Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-12
ECLI:NL:RBAMS:2026:3248
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,938 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:3248 text/xml public 2026-04-08T11:42:00 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-12 13-394306-24 (tussenuitspraak) Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3248 text/html public 2026-04-03T11:27:36 2026-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3248 Rechtbank Amsterdam , 12-03-2026 / 13-394306-24 (tussenuitspraak) Executie-EAB Polen. Tussenuitspraak. Artikel 12 OLW. Afzien toepassing weigeringsgrond. De opgeëiste persoon was op de hoogte van procedure in hoger beroep. Hij heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest. Overlevering levert geen schending van de verdedigingsrechten op. Artikel 7 OLW. Feiten dubbel strafbaar. Artikel 6a OLW. Gelijkstellingsstukken worden bij beoordeling betrokken. Gelijkstellingsverweer gehonoreerd. Onderzoekt wordt heropend om certificaat en kopie vonnis op te vragen. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-394306-24 Datum uitspraak: 12 maart 2026 TUSSENUITSPRAAK op de vordering van 31 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 september 2024 door the Circuit Court in Łodź, 4th Criminal Division (Sąd Okręgowy w Łodźi, IV Wydział Karny) , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court for Łodź-Widzew in Łodź (Sąd Rejonowy dia Łodźi-Widzewa w Łodźi) van 16 oktober 2018, dat onherroepelijk is geworden op 4 april 2019 met kenmerk IV K 121/18. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1 Inleiding De rechtbank merkt op dat in het EAB, in onderdeel F, staat vermeld dat de advocaat van de opgeëiste persoon namens hem hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB. In aanvulling hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 27 januari 2026 aanvullende informatie verstrekt waaruit blijkt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep en dat een arrest is gewezen door the Circuit Court in Łodź op 4 april 2019 met kenmerk V Ka 194/19. Deze beslissing wordt door de uitvaardigende justitiële autoriteit aangeduid als “ final decision ”. 4.2 Standpunten van partijen Stanpunt van de raadsman De raadsman heeft bepleit dat onduidelijk is hoe de procedure in hoger beroep is verlopen en verzoekt de rechtbank kritisch naar het verloop van deze procedure te kijken. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat, omdat de opgeëiste persoon voor de procedure in hoger beroep in persoon is gedagvaard en hij een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. 4.3 Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing van the Circuit Court in Łodź van 4 april 2019 met kenmerk V Ka 194/19 zal toetsen aan artikel 12 OLW. Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De rechtbank overweegt dat in het EAB, in onderdeel F, is opgenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de datum van de zitting in hoger beroep, nu de 'notification was served on him in person’. De rechtbank kan hier echter niet uit afleiden dat de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Verder staat in onderdeel F vermeld dat de advocaat van de opgeëiste persoon is verschenen bij de procedure in hoger beroep. Op de zitting van 26 februari 2026 heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij deze advocaat ook heeft gemachtigd en dat hij wist dat zijn advocaat namens hem hoger beroep heeft ingesteld, maar dat hij daarna geen contact heeft gehad met zijn advocaat. Uit de informatie uit het EAB blijkt echter niet of de advocaat ter zitting ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Daarnaast doen de in artikel 12, sub c, OLW genoemde omstandigheden zich niet voor en is evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Gelet op het vorenstaande kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep, dat is ingesteld door zijn advocaat. Het had daarom op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat over de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. 5 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Volledig
De feiten leveren naar Nederlands recht op: een eendaadse samenloop van: diefstal uit een woning waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken; en diefstal uit een woning waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW 6.1 Bewijstukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer Standpunt raadsman De raadsman heeft bepleit dat hij de stukken tijdig, te weten acht dagen, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank heeft overgelegd. De stukken zijn voorzien van een deugdelijke toelichting. Hij heeft vier à vijf dagen voor de zitting slechts aanvullende stukken verstrekt. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze niet tijdig zijn overgelegd. De stukken zijn immers op 18 februari 2026 overgelegd waardoor niet is voldaan aan het vereiste dat de stukken uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting moeten zijn overgelegd. Ter onderbouwing hiervan heeft de officier van justitie verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank. Oordeel van de rechtbank Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. In het onderhavige geval zal de rechtbank, ondanks dat er vier dagen voor de zitting aanvullingen op de stukken zijn gekomen, de gelijkstellingsstukken wel bij haar beoordeling betrekken. De rechtbank acht daarvoor relevant dat het grootste gedeelte van de stukken al bij de voorgeleiding van de opgeëiste persoon op 30 december 2025 is overgelegd. Deze stukken zijn met enkele aanvullingen en voorzien van een toelichting acht dagen voor de zitting ingediend, waarin de inhoud van de stukken voldoende wordt geduid. 6 2Gelijkstelling Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. 6.2.1 Eerste voorwaarde De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. 6.2.2 Tweede voorwaarde De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De rechtbank merkt op dat een advies van de IND (nog) ontbreekt in het procesdossier. De officier van justitie heeft op de zitting echter kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie beschikt over een IND-advies. Uit dit advies blijkt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen als gevolg van de veroordeling in Polen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Gelet op de hierna te nemen beslissing dient het IND-advies alsnog aan het dossier te worden toegevoegd. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. 6.3 Beoordeling overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Uit de hiervoor, onder paragraaf 5, weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden heeft met Nederland. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. 6.4 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak C.J. (C-305/22) Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak C.J. In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Oftewel de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het HvJ EU – kort samengevat – volgt dat alvorens de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Het HvJ EU oordeelt dat de weigering op basis van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ veronderstelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de voorwaarden en procedure van Kaderbesluit 2008/909/JBZ in acht neemt met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf. Deze procedure houdt – kort gezegd – in dat, voordat de tenuitvoerlegging van een straf kan worden overgenomen, het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van dat Kaderbesluit wordt ingevuld en samen met het vonnis wordt overgelegd door de beslissingsstaat. Met de toezending van het certificaat en het vonnis wordt de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf uitgedrukt. Een en ander wordt door het HvJ EU herhaald in zijn arrest van 11 september 2025. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest C.J.