in privé, maar voor een klant ten behoeve van een project in [locatie] (niet zijnde het woon- of bedrijfsadres van gedaagde partij). De aard van de goederen en diensten waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft pasten in de bedrijfsactiviteiten die gedaagde partij uitvoerde. Ondanks dat uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat de eenmanszaak van gedaagde partij kort voor het sluiten van de overeenkomst is opgeheven, maakt die omstandigheid op zichzelf niet dat gedaagde partij om die reden als consument moet worden aangemerkt, gelet op de bedrijfsactiviteiten die gedaagde partij op duurzame en gestructureerde wijze uitvoerde. 2.5. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de overeenkomst tussen partijen een zakelijk karakter heeft, zodat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde is. 2.6. De kantonrechter wijst eisende partij erop dat (in het vervolg) de bij tussenvonnis gevraagde toelichting en onderbouwing over de hoedanigheid van de gedaagde partij onderdeel dient uit te maken van de dagvaarding. 2.7. Met inachtneming van het voorgaande komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor. 2.8. Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 113,54 - griffierecht € 524,00 - salaris gemachtigde € 360,00 (1 punt × € 360,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.141,54 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van: - € 6.223,03 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2024 tot de dag van volledige betaling, - € 325,71 aan vervallen wettelijke rente tot 22 mei 2024, 3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 686,15 aan buitengerechtelijke kosten, 3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.141,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026. 991