Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-31
ECLI:NL:RBAMS:2026:3385
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12073417 CV EXPL 26-1097 vonnis van: 31 maart 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de besloten vennootschap Custodian Vesteda Fund I B.V. gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam eisende partij gemachtigde: Jongerius Gerechtsdeurwaarders/Juristen/Incasso B.V. t e g e n 1 [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats] gedaagde partij procederend in persoon Verloop van de procedure - dagvaarding van 20 januari 2026. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij geen conclusie van antwoord genomen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening 2. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 3. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze buiten toepassing laten. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 4. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woonruimte aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (ROZ) 30 juli 2003 (verder: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 5. Eisende partij heeft het standpunt ingenomen dat zij nakoming van de in de huurovereenkomst neergelegde kernverplichting vordert en zich niet beroept op bedingen die zich lenen voor ambtshalve toetsing. 6. De kantonrechter volgt eisende partij niet in dit standpunt. Eisende partij vordert naast huur, ook huurverhoging, rente en (buitengerechtelijke) kosten. Dat betreft niet de kern van de prestatie van huurder (te weten betaling van de huur). De bedingen in de huurovereenkomst en de toepasselijke voorwaarden lenen zich dan ook voor ambtshalve toetsing. Daarbij is niet relevant of eisende partij de consument ook daadwerkelijk aan de afspraken houdt, of in de praktijk alleen naleving van de wettelijke bepalingen verlangt. 7. Het huurprijsbeding (artikel 4.4 in de huurovereenkomst) is een kernbeding. Dit beding is transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 8. Het betreft geliberaliseerde huur. De bedingen die voor de beoordeling van de onderhavige vordering relevant zijn, te weten de artikelen 10.3 sub 1 tot en met 6 (Huurprijswijzing) van de huurovereenkomst zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 9. Opgemerkt wordt dat de artikelen 10.3 sub 7 tot en met 10 van de huurovereenkomst in dit geval niet door de kantonrechter worden getoetst. Uit de toelichting (productie 2) bij dagvaarding blijkt namelijk dat een aanpassing van de huurprijs aan de ontwikkelingen van de markthuurprijs (artikel 10.3 sub 7 tot en met 9) niet heeft plaatsgevonden. Verder blijkt uit de toelichting van eiseres dat zij haar vordering heeft beperkt, in die zin dat zij de in artikel 10.3 sub 10 genoemde (extra) opslag met maximaal 4% boven de indexatie niet heeft gevorderd. Deze bedingen liggen daarmee dus niet aan de vordering ten grondslag. 10. Tot slot zijn de artikelen 20.2, 20.3 en 20.4 van de algemene voorwaarden getoetst. Deze artikelen luiden als volgt: 20 In verzuim zijn/boetebeding (…) 20.2. Voor elk geval dat huurder in verzuim is met de tijdige en volledige betaling van een