Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:3331
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,041 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3331 text/xml public 2026-04-10T11:40:32 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-07 12055930 \ KK EXPL 26-29 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding Op tegenspraak NL Amsterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3331 text/html public 2026-04-10T11:40:06 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3331 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 12055930 \ KK EXPL 26-29 Kort geding. Op basis van een belangenafweging wordt de vordering van de werkneemster toegewezen om op de eigen arbeidslocatie te re-integreren. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 12055930 \ KK EXPL 26-29 Vonnis in kort geding van 7 april 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. A. Yandere, tegen de stichting REGIONAAL OPLEIDINGENCENTRUM VAN AMSTERDAM-FLEVOLAND , onder meer handelend onder de naam [onderwijsinstelling 1] , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: ROC, gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor. 1 De procedure 1.1. Bij dagvaarding van 19 januari 2026 met producties, heeft [eiser] een voorziening gevorderd. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [eiser] een akte aanvulling dagvaarding met aanvullende producties toegezonden en heeft het ROC op voorhand een conclusie van antwoord met producties toegezonden. 1.2. Op de zitting van 31 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het ROC zijn [naam 2] , arbeidsjurist bij het ROC, [naam 1] , [functie 1] van het [onderwijsinstelling 1] , en de gemachtigde verschenen. 1.3. Partijen hebben op de zitting hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiser] is op 9 januari 2017 in dienst getreden bij ROC in de functie van [functie 2] ( [functie 2] ), inmiddels op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met als standplaats [plaats] . Op de arbeidsovereenkomst is de cao mbo (de cao) van toepassing. 2.2. [eiser] vervult haar functie op de locatie [onderwijsinstelling 1] in [plaats] . 2.3. Het ROC heeft in [plaats] meer locaties, onder meer het [onderwijsinstelling 2] . 2.4. [eiser] is op 9 april 2025 als ordemaatregel voor vier weken geschorst voor haar werkzaamheden, nadat zij een brandbrief had overhandigd aan de Raad van Bestuur van het [onderwijsinstelling 1] , zij niet deelnam aan een medewerkersdag en het ROC signalen over het gedrag van [eiser] had ontvangen. [eiser] heeft beroep tegen dit schorsingsbesluit ingesteld bij de Commissie van beroep mbo (de Commissie van beroep). 2.5. Op 8 mei 2025 heeft de voorzitter van de Commissie van beroep in voorlopige voorziening [eiser] ’s verzoek tot wedertewerkstelling toegewezen. 2.6. Het ROC heeft onderzoek laten doen naar de signalen over [eiser] en heeft de resultaten van dat onderzoek op 12 mei 2026 met haar besproken. [eiser] heeft zich dezelfde dag ziek gemeld. 2.7. Vervolgens heeft de Commissie van beroep in september 2025 [eiser] ’s beroep tegen de schorsing gegrond verklaard. Volgens de Commissie van beroep heeft het ROC onvoldoende concreet onderbouwd waarom [eiser] was geschorst en waarom die ordemaatregel in het belang van het ROC dringend vereist was. 2.8. De bedrijfsarts heeft [eiser] meermaals gezien en in de verschillende rapportages geconcludeerd dat – samengevat – de arbeidsongeschiktheid medisch van aard is, terugkeer in de eigen functie mogelijk is en opbouw in uren kan worden gemaakt op basis van de belastbaarheid. De bedrijfsarts heeft in oktober 2025 geadviseerd om onder begeleiding van een onafhankelijke derde afspraken te maken over onder meer een passende plek voor re-integratie, omdat hij begrijpt dat daar onenigheid over is. In latere rapportages signaleert de bedrijfsarts dat er – kort gezegd – een arbeidsconflict speelt dat nog niet is opgelost en van invloed is op het herstel. 2.9. [eiser] is in maart 2026 gestart met re-integratie in haar eigen functie, maar op het [onderwijsinstelling 2] . Het ROC en [eiser] hebben een plan van aanpak gemaakt en getekend, waarbij [eiser] heeft opgemerkt dat over de plaats van re-integreren een verschil van inzicht bestaat. De door de bedrijfsarts geadviseerde mediation heeft plaatsgevonden maar is niet gelukt. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat en na wijziging van eis op de zitting – tot re-integratie op haar eigen werkplek, te weten het [onderwijsinstelling 1] en om aanpassing van het plan van aanpak op dat onderdeel, op straffe van een dwangsom. 3.2. [eiser] voert met name aan dat re-integratie op de eigen werkplek het uitgangspunt is en stelt dat zij daar sneller zal re-integreren omdat dat haar thuis is. 3.3. Het ROC voert verweer. Volgens het ROC is er geen spoedeisendheid meer omdat gere-integreerd wordt. Verder wijst het ROC onder meer op de cao en de arbeidsovereenkomst, waaruit volgt dat de standplaats van [eiser] [plaats] is. Reintegratie op het [onderwijsinstelling 2] is dus de eigen werkplek, aldus het ROC. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. [eiser] verzoekt om te re-integreren op het [onderwijsinstelling 1] en niet waar zij nu re-integreert, het [onderwijsinstelling 2] . 4.2. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De stelling van het ROC dat [eiser] hiervoor geen spoedeisend belang heeft, wordt niet gevolgd. Weliswaar is de re-integratie aangevangen, maar van meet af aan is er een verschil van inzicht over de locatie waarop die plaats moet vinden. Daarbij is dat ook een van de conflictpunten – zo begrijpt de kantonrechter de verklaringen van partijen – waarover de bedrijfsarts opmerkt dat dit van invloed is op spoedig herstel van [eiser] . 4.3. [eiser] voert aan dat re-integratie op de eigen werkplek het uitgangspunt is. Volgens haar is dat het [onderwijsinstelling 1] . Het ROC brengt daartegen in dat volgens de arbeidsovereenkomst de standplaats niet het [onderwijsinstelling 1] is, maar [plaats] . Verder voert hij aan dat volgens artikel 10 van de cao re-integratie in de eigen functie het uitgangspunt is, maar dat aanpassingen van onder meer werkplek of werkomgeving toegestaan zijn. 4.4. De standpunten van beide partijen zijn ieder op zichzelf steekhoudend, zodat het in deze voorlopige voorziening aankomt op een afweging van de belangen. Op de zitting heeft [eiser] als haar belang aangevoerd dat het [onderwijsinstelling 1] haar plek is, een warm bad met een bepaalde cultuur en omgang waarbij zij zich thuis voelt. Iets dat zij niet op die wijze ervaart op het [onderwijsinstelling 2] . Zij voert aan dat de leidinggevende van haar team inmiddels weg is, althans langdurig afwezig, zodat er geen belemmering meer is om daar werkzaamheden te verrichten. Volgens haar herstelt zij daar sneller. Het ROC heeft op de zitting betwist dat met de (tijdelijke) afwezigheid van de leidinggevende alle achterliggende problemen op het [onderwijsinstelling 1] met [eiser] , zijn opgelost. Volgens het ROC moeten er echt inhoudelijke gesprekken plaatsvinden voordat er genoeg vertrouwen is om verder te gaan. Op vragen van de kantonrechter naar wat dat gebrek aan vertrouwen precies inhoudt en met wie dat is, hebben partijen zich niet nader uitgelaten, althans willen uitlaten. 4.5. Alles overziend is het belang van [eiser] om te herstellen op het [onderwijsinstelling 1] zwaarwegender dan het belang van het ROC om op een andere locatie in [plaats] te re-integreren. Uitgangspunt bij een re-integratie is een spoedig herstel in eigen functie. De stelling van [eiser] zij op het [onderwijsinstelling 1] spoediger herstelt, lijken ook steun te vinden in de verschillende rapportages van de bedrijfsarts. Verder zijn partijen het erover eens dat [eiser] in haar dienstverband alleen werkzaam is geweest op het [onderwijsinstelling 1] . Op de zitting heeft de kantonrechter [eiser] gewezen dat re-integratie op het [onderwijsinstelling 1] voor haar wel een risico kan inhouden.