Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-02
ECLI:NL:RBAMS:2026:3391
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,317 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3391 text/xml public 2026-04-14T08:23:50 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 12118587 CV EXPL 26-2853 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3391 text/html public 2026-04-14T08:23:27 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3391 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 12118587 CV EXPL 26-2853 Huurzaak woonruimte. Ambtshalve toetsing. Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12118587 CV EXPL 26-2853 vonnis van: 2 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de stichting Stichting Duwo gevestigd te Delft eisende partij gemachtigde: [gemachtigde] t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Huurvoorwaarden in het geding gebracht. 5. Het huurprijsbeding (artikel 3.1 van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 3.2 en 3.3 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De kantonrechter heeft de bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 7.1, eerste zin (huurverhoging), 7.5 (wijziging servicekostenvoorschot), 7.11 (rente) van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Huurvoorwaarden september 2014 getoetst en niet oneerlijk bevonden. 7. Voor zover de in de vordering begrepen voorschotverhogingen niet al waren gebaseerd op de hiervoor bedoelde artikelen 7.1. en 7.5, maar (mede) op artikel 7.2 van de hiervoor genoemde Huurvoorwaarden, zoals eiseres stelt, is ook dat artikel getoetst en niet oneerlijk bevonden. 8. Tot slot is met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten in artikel 7.12 het volgende bepaald: “Als huurder na aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, is verhuurder gerechtigd incassokosten in rekening te brengen overeenkomstig het tarief opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.” | 9. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat het voorgenoemde beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten niet onredelijk bezwarend is. 10. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit beding oneerlijk is, aangezien daarin niet is bepaald dat de aanmaning moet voldoen aan artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het beding wijkt daardoor ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten. Op basis van dit beding kan immers op een kortere termijn dan veertien dagen na aanmaning incassokosten in rekening worden gebracht. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.4) oneerlijk. Dit beding wordt dan ook buiten toepassing gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. De vordering 11. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente, de ontruimingstermijn en het griffierecht nog is overwogen. 11. De over de rente gevorderde rente wordt afgewezen omdat daarover onvoldoende is gesteld. 13. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. 14. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) staande en gelegen aan het adres [adres] ; veroordeelt gedaagde partij om het gehuurde binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: a) € 2.412,50 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 28 februari 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf 18 februari 2026 tot de voldoening; b) € 8,54 aan wettelijke rente, berekend tot 18 februari 2026; c) € 600,13 per maand vanaf 1 maart 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 397,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3391 text/xml public 2026-04-14T08:23:50 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-02 12118587 CV EXPL 26-2853 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3391 text/html public 2026-04-14T08:23:27 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3391 Rechtbank Amsterdam , 02-04-2026 / 12118587 CV EXPL 26-2853 Huurzaak woonruimte. Ambtshalve toetsing. Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12118587 CV EXPL 26-2853 vonnis van: 2 april 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de stichting Stichting Duwo gevestigd te Delft eisende partij gemachtigde: [gemachtigde] t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de zelfstandige woonruimte aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Huurvoorwaarden in het geding gebracht. 5. Het huurprijsbeding (artikel 3.1 van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 3.2 en 3.3 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De kantonrechter heeft de bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 7.1, eerste zin (huurverhoging), 7.5 (wijziging servicekostenvoorschot), 7.11 (rente) van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Huurvoorwaarden september 2014 getoetst en niet oneerlijk bevonden. 7. Voor zover de in de vordering begrepen voorschotverhogingen niet al waren gebaseerd op de hiervoor bedoelde artikelen 7.1. en 7.5, maar (mede) op artikel 7.2 van de hiervoor genoemde Huurvoorwaarden, zoals eiseres stelt, is ook dat artikel getoetst en niet oneerlijk bevonden. 8. Tot slot is met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten in artikel 7.12 het volgende bepaald: “Als huurder na aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, is verhuurder gerechtigd incassokosten in rekening te brengen overeenkomstig het tarief opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.” | 9. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat het voorgenoemde beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten niet onredelijk bezwarend is. 10. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit beding oneerlijk is, aangezien daarin niet is bepaald dat de aanmaning moet voldoen aan artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het beding wijkt daardoor ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke kosten. Op basis van dit beding kan immers op een kortere termijn dan veertien dagen na aanmaning incassokosten in rekening worden gebracht. Contractuele afwijking van dwingendrechtelijke bepalingen is, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:198, r.o. 3.8.4) oneerlijk. Dit beding wordt dan ook buiten toepassing gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. De vordering 11. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente, de ontruimingstermijn en het griffierecht nog is overwogen. 11. De over de rente gevorderde rente wordt afgewezen omdat daarover onvoldoende is gesteld. 13. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. 14. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de zelfstandige woonruimte) staande en gelegen aan het adres [adres] ; veroordeelt gedaagde partij om het gehuurde binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ter beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: a) € 2.412,50 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 28 februari 2026, vermeerderd met de wettelijke rente over het voorgenoemde bedrag vanaf 18 februari 2026 tot de voldoening; b) € 8,54 aan wettelijke rente, berekend tot 18 februari 2026; c) € 600,13 per maand vanaf 1 maart 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 397,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.