Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-05
ECLI:NL:RBAMS:2026:3386
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,130 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3386 text/xml public 2026-04-14T08:12:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-05 775212 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3386 text/html public 2026-04-14T08:09:14 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3386 Rechtbank Amsterdam , 05-03-2026 / 775212 erfrecht, verzoek legitimaris tot benoeming van een vereffenaar, mogelijk negatief saldo van de nalatenschap, de rechtbank stelt verweerders eerst in de gelegenheid om nadere stukken te overleggen alvorens te beoordelen of verzoeker nog voldoende belang heeft bij de benoeming van een vereffenaar RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/775212 / HA RK 25-301 Beschikking van 5 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. F.C. Schirmeister, tegen 1 [verweerster 1] , wonende te [woonplaats 2] , 2. [verweerder 2] , wonende te [woonplaats 2] , 3. [verweerster 2] , wonende te [woonplaats 2] , verwerende partijen, hierna gezamenlijk samen te noemen [verweerders] en voor zover afzonderlijk bedoeld [verweerster 1] , [verweerder 2] en [verweerster 2] , advocaat: mr. L.M.M. Loerakker. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, - het verweerschrift met producties, - de tussenbeschikking van 30 oktober 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkorte proces-verbaal van de op 20 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling met de daarin genoemde stukken. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. In 2017 heeft [erflater] , wijlen de broer van [verweerders] en wijlen de echtgenoot van [verzoekster] (hierna te noemen: erflater), van VORM Beheer B.V. (hierna: VORM) een appartementsrecht gekocht dat zag op het nog te bouwen appartement aan de [adres] (hierna: het appartement). De koopsom bedroeg € 550.000,-, te betalen in termijnen. 2.2. De moeder van erflater en [verweerders] is in 2018 overleden. 2.3. [verzoekster] is op 15 april 2019 met erflater getrouwd. 2.4. Omdat het appartement nog steeds in aanbouw was woonde [verzoekster] met erflater bij de familie van erflater en [verweerders] 2.5. De ouders van erflater en [verweerders] waren ondernemers en exploiteerden meerdere tandartspraktijken. De onderneming bestaat uit een holdingvennootschap ( [bedrijf] B.V.) met daaronder drie dochtervennootschappen waarin de tandartspraktijken zijn ondergebracht. De moeder van erflater en [verweerders] was tandarts. [verzoekster] werkte in de praktijken als tandartsassistente. 2.6. Erflater heeft op 29 maart 2021 een testament laten opstellen waarbij hij tot zijn enige erfgenamen [verweerders] (in gelijke delen) heeft benoemd. Aan [verzoekster] is bij testament een legaat toegekend. Als executeur testamentair is benoemd [verweerster 1] . Het testament luidt ten aanzien van het legaat als volgt: “Ik legateer aan mijn echtgenote, [verzoekster] , een bedrag groot honderd vijfenzeventig duizend euro (€ 175.000,-), welk legaat eerst opeisbaar is bij verkoop en levering van het door mij verkregen, (thans nog in aanbouw zijnde) appartement.” 2.7. Op 18 juli 2021 is erflater overleden. 2.8. Op 14 september 2021 heeft [verweerster 1] haar benoeming tot executeur aanvaard. 2.9. Bij akte van 14 september 2021 is de nalatenschap van erflater door [verweerders] beneficiair aanvaard. 2.10. Na het overlijden van erflater heeft [verzoekster] nog ongeveer drie jaar bij haar schoonfamilie ingewoond. 2.11. Het appartement dat erflater had gekocht is op enig moment opgeleverd. [verweerster 2] heeft het appartement gekocht. Het appartement is op 28 november 2023 aan haar geleverd. 2.12. Op 10 juli 2025 heeft [verzoekster] , via een brief van haar advocaat aan [verweerster 1] , kenbaar gemaakt dat zij aanspraak maakt op het haar toegekende legaat en de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025. 2.13. Het appartement is bij taxatierapport opgesteld door MW Makelaardij B.V. van 15 september 2022 getaxeerd op een marktwaarde van € 715.000,- per 7 september 2022. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking: I. voor recht te verklaren dat de executele is geëindigd als gevolg van de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door de erven; II. de executeur te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording van het door haar gevoerde beheer; III. voor recht te verklaren dat de wettelijke verdeling in het testament van erflater niet is uitgesloten; IV. (oud notaris) mr. Bart van der Wilt te benoemen tot vereffenaar; V. de hoofdelijke veroordeling van de executeur [verweerders] in de kosten van de procedure, te betalen binnen 14 dagen te vermeerderen met wettelijke rente nadien. 3.2. Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft recht en belang bij het benoemen van een vereffenaar nu voor haar onvoldoende duidelijk is dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Er is nog niet op een professionele manier vereffend. De genoemde baten/schulden zijn onvoldoende onderbouwd en voor haar is niet inzichtelijk gemaakt hoe de schuldeisers zijn voldaan. Er is geen uitdelingslijst overgelegd. Ook is niet inzichtelijk hoe [verweerster 2] , die het appartement heeft gekocht, het appartement heeft gefinancierd en hoe met de opbrengst de schulden van de nalatenschap zijn afgelost. 3.3. [verweerders] menen dat alle verzoeken moeten worden afgewezen. Ten aanzien van het verzoek tot het benoemen van een vereffenaar voeren zij aan dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij haar verzoek. Het saldo van de nalatenschap is negatief. Aan [verzoekster] is daarom meegedeeld dat het legaat niet uitgekeerd kan worden en dat het legaat wordt verminderd tot nihil. Het benoemen van een vereffenaar brengt grote kosten met zich mee en gezien het negatieve saldo zal het benoemen van een vereffenaar er niet toe leiden dat [verzoekster] haar legaat alsnog (deels) uitbetaald krijgt. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ten aanzien van het onder 3.1 sub I gevorderde 4.1. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster 1] inmiddels geen executeur meer is nu de nalatenschap beneficiair is aanvaard door [verweerders] en er geen verklaring is afgelegd dat de baten de schulden overstijgen. Bij deze stand van zaken heeft [verzoekster] onvoldoende afzonderlijk belang bij een toewijzing van het onder sub I. verzochte. De vordering 3.1 sub II 4.2. Nu [verzoekster] geen erfgenaam is maar legataris, is zij een schuldeiser van de nalatenschap. [verweerders] zijn de erfgenamen. Een executeur is jegens erfgenamen gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording, zo bepaalt artikel 4:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Nu [verzoekster] geen erfgenaam is, kan zij jegens de executeur geen aanspraak maken op het afleggen van rekening en verantwoording. Voor dit verzoek heeft [verzoekster] ook geen (andere) wettelijke grondslag genoemd. Ook het op dit punt verzochte zal worden afgewezen. De vordering 3.1 sub III 4.3. [verzoekster] heeft deze vordering tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken en uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij geen aanspraak maakt op de wettelijke verdeling. Deze vordering behoeft daarmee geen bespreking meer. De rechtbank gaat ervan uit dat uitsluitend [verweerders] de erfgenamen zijn (voor gelijke delen) in de nalatenschap van erflater. De vordering 3.1 sub IV 4.4. Wel staat tussen partijen ter discussie of [verzoekster] recht heeft op, en nog voldoende belang heeft bij het benoemen van een vereffenaar. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat het in dit geval om een beneficiair aanvaarde nalatenschap gaat en dat er geen zogenaamde ruimschoots verklaring is afgegeven. De nalatenschap zal daarom moeten worden vereffend. De gezamenlijk erfgenamen, [verweerders] , zijn dan in beginsel gezamenlijk de vereffenaars.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3386 text/xml public 2026-04-14T08:12:20 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-05 775212 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3386 text/html public 2026-04-14T08:09:14 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3386 Rechtbank Amsterdam , 05-03-2026 / 775212 erfrecht, verzoek legitimaris tot benoeming van een vereffenaar, mogelijk negatief saldo van de nalatenschap, de rechtbank stelt verweerders eerst in de gelegenheid om nadere stukken te overleggen alvorens te beoordelen of verzoeker nog voldoende belang heeft bij de benoeming van een vereffenaar RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/775212 / HA RK 25-301 Beschikking van 5 maart 2026 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. F.C. Schirmeister, tegen 1 [verweerster 1] , wonende te [woonplaats 2] , 2. [verweerder 2] , wonende te [woonplaats 2] , 3. [verweerster 2] , wonende te [woonplaats 2] , verwerende partijen, hierna gezamenlijk samen te noemen [verweerders] en voor zover afzonderlijk bedoeld [verweerster 1] , [verweerder 2] en [verweerster 2] , advocaat: mr. L.M.M. Loerakker. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met producties, - het verweerschrift met producties, - de tussenbeschikking van 30 oktober 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkorte proces-verbaal van de op 20 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling met de daarin genoemde stukken. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. In 2017 heeft [erflater] , wijlen de broer van [verweerders] en wijlen de echtgenoot van [verzoekster] (hierna te noemen: erflater), van VORM Beheer B.V. (hierna: VORM) een appartementsrecht gekocht dat zag op het nog te bouwen appartement aan de [adres] (hierna: het appartement). De koopsom bedroeg € 550.000,-, te betalen in termijnen. 2.2. De moeder van erflater en [verweerders] is in 2018 overleden. 2.3. [verzoekster] is op 15 april 2019 met erflater getrouwd. 2.4. Omdat het appartement nog steeds in aanbouw was woonde [verzoekster] met erflater bij de familie van erflater en [verweerders] 2.5. De ouders van erflater en [verweerders] waren ondernemers en exploiteerden meerdere tandartspraktijken. De onderneming bestaat uit een holdingvennootschap ( [bedrijf] B.V.) met daaronder drie dochtervennootschappen waarin de tandartspraktijken zijn ondergebracht. De moeder van erflater en [verweerders] was tandarts. [verzoekster] werkte in de praktijken als tandartsassistente. 2.6. Erflater heeft op 29 maart 2021 een testament laten opstellen waarbij hij tot zijn enige erfgenamen [verweerders] (in gelijke delen) heeft benoemd. Aan [verzoekster] is bij testament een legaat toegekend. Als executeur testamentair is benoemd [verweerster 1] . Het testament luidt ten aanzien van het legaat als volgt: “Ik legateer aan mijn echtgenote, [verzoekster] , een bedrag groot honderd vijfenzeventig duizend euro (€ 175.000,-), welk legaat eerst opeisbaar is bij verkoop en levering van het door mij verkregen, (thans nog in aanbouw zijnde) appartement.” 2.7. Op 18 juli 2021 is erflater overleden. 2.8. Op 14 september 2021 heeft [verweerster 1] haar benoeming tot executeur aanvaard. 2.9. Bij akte van 14 september 2021 is de nalatenschap van erflater door [verweerders] beneficiair aanvaard. 2.10. Na het overlijden van erflater heeft [verzoekster] nog ongeveer drie jaar bij haar schoonfamilie ingewoond. 2.11. Het appartement dat erflater had gekocht is op enig moment opgeleverd. [verweerster 2] heeft het appartement gekocht. Het appartement is op 28 november 2023 aan haar geleverd. 2.12. Op 10 juli 2025 heeft [verzoekster] , via een brief van haar advocaat aan [verweerster 1] , kenbaar gemaakt dat zij aanspraak maakt op het haar toegekende legaat en de wettelijke rente vanaf 10 juli 2025. 2.13. Het appartement is bij taxatierapport opgesteld door MW Makelaardij B.V. van 15 september 2022 getaxeerd op een marktwaarde van € 715.000,- per 7 september 2022. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking: I. voor recht te verklaren dat de executele is geëindigd als gevolg van de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door de erven; II. de executeur te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording van het door haar gevoerde beheer; III. voor recht te verklaren dat de wettelijke verdeling in het testament van erflater niet is uitgesloten; IV. (oud notaris) mr. Bart van der Wilt te benoemen tot vereffenaar; V. de hoofdelijke veroordeling van de executeur [verweerders] in de kosten van de procedure, te betalen binnen 14 dagen te vermeerderen met wettelijke rente nadien. 3.2. Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Zij heeft recht en belang bij het benoemen van een vereffenaar nu voor haar onvoldoende duidelijk is dat het saldo van de nalatenschap negatief is. Er is nog niet op een professionele manier vereffend. De genoemde baten/schulden zijn onvoldoende onderbouwd en voor haar is niet inzichtelijk gemaakt hoe de schuldeisers zijn voldaan. Er is geen uitdelingslijst overgelegd. Ook is niet inzichtelijk hoe [verweerster 2] , die het appartement heeft gekocht, het appartement heeft gefinancierd en hoe met de opbrengst de schulden van de nalatenschap zijn afgelost. 3.3. [verweerders] menen dat alle verzoeken moeten worden afgewezen. Ten aanzien van het verzoek tot het benoemen van een vereffenaar voeren zij aan dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij haar verzoek. Het saldo van de nalatenschap is negatief. Aan [verzoekster] is daarom meegedeeld dat het legaat niet uitgekeerd kan worden en dat het legaat wordt verminderd tot nihil. Het benoemen van een vereffenaar brengt grote kosten met zich mee en gezien het negatieve saldo zal het benoemen van een vereffenaar er niet toe leiden dat [verzoekster] haar legaat alsnog (deels) uitbetaald krijgt. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Ten aanzien van het onder 3.1 sub I gevorderde 4.1. Partijen zijn het erover eens dat [verweerster 1] inmiddels geen executeur meer is nu de nalatenschap beneficiair is aanvaard door [verweerders] en er geen verklaring is afgelegd dat de baten de schulden overstijgen. Bij deze stand van zaken heeft [verzoekster] onvoldoende afzonderlijk belang bij een toewijzing van het onder sub I. verzochte. De vordering 3.1 sub II 4.2. Nu [verzoekster] geen erfgenaam is maar legataris, is zij een schuldeiser van de nalatenschap. [verweerders] zijn de erfgenamen. Een executeur is jegens erfgenamen gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording, zo bepaalt artikel 4:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Nu [verzoekster] geen erfgenaam is, kan zij jegens de executeur geen aanspraak maken op het afleggen van rekening en verantwoording. Voor dit verzoek heeft [verzoekster] ook geen (andere) wettelijke grondslag genoemd. Ook het op dit punt verzochte zal worden afgewezen. De vordering 3.1 sub III 4.3. [verzoekster] heeft deze vordering tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken en uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij geen aanspraak maakt op de wettelijke verdeling. Deze vordering behoeft daarmee geen bespreking meer. De rechtbank gaat ervan uit dat uitsluitend [verweerders] de erfgenamen zijn (voor gelijke delen) in de nalatenschap van erflater. De vordering 3.1 sub IV 4.4. Wel staat tussen partijen ter discussie of [verzoekster] recht heeft op, en nog voldoende belang heeft bij het benoemen van een vereffenaar. 4.5. De rechtbank stelt voorop dat het in dit geval om een beneficiair aanvaarde nalatenschap gaat en dat er geen zogenaamde ruimschoots verklaring is afgegeven. De nalatenschap zal daarom moeten worden vereffend. De gezamenlijk erfgenamen, [verweerders] , zijn dan in beginsel gezamenlijk de vereffenaars.
Volledig
In die hoedanigheid van vereffenaars moeten [verweerders] zich ook rekenschap geven van de vordering die [verzoekster] op de nalatenschap heeft uit hoofde van het bij testament aan haar toegekende legaat. [verzoekster] is als gevolg van dat legaat een schuldeiser van de nalatenschap. Een legaat kan echter pas worden uitgekeerd nadat alle andere schulden van nalatenschap zijn voldaan en er nog voldoende baten overblijven om tot (gedeeltelijke) uitkering van het legaat over te kunnen gaan (zie artikel 4:120 lid eerste lid BW). 4.6. [verzoekster] wil dat er een vereffenaar wordt benoemd omdat zij twijfels heeft over de vraag of de nalatenschap wel eerlijk en correct wordt vereffend, of het juist is dat er minder baten dan schulden zijn en of haar belangen als legataris wel voldoende zijn meegenomen. 4.7. De rechtbank overweegt dat ook in geval van een (mogelijk) negatief saldo van de nalatenschap de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een legataris voldoende belang heeft om benoeming van een vereffenaar te verzoeken. Dat belang is in beginsel niet meer aanwezig indien voldoende inzichtelijk en duidelijk is gemaakt dat het saldo inderdaad negatief is, de nalatenschap correct wordt vereffend en er geen ruimte meer zal bestaan om tot (gedeeltelijke) uitkering van het legaat over te gaan. In dat geval is het niet zinvol om alsnog een vereffenaar in te schakelen met alle extra kosten van dien. De rechtbank zal daarom de gestelde baten en schulden van de nalatenschap als ook de wijze waarop die schulden worden afbetaald bespreken, beoordelen of er nog een nadere onderbouwing van de baten/schulden/vereffening nodig is en tenslotte vaststellen of [verzoekster] in dat licht bezien voldoende belang heeft bij benoeming van een vereffenaar. De baten (activa) van de nalatenschap 4.8. [verweerders] hebben gesteld dat de baten van de nalatenschap bestaan uit (de verkoopopbrengst van) het appartement van € 715.000,- en het erfdeel van erflater in de nalatenschap van zijn voor overleden moeder van € 106.492,-. Het totale saldo van de activa komt daarmee volgens [verweerders] op € 821.492,-. De waarde van het appartement 4.9. Ten aanzien van het appartement is een taxatierapport overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat het appartement een waarde van € 715.000,- had. Die waarde wordt niet door [verzoekster] betwist, zodat ook de rechtbank van die waarde zal uitgaan per datum van overlijden van erflater. Het aandeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder 4.10. De waarde van het aandeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder stellen [verweerders] op € 106.492,-. Dit bedrag bestaat uit € 125.500,- (1/8ste deel van de waarde van het aandeel van zijn moeder in de woning waar zij samen met haar man eigenaar van was) verminderd met 1/4de aandeel van erflater in een schuld van zijn moeder aan de belastingdienst. Deze stelling hebben [verweerders] onderbouwd door een afschrift van het testament van moeder te overleggen en een aanslag inkomstenbelasting 2018 van € 76.032,-. De aangifte- en aanslag erfbelasting van moeder is bij de belastingdienst opgevraagd maar nog niet verkregen, aldus [verweerders] [verzoekster] heeft het erfdeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder betwist en vraagt zich met name af of de waarde van het huis van moeder wel juist is vastgesteld. 4.11. De rechtbank beschikt nog over onvoldoende informatie om te beoordelen of het erfdeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder correct is vastgesteld. [verweerders] zal in de gelegenheid worden gesteld om nog de volgende aanvullende stukken over te leggen: - de aangifte en aanslag erfbelasting van moeder indien deze inmiddels van de belastingdienst is ontvangen, - stukken waaruit de woz waarde van de woning van de moeder blijkt, - een toelichting op het ten aanzien van de nalatenschap van moeder toegepaste (verschil in) breukdelen (van 1/8 respectievelijk 1/4), - de boedelbeschrijving van de nalatenschap van moeder (indien aanwezig), - eventuele andere stukken waaruit de omvang van de activa en passiva van de nalatenschap van moeder blijkt en het aandeel van erflater hierin. 4.12. Dat erflater geen aanspraak (meer) had op een deel van de onderneming van de ouders van erflater, wordt onvoldoende door [verzoekster] betwist zodat ook de rechtbank van de juistheid van die stelling uitgaat. De schulden/passiva van de nalatenschap van erflater 4.13. [verweerders] hebben gesteld dat de schulden van de nalatenschap (voor legaat) per datum van overlijden van erflater € 938.204,- bedroegen. Ter onderbouwing hiervan hebben [verweerders] overgelegd de aangifte erfbelasting met betrekking tot de nalatenschap van erflater. Verder hebben zij overgelegd een leningsovereenkomst met [bedrijf] B.V., diverse bankafschriften, een factuur van een notaris ter zake van de erfpacht, twee berichten van VORM en een (deel)afrekening van de notaris ter zake de aankoop van het appartement door [verweerster 2] en de aflossing van een lening van € 550.000,- aan [bedrijf] B.V. 4.14. De rechtbank constateert dat in algemene zin in ieder geval nog ontbreekt de aanslag erfbelasting. [verweerders] zullen bij akte in de gelegenheid worden gesteld deze aanslag alsnog in de procedure te overleggen. De schuld aan [bedrijf] BV 4.15. De totale schuld van erflater aan [bedrijf] B.V. bedroeg volgens [verweerders] € 1.032.296,- (alle aan erflater overgemaakte bankoverschrijvingen bij elkaar opgeteld). Hierop heeft erflater op 13 november 2019 € 54.000,- en op € 27 januari 2020 € 91.722,40 afgelost zodat een openstaande lening resteert van € 886.573,- aldus [verweerders] De leningen waren grotendeels bestemd voor aankoop van het appartement voor € 550.000.- en afkoop van de erfpacht voor € 337.290,-. Overgelegd is een geldleningsovereenkomst ten bedrage van € 550.000,-. [verzoekster] betwist met name het bestaan van de geldlening voor zover deze het bedrag van € 550.000,- te boven gaat. 4.16. De rechtbank acht met de overgelegde stukken voldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt dat erflater een lening had afgesloten met [bedrijf] B.V. voor de aankoop van het appartement ten bedrage van € 550.000,-. De lening van € 550.000,- wordt voldoende onderbouwd door de geldleningsovereenkomst gedateerd 1 augustus 2017. Dat aanvullend nog een bedrag is geleend voor het afkopen van de erfpacht acht de rechtbank ook voldoende onderbouwd. Van de af te kopen erfpacht is een nota van de notaris van 11 september 2018 ten bedrage van € 337.574,60 overgelegd en ook een bankafschrift waarop een overboeking op 27 juli 2018 blijkt ter hoogte van nagenoeg dit bedrag (€ 337.281,32) van [bedrijf] B.V. aan erflater onder vermelding van lening. Dat er nog meer geldbedragen zijn geleend door [bedrijf] B.V. en dat er voor het overlijden van erflater € 94.722,40 en € 54.000,-, is afgelost, is nog onvoldoende vast komen te staan. Zonder nadere toelichting, onderbouwd met stukken, kan dat onvoldoende worden afgeleid uit de selectie van overgelegde bankafschriften. Ook blijkt hieruit niet hoeveel er in totaal al was afgelost op de door [bedrijf] B.V. verstrekte lening. 4.17. De rechtbank wenst daarom een nadere toelichting van [verweerders] en onderbouwing aan de hand van nadere stukken waaruit het saldo van (het restant van) de totale schuld van de nalatenschap aan [bedrijf] B.V. op de datum van overlijden van erflater blijkt. Gedacht kan daarbij worden aan de aangiftes inkomstenbelasting van erflater sinds het aangaan van de lening(en) en een overzicht van alle bankafschriften vanaf de start van de lening tot aan het overlijden van erflater of van [bedrijf] BV/de tandartsenpraktijk waaruit de verstrekte leningen blijken en ook de daarop in mindering strekkende aflossingen. De rechtbank gaat ervan uit dat [verweerders] de relevante overboekingen dan arceert en erbij zet van wie het bijbehorende bankrekeningnummer is waarnaar/waarvandaan is overgeboekt. De schuld aan [schuldeiser 1] ad € 15.000,- de schuld aan [schuldeiser 2] ad € 19.780 en de lening aan [verweerster 1] ad € 6.000,- 4.18. Van deze schulden, die door [verzoekster] worden betwist, zijn geen onderliggende stukken overgelegd.
Volledig
In die hoedanigheid van vereffenaars moeten [verweerders] zich ook rekenschap geven van de vordering die [verzoekster] op de nalatenschap heeft uit hoofde van het bij testament aan haar toegekende legaat. [verzoekster] is als gevolg van dat legaat een schuldeiser van de nalatenschap. Een legaat kan echter pas worden uitgekeerd nadat alle andere schulden van nalatenschap zijn voldaan en er nog voldoende baten overblijven om tot (gedeeltelijke) uitkering van het legaat over te kunnen gaan (zie artikel 4:120 lid eerste lid BW). 4.6. [verzoekster] wil dat er een vereffenaar wordt benoemd omdat zij twijfels heeft over de vraag of de nalatenschap wel eerlijk en correct wordt vereffend, of het juist is dat er minder baten dan schulden zijn en of haar belangen als legataris wel voldoende zijn meegenomen. 4.7. De rechtbank overweegt dat ook in geval van een (mogelijk) negatief saldo van de nalatenschap de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een legataris voldoende belang heeft om benoeming van een vereffenaar te verzoeken. Dat belang is in beginsel niet meer aanwezig indien voldoende inzichtelijk en duidelijk is gemaakt dat het saldo inderdaad negatief is, de nalatenschap correct wordt vereffend en er geen ruimte meer zal bestaan om tot (gedeeltelijke) uitkering van het legaat over te gaan. In dat geval is het niet zinvol om alsnog een vereffenaar in te schakelen met alle extra kosten van dien. De rechtbank zal daarom de gestelde baten en schulden van de nalatenschap als ook de wijze waarop die schulden worden afbetaald bespreken, beoordelen of er nog een nadere onderbouwing van de baten/schulden/vereffening nodig is en tenslotte vaststellen of [verzoekster] in dat licht bezien voldoende belang heeft bij benoeming van een vereffenaar. De baten (activa) van de nalatenschap 4.8. [verweerders] hebben gesteld dat de baten van de nalatenschap bestaan uit (de verkoopopbrengst van) het appartement van € 715.000,- en het erfdeel van erflater in de nalatenschap van zijn voor overleden moeder van € 106.492,-. Het totale saldo van de activa komt daarmee volgens [verweerders] op € 821.492,-. De waarde van het appartement 4.9. Ten aanzien van het appartement is een taxatierapport overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat het appartement een waarde van € 715.000,- had. Die waarde wordt niet door [verzoekster] betwist, zodat ook de rechtbank van die waarde zal uitgaan per datum van overlijden van erflater. Het aandeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder 4.10. De waarde van het aandeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder stellen [verweerders] op € 106.492,-. Dit bedrag bestaat uit € 125.500,- (1/8ste deel van de waarde van het aandeel van zijn moeder in de woning waar zij samen met haar man eigenaar van was) verminderd met 1/4de aandeel van erflater in een schuld van zijn moeder aan de belastingdienst. Deze stelling hebben [verweerders] onderbouwd door een afschrift van het testament van moeder te overleggen en een aanslag inkomstenbelasting 2018 van € 76.032,-. De aangifte- en aanslag erfbelasting van moeder is bij de belastingdienst opgevraagd maar nog niet verkregen, aldus [verweerders] [verzoekster] heeft het erfdeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder betwist en vraagt zich met name af of de waarde van het huis van moeder wel juist is vastgesteld. 4.11. De rechtbank beschikt nog over onvoldoende informatie om te beoordelen of het erfdeel van erflater in de nalatenschap van zijn moeder correct is vastgesteld. [verweerders] zal in de gelegenheid worden gesteld om nog de volgende aanvullende stukken over te leggen: - de aangifte en aanslag erfbelasting van moeder indien deze inmiddels van de belastingdienst is ontvangen, - stukken waaruit de woz waarde van de woning van de moeder blijkt, - een toelichting op het ten aanzien van de nalatenschap van moeder toegepaste (verschil in) breukdelen (van 1/8 respectievelijk 1/4), - de boedelbeschrijving van de nalatenschap van moeder (indien aanwezig), - eventuele andere stukken waaruit de omvang van de activa en passiva van de nalatenschap van moeder blijkt en het aandeel van erflater hierin. 4.12. Dat erflater geen aanspraak (meer) had op een deel van de onderneming van de ouders van erflater, wordt onvoldoende door [verzoekster] betwist zodat ook de rechtbank van de juistheid van die stelling uitgaat. De schulden/passiva van de nalatenschap van erflater 4.13. [verweerders] hebben gesteld dat de schulden van de nalatenschap (voor legaat) per datum van overlijden van erflater € 938.204,- bedroegen. Ter onderbouwing hiervan hebben [verweerders] overgelegd de aangifte erfbelasting met betrekking tot de nalatenschap van erflater. Verder hebben zij overgelegd een leningsovereenkomst met [bedrijf] B.V., diverse bankafschriften, een factuur van een notaris ter zake van de erfpacht, twee berichten van VORM en een (deel)afrekening van de notaris ter zake de aankoop van het appartement door [verweerster 2] en de aflossing van een lening van € 550.000,- aan [bedrijf] B.V. 4.14. De rechtbank constateert dat in algemene zin in ieder geval nog ontbreekt de aanslag erfbelasting. [verweerders] zullen bij akte in de gelegenheid worden gesteld deze aanslag alsnog in de procedure te overleggen. De schuld aan [bedrijf] BV 4.15. De totale schuld van erflater aan [bedrijf] B.V. bedroeg volgens [verweerders] € 1.032.296,- (alle aan erflater overgemaakte bankoverschrijvingen bij elkaar opgeteld). Hierop heeft erflater op 13 november 2019 € 54.000,- en op € 27 januari 2020 € 91.722,40 afgelost zodat een openstaande lening resteert van € 886.573,- aldus [verweerders] De leningen waren grotendeels bestemd voor aankoop van het appartement voor € 550.000.- en afkoop van de erfpacht voor € 337.290,-. Overgelegd is een geldleningsovereenkomst ten bedrage van € 550.000,-. [verzoekster] betwist met name het bestaan van de geldlening voor zover deze het bedrag van € 550.000,- te boven gaat. 4.16. De rechtbank acht met de overgelegde stukken voldoende onderbouwd en inzichtelijk gemaakt dat erflater een lening had afgesloten met [bedrijf] B.V. voor de aankoop van het appartement ten bedrage van € 550.000,-. De lening van € 550.000,- wordt voldoende onderbouwd door de geldleningsovereenkomst gedateerd 1 augustus 2017. Dat aanvullend nog een bedrag is geleend voor het afkopen van de erfpacht acht de rechtbank ook voldoende onderbouwd. Van de af te kopen erfpacht is een nota van de notaris van 11 september 2018 ten bedrage van € 337.574,60 overgelegd en ook een bankafschrift waarop een overboeking op 27 juli 2018 blijkt ter hoogte van nagenoeg dit bedrag (€ 337.281,32) van [bedrijf] B.V. aan erflater onder vermelding van lening. Dat er nog meer geldbedragen zijn geleend door [bedrijf] B.V. en dat er voor het overlijden van erflater € 94.722,40 en € 54.000,-, is afgelost, is nog onvoldoende vast komen te staan. Zonder nadere toelichting, onderbouwd met stukken, kan dat onvoldoende worden afgeleid uit de selectie van overgelegde bankafschriften. Ook blijkt hieruit niet hoeveel er in totaal al was afgelost op de door [bedrijf] B.V. verstrekte lening. 4.17. De rechtbank wenst daarom een nadere toelichting van [verweerders] en onderbouwing aan de hand van nadere stukken waaruit het saldo van (het restant van) de totale schuld van de nalatenschap aan [bedrijf] B.V. op de datum van overlijden van erflater blijkt. Gedacht kan daarbij worden aan de aangiftes inkomstenbelasting van erflater sinds het aangaan van de lening(en) en een overzicht van alle bankafschriften vanaf de start van de lening tot aan het overlijden van erflater of van [bedrijf] BV/de tandartsenpraktijk waaruit de verstrekte leningen blijken en ook de daarop in mindering strekkende aflossingen. De rechtbank gaat ervan uit dat [verweerders] de relevante overboekingen dan arceert en erbij zet van wie het bijbehorende bankrekeningnummer is waarnaar/waarvandaan is overgeboekt. De schuld aan [schuldeiser 1] ad € 15.000,- de schuld aan [schuldeiser 2] ad € 19.780 en de lening aan [verweerster 1] ad € 6.000,- 4.18. Van deze schulden, die door [verzoekster] worden betwist, zijn geen onderliggende stukken overgelegd.