Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-04-08
ECLI:NL:RBAMS:2026:3276
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,845 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3276 text/xml public 2026-04-14T07:57:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-08 AMS 25/6627 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3276 text/html public 2026-04-14T07:56:45 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3276 Rechtbank Amsterdam , 08-04-2026 / AMS 25/6627 parkeerbelasting; zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel niet geschonden; geen aanleiding aan te nemen dat naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/6627 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 november 2025 (de uitspraak op bezwaar). 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij besluit van 24 oktober 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer] opgelegd. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is - zonder bericht - niet verschenen. Feiten 2. Op 21 oktober 2025 om 14:06 uur stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van de [adres] te Amsterdam. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. 2.1. Tijdens een controle op de hiervoor genoemde datum en tijd is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. 2.2. Naar aanleiding van voornoemde constatering is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 80,16, bestaande uit € 1,56 aan parkeerbelasting en € 78,50 aan kosten van de naheffingsaanslag. 2.3. De auto is op 21 oktober 2025 om 14:53 uur aangemeld via een parkeerapp. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Ook beoordeelt zij of het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel is geschonden. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden? 5. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar geen volledig onderzoek heeft gedaan, omdat (in bezwaar) geen scanfoto’s, scanlogs of GPS-gegevens van de controle zijn overgelegd. Volgens eiser leidt het ontbreken van dit verifieerbare bewijs tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en kan de naheffingsaanslag daarom niet in stand blijven. 5.1. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel moet een bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. Bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting moet de heffingsambtenaar onder meer de juiste tijdstippen en de werkelijke parkeersituatie grondig onderzoeken. 5.2. In beroep heeft de heffingsambtenaar verschillende stukken overgelegd, waaronder scanfoto’s en een overzicht getiteld ‘ fine information’. Uit de scanfoto’s blijkt dat de auto daadwerkelijk geparkeerd stond en dat geen sprake was van laad- en losactiviteiten, zoals eiser in bezwaar heeft betoogd. De locatie op de foto’s correspondeert met het adres op de naheffingsaanslag ( [adres] te Amsterdam). Het ‘ fine information ’-overzicht bevat verder gegevens van het controlemoment, waaronder datum, tijd, coördinaten, adres, autokenmerken en het geldende parkeertarief. Gezamenlijk tonen deze stukken aan dat de auto geparkeerd stond zoals vermeld in de naheffingsaanslag. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. 5.3. Voor zover eiser stelt dat deze informatie onterecht pas in beroep, en niet al in bezwaar, is overgelegd, volgt de rechtbank hem daarin niet. In de bezwaarfase bestaat geen algemene verplichting voor een bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan een belanghebbende toe te zenden. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb bestaat slechts een (passief) recht op inzage in die stukken, in het kader van een hoorgesprek. Omdat eiser niet heeft verzocht om te worden gehoord, hoefde de heffingsambtenaar in bezwaar geen inzage te geven in, dan wel afschriften te verstrekken van, de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat de betreffende stukken vervolgens in beroep wel zijn overgelegd, maakt dit niet anders. 5.4. Eiser heeft overigens, na kennisneming van de scanfoto’s en GPS-gegevens in beroep, ook niet toegelicht waarom van parkeren geen sprake was of waarom de naheffingsaanslag anderszins onjuist zou zijn. De rechtbank heeft, mede gelet hierop, geen aanleiding om aan te nemen dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. 5.5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is het motiveringsbeginsel geschonden? 6. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, omdat de heffingsambtenaar niet op alle onderdelen van zijn bezwaarschrift is ingegaan. 6.1. Een uitspraak op bezwaar moet deugdelijk gemotiveerd zijn. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt welke bezwaargronden door de heffingsambtenaar niet zijn behandeld en waarom de motivering onvoldoende is. Na bestudering van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar – expliciet dan wel impliciet – op alle bezwaargronden heeft gereageerd. Ook is het besluit deugdelijk gemotiveerd. Het motiveringsbeginsel is daarom niet geschonden. 6.2. Deze beroepsgrond slaagt dus eveneens niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 8 april 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1107. Artikel 7:12 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3276 text/xml public 2026-04-14T07:57:20 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-04-08 AMS 25/6627 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3276 text/html public 2026-04-14T07:56:45 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3276 Rechtbank Amsterdam , 08-04-2026 / AMS 25/6627 parkeerbelasting; zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel niet geschonden; geen aanleiding aan te nemen dat naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/6627 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 april 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 24 november 2025 (de uitspraak op bezwaar). 1.1. De heffingsambtenaar heeft bij besluit van 24 oktober 2025 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer] opgelegd. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen. Eiser is - zonder bericht - niet verschenen. Feiten 2. Op 21 oktober 2025 om 14:06 uur stond de auto van eiser met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van de [adres] te Amsterdam. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. 2.1. Tijdens een controle op de hiervoor genoemde datum en tijd is geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was voldaan. 2.2. Naar aanleiding van voornoemde constatering is aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 80,16, bestaande uit € 1,56 aan parkeerbelasting en € 78,50 aan kosten van de naheffingsaanslag. 2.3. De auto is op 21 oktober 2025 om 14:53 uur aangemeld via een parkeerapp. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Ook beoordeelt zij of het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel is geschonden. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 4. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden? 5. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar geen volledig onderzoek heeft gedaan, omdat (in bezwaar) geen scanfoto’s, scanlogs of GPS-gegevens van de controle zijn overgelegd. Volgens eiser leidt het ontbreken van dit verifieerbare bewijs tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en kan de naheffingsaanslag daarom niet in stand blijven. 5.1. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel moet een bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. Bij het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting moet de heffingsambtenaar onder meer de juiste tijdstippen en de werkelijke parkeersituatie grondig onderzoeken. 5.2. In beroep heeft de heffingsambtenaar verschillende stukken overgelegd, waaronder scanfoto’s en een overzicht getiteld ‘ fine information’. Uit de scanfoto’s blijkt dat de auto daadwerkelijk geparkeerd stond en dat geen sprake was van laad- en losactiviteiten, zoals eiser in bezwaar heeft betoogd. De locatie op de foto’s correspondeert met het adres op de naheffingsaanslag ( [adres] te Amsterdam). Het ‘ fine information ’-overzicht bevat verder gegevens van het controlemoment, waaronder datum, tijd, coördinaten, adres, autokenmerken en het geldende parkeertarief. Gezamenlijk tonen deze stukken aan dat de auto geparkeerd stond zoals vermeld in de naheffingsaanslag. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. 5.3. Voor zover eiser stelt dat deze informatie onterecht pas in beroep, en niet al in bezwaar, is overgelegd, volgt de rechtbank hem daarin niet. In de bezwaarfase bestaat geen algemene verplichting voor een bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan een belanghebbende toe te zenden. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb bestaat slechts een (passief) recht op inzage in die stukken, in het kader van een hoorgesprek. Omdat eiser niet heeft verzocht om te worden gehoord, hoefde de heffingsambtenaar in bezwaar geen inzage te geven in, dan wel afschriften te verstrekken van, de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat de betreffende stukken vervolgens in beroep wel zijn overgelegd, maakt dit niet anders. 5.4. Eiser heeft overigens, na kennisneming van de scanfoto’s en GPS-gegevens in beroep, ook niet toegelicht waarom van parkeren geen sprake was of waarom de naheffingsaanslag anderszins onjuist zou zijn. De rechtbank heeft, mede gelet hierop, geen aanleiding om aan te nemen dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd. 5.5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is het motiveringsbeginsel geschonden? 6. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, omdat de heffingsambtenaar niet op alle onderdelen van zijn bezwaarschrift is ingegaan. 6.1. Een uitspraak op bezwaar moet deugdelijk gemotiveerd zijn. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt welke bezwaargronden door de heffingsambtenaar niet zijn behandeld en waarom de motivering onvoldoende is. Na bestudering van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar stelt de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar – expliciet dan wel impliciet – op alle bezwaargronden heeft gereageerd. Ook is het besluit deugdelijk gemotiveerd. Het motiveringsbeginsel is daarom niet geschonden. 6.2. Deze beroepsgrond slaagt dus eveneens niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Dost, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 8 april 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1107. Artikel 7:12 van de Awb.