Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-27
ECLI:NL:RBAMS:2026:3383
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling privaatrecht zaaknummer: 12112162 CV EXPL 26-2328 vonnis van: 27 maart 2026 fno.: 506 vonnis van de kantonrechter I n z a k e de stichting Woningstichting Eigen Haard gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam eisende partij gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen t e g e n [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde partij niet verschenen Verloop van de procedure Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag. Gronden van de beslissing 1. Eisende partij vordert betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen 2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68). 3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden Sociale Woonruimte d.d. 1 augustus 2022 (hierna: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht. 4. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat voor zover eisende partij een oneerlijk beding in haar huurovereenkomst en/of algemene voorwaarden heeft staan zij zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter. 5. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid. 6. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 4 (huurprijswijziging) en 5.1 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden. 7. Ook de artikelen 17.2 en 17.3 van de Algemene voorwaarden zijn getoetst. Voor zover deze artikelen betrekking hebben op de buitengerechtelijke kosten, acht de kantonrechter deze bedingen, in het licht van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 december 2025 (ECLI:NL:GHMAS:2025:3360), niet oneerlijk. 8. Artikel 17.2 van de Algemene voorwaarden heeft ook betrekking op de proceskosten. In dat verband overweegt de kantonrechter het volgende. 9. Het beding luidt als volgt: Artikel 17: Verzuim (…) 17.2 tekortschieten Als verhuurder of huurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle de daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij. 10. Artikel 17.2 is oneerlijk voor zover het betrekking heeft op de proceskosten, omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietari