Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:3387
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,275 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3387 text/xml public 2026-04-14T08:15:50 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 12070399 CV EXPL 26-1002 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3387 text/html public 2026-04-14T08:15:09 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3387 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 12070399 CV EXPL 26-1002 Huurzaak woonruimte. Ambtshalve toetsing. Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12070399 CV EXPL 26-1002 vonnis van: 26 maart 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap Tijdelijk Wonen Amsterdam B.V. statutair gevestigd te Amsterdam eisende partij gemachtigde: mr. [gemachtigde] (IP Nederland Incasso & Juristen) t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de onzelfstandige woonruimte gelegen aan het adres [adres] in het geding gebracht. 5. Het huurprijsbeding (artikel 4, eerste zin, van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 5 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De bedingen in de huurovereenkomst die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikel 4, tweede zin, (huurprijswijziging) en artikel 6 lid 1, laatste zin, (wijziging voorschot servicekosten) zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 7. Ook het artikel 7 lid 2 van de huurovereenkomst is getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 7 lid 2 Bij het uitblijven van betaling of niet tijdige betaling van de door huurder verschuldigde bedragen is huurder een rente verschuldigd aan verhuurder van 1% per maand. Tevens is huurder de incassokosten (…..) verschuldigd, met dien verstande dat incassokosten 15% van de vordering zullen bedragen met een minimum van € 50,- ex. BTW. 8. Het hiervoor geciteerde artikel bestaat uit een rente - en een buitengerechtelijke incassokosten beding. 9. Ten aanzien van de in artikel 7 lid 2 genoemde rente geldt dat deze afgesproken rente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk. 10. Het in artikel 7 lid 2 opgenomen beding over buitengerechtelijke incassokosten is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. 11. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van de op de vordering zijnde toepasselijke bedingen een standpunt moeten innemen. Nu eisende partij dit voorgaande niet heeft gedaan zal zij daartoe niet meer in de gelegenheid voor worden gesteld. 12. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 7 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden afgewezen. De vordering 13. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn en het griffierecht is overwogen. 14. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. 15. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de onzelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres] ; veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: a. a) € 4.533,56 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 december 2025; b) € 546,49 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 288,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3387 text/xml public 2026-04-14T08:15:50 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-26 12070399 CV EXPL 26-1002 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Verstek NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3387 text/html public 2026-04-14T08:15:09 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3387 Rechtbank Amsterdam , 26-03-2026 / 12070399 CV EXPL 26-1002 Huurzaak woonruimte. Ambtshalve toetsing. Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen). vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12070399 CV EXPL 26-1002 vonnis van: 26 maart 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap Tijdelijk Wonen Amsterdam B.V. statutair gevestigd te Amsterdam eisende partij gemachtigde: mr. [gemachtigde] (IP Nederland Incasso & Juristen) t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de onzelfstandige woonruimte gelegen aan het adres [adres] in het geding gebracht. 5. Het huurprijsbeding (artikel 4, eerste zin, van de huurovereenkomst) en het servicekostenbeding (artikel 5 van de huurovereenkomst) zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en zijn op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. Het betreft een niet-geliberaliseerde huurprijs. De bedingen in de huurovereenkomst die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikel 4, tweede zin, (huurprijswijziging) en artikel 6 lid 1, laatste zin, (wijziging voorschot servicekosten) zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 7. Ook het artikel 7 lid 2 van de huurovereenkomst is getoetst. Dit artikel luidt als volgt: 7 lid 2 Bij het uitblijven van betaling of niet tijdige betaling van de door huurder verschuldigde bedragen is huurder een rente verschuldigd aan verhuurder van 1% per maand. Tevens is huurder de incassokosten (…..) verschuldigd, met dien verstande dat incassokosten 15% van de vordering zullen bedragen met een minimum van € 50,- ex. BTW. 8. Het hiervoor geciteerde artikel bestaat uit een rente - en een buitengerechtelijke incassokosten beding. 9. Ten aanzien van de in artikel 7 lid 2 genoemde rente geldt dat deze afgesproken rente aanzienlijk hoger is dan de wettelijke rente. Het rentebeding is daarom oneerlijk. 10. Het in artikel 7 lid 2 opgenomen beding over buitengerechtelijke incassokosten is oneerlijk, omdat daarin niet (voldoende duidelijk) staat dat de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten) in het geval van een consument moet worden toegepast. Dit kan ertoe leiden dat hogere kosten voor rekening van de consument komen dan wettelijk is toegestaan. 11. Eisende partij had in de dagvaarding omtrent de (on)eerlijkheid van de op de vordering zijnde toepasselijke bedingen een standpunt moeten innemen. Nu eisende partij dit voorgaande niet heeft gedaan zal zij daartoe niet meer in de gelegenheid voor worden gesteld. 12. Het voorgaande betekent dat het onder r.o. 7 geciteerde beding buiten toepassing wordt gelaten en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en rente worden afgewezen. De vordering 13. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de ontruimingstermijn en het griffierecht is overwogen. 14. De ontruimingstermijn wordt gesteld op twee weken. 15. Gelet op het feit dat een deel van de vordering is afgewezen wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van griffierecht corresponderende met het toegewezen deel van het gevorderde. Het (eventueel) meer betaalde aan griffierecht blijft voor rekening van eisende partij. BESLISSING De kantonrechter: ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak (de onzelfstandige woonruimte) gelegen aan het adres [adres] ; veroordeelt gedaagde partij om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege gedaagde partij bevindt, binnen twee weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. jo. 444 Rv bepaalde; veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij: a. a) € 4.533,56 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 31 december 2025; b) € 546,49 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden; veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 288,00 aan salaris gemachtigde, € 529,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis; verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.