Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-24
ECLI:NL:RBAMS:2026:3202
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,002 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3202 text/xml public 2026-04-01T10:34:02 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-24 13-353745-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3202 text/html public 2026-04-01T08:54:32 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3202 Rechtbank Amsterdam , 24-03-2026 / 13-353745-25 Executie-EAB uit Polen. Afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Verweer ten aanzien van de Poolse detentieomstandigheden verworpen. Overlevering toegestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-353745-25 Datum uitspraak: 24 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 2 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juli 2020 door the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de P.I. [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 26 februari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam is verschenen, maar heeft verklaard zich niet gemachtigd te voelen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd geschorst tot de zitting van 10 maart 2026. Zitting 10 maart 2026 De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court of Warsaw Śródmieście (Warsaw) (Sąd Rejonowy dia Warszawy-Śródmieścia w Warszawie), X Penal Division, onherroepelijk sinds 11 april 2019 met kenmerk X K 419/18. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De opgeëiste persoon heeft namelijk geen gebruik kunnen maken van zijn verdedigingsrechten, zoals bedoeld in artikel 12 OLW nu geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW. Onder verwijzing naar artikel 8 van de Richtlijn 2016/343/JBZ is dit, aldus de raadsman, flagrant in strijd met de rechten van de mens en het EU-recht. Bovendien moet geen acht worden geslagen op de ondertekende adresinstructie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit is verstrekt, nu sprake is van valsheid in geschrifte doordat de handtekening van opgeëiste persoon onder de vertaling is geplakt. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Tijdens het verhoor heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie ontvangen, zodat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten door naar Nederland te vertrekken en het verloop van de procedure niet in de gaten te houden. Hoewel op grond van het vertrouwensbeginsel reeds moet worden uitgegaan van de verstrekte informatie, zijn door de uitvaardigende justitiële autoriteit ook nog stukken verstrekt waaruit volgt dat de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Op grond van het EAB en de aanvullende informatie van 12 februari 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon door de politie is verhoord en tijdens dat verhoor een adresinstructie heeft ontvangen. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend en een adres opgegeven. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Bovendien heeft de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid te twijfelen, zodat het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat een proces zou kunnen volgen en dat hij op de hoogte was van zijn verplichtingen in die procedure. De oproepingen voor de zitting zijn gezonden aan het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. pGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Voor zover het verweer van de raadsman inhoudt dat de Poolse regelgeving en praktijk met betrekking tot de adresinstructie in strijd zijn met Europees recht, komt dit verweer neer op de stelling dat die regelgeving en praktijk in strijd zijn met Richtlijn 2016/343/JBZ. Dit kan echter geen grond vormen voor weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB, zoals het Hof van Justitie van de EU al heeft geoordeeld. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 5 Strafbaarheid 5.1 Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: oplichting. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 6 Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank , primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd.