Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-17
ECLI:NL:RBAMS:2026:3423
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,296 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3423 text/xml public 2026-04-09T14:47:49 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-17 12007675 \ CV EXPL 25-17085 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3423 text/html public 2026-04-09T14:46:29 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3423 Rechtbank Amsterdam , 17-03-2026 / 12007675 \ CV EXPL 25-17085 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Bedingen buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten oneerlijk. Uitleg over doel van Richtlijn 93/13 EG. NAPTA. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12007675 \ CV EXPL 25-17085 Vonnis van 17 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MIJN BLOKJE OSDORP B.V. , gevestigd te Amsterdam, eisende partij, hierna te noemen: Mijn Blokje Osdorp , gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 20 januari 2026, - de akte van Mijn Blokje Osdorp . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Bij voornoemd tussenvonnis is Mijn Blokje Osdorp in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van het buiten toepassing laten van de bedingen in de algemene voorwaarden over buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten, die door de kantonrechter als oneerlijk zijn aangemerkt. 2.2. Mijn Blokje Osdorp heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat de Hoge Raad in zijn arrest van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820) niet heeft beslist dat de proceskosten moeten worden afgewezen. Die vraag is gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Bovendien blijkt uit de conclusie van de plv. P-G dat de terugvalrechtspraak van het HvJ EU niet in de weg staat aan aansprakelijkheid op een buitencontractuele grondslag, zoals artikel 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten refereert Mijn Blokje Osdorp zich aan het oordeel van de kantonrechter. 2.3. De kantonrechter is bekend met de door Mijn Blokje Osdorp aangehaalde jurisprudentie en annotaties. Die geven op dit moment echter onvoldoende aanleiding om af te wijken van het geldende EU-recht, zoals tot op heden uitgelegd door het HvJ EU. Pas na beantwoording door het HvJ EU van de door de Hoge Raad gestelde vraag kan daar, afhankelijk van de uitkomst, verandering in komen. Tot die tijd wordt de gevorderde proceskostenveroordeling, naar vast beleid van deze rechtbank, in consumentenzaken afgewezen als sprake is van een oneerlijk proceskostenbeding. 2.4. Daarbij is in overweging genomen dat het HvJ EU herhaaldelijk heeft beslist dat niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die door dergelijk gedrag worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (NAPTA) beginsel). Het doel van Richtlijn 93/13 EG is oneerlijke bedingen uit overeenkomsten met consumenten te laten verdwijnen en eerlijke concurrentie tussen handelaren te bevorderen. Om dat doel te bereiken dienen sancties onder meer afschrikkend te zijn. Verwacht wordt dat daardoor de handelaar wordt aangezet zijn onjuiste werkwijze, opzettelijk of onopzettelijk gehanteerd, aan te passen. Toewijzing van proceskosten uit hoofde van de wet, terwijl Mijn Blokje Osdorp een oneerlijk proceskostenbeding hanteert, zou hieraan ernstig afbreuk doen en geen enkele prikkel vormen om het oneerlijke beding uit de voorwaarden te verwijderen. 2.5. Nu Mijn Blokje Osdorp niet om aanhouding van de beslissing heeft verzocht, wordt in navolging van overwegingen 2.10 en 2.11 van het tussenvonnis beslist op basis van het geldende beleid. Dat leidt tot afwijzing van de gevorderde proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde] . 2.6. Nu Mijn Blokje Osdorp zich ten aanzien van het beding over de buitengerechtelijke kosten heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter, blijft het beding buiten toepassing. Gevolg hiervan is dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. 2.7. Het voorgaande leidt tot toewijzing van uitsluitend de gevorderde hoofdsom van € 6.978,67 en de rente zoals hierna in de beslissing vermeld. 2.8. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Mijn Blokje Osdorp van: - € 6.978,67 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 november 2025 tot de dag van de voldoening, - € 265,35 aan vervallen rente tot 25 november 2025, 3.2. verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 3.3. wijst het meer of anders gevorderde af, waaronder de proceskostenveroordeling ten laste van [gedaagde] . Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026. 991