Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:3098
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3098 text/xml public 2026-03-30T09:09:02 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 AMS 24 / 6105 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3098 text/html public 2026-03-30T09:08:52 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3098 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / AMS 24 / 6105 Raad voor rechtsbijstand-zaak. De raad heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de door eisers gevraagde toevoeging voor het instellen van een hoger beroepsprocedure valt onder het bereik van een eerder verleende toevoeging omdat sprake is van hetzelfde rechtsbelang. Het beroep is daarom gegrond. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 24/6105 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen [eiser 1] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, eiseres (gemachtigde: mr. [eiser 2] ), en mr. [eiser 2] , advocaat in [plaats 1] , eiser, samen te noemen: eisers en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de raad (gemachtigde: mr. C. de Jong). Procesverloop Bij besluit van 27 mei 2024 (het primaire besluit) heeft de raad de aanvraag van eiseres voor een toevoeging afgewezen. Bij besluit van 30 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de raad het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De raad heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de raad. Overwegingen Achtergrond 1. Eiseres heeft in het kader van een arbeidsrechtelijk conflict met de gemeente [plaats 2] , haar (toenmalige) werkgever, drie beroepen bij de rechtbank Den Haag ingesteld. Hierbij heeft eiser opgetreden als haar gemachtigde. Voor elk van deze beroepen is aan eiseres een toevoeging verleend. Deze beroepen hadden – samenvattend – betrekking op het volgende: - het beroep met zaaknummer SGR 16/7506 had betrekking op de besluitvorming over de weigering om de eerder stopgezette bezoldiging van eiseres te hervatten, omdat eiseres nog altijd geen aanvraag voor een WIA -uitkering had ingediend. het beroep met zaaknummer SGR 18/4044 had betrekking op de besluitvorming over het weigeren van een dienstopdracht om zich bij de bedrijfsarts te melden. het beroep met zaaknummer SGR 18/5794 had betrekking op de besluitvorming over het ontslag wegens de weigering om een WIA-uitkering aan te vragen (de primaire ontslaggrond), dan wel wegens het negeren van de haar gegeven dienstopdracht en omdat eiseres zich op fundamentele wijze heeft onttrokken aan haar verplichtingen (de subsidiaire ontslaggrond). 1.1. Bij uitspraak van 21 december 2022 heeft de rechtbank Den Haag deze beroepen ongegrond verklaard. Eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en heeft de raad voor de te voeren hoger beroepsprocedures opnieuw om drie toevoegingen verzocht. Besluitvorming 2. De raad heeft aan eiseres een toevoeging verleend voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de weigering de bezoldiging van eiseres te hervatten (kenmerk: 4QC8125) en het hoger beroep inzake het ontslag van eiseres (kenmerk: 4QC4479). 2.1. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de raad de aanvraag van eiseres om een toevoeging voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak inzake de weigering van de dienstopdracht afgewezen. Volgens de raad vallen de te verrichten werkzaamheden van de gemachtigde van eiseres namelijk onder het bereik van de onder kenmerk 4QC4479 verleende toevoeging. Dat in de beroepsfase wel twee afzonderlijke toevoegingen zijn verleend voor de procedure over de dienstopdracht en het ontslag, maakt niet dat de raad in hoger beroep opnieuw twee toevoegingen had moeten verlenen. Primair stelt de raad zich op het standpunt dat er per aanvraag opnieuw moet worden beoordeeld of de toevoeging valt onder het bereik van een eerder verleende toevoeging. De zaak bevindt zich nu immers in de fase van hoger beroep en er is één uitspraak waar hoger beroep tegen is ingesteld. Subsidiair meent de raad dat volgens vaste rechtspraak een eenmaal gemaakte fout niet hoeft te worden herhaald. Het juridisch kader 4. Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 32 van de Wrb kan de raad indien sprake is van één rechtsbelang met één toevoeging volstaan. Als voor hetzelfde rechtsbelang eerder al een toevoeging is verleend, kan de raad een aanvraag voor een nieuwe toevoeging daarom weigeren op de grond dat de te verrichten werkzaamheden al onder het bereik van de eerder verleende toevoeging vallen. Bij de beoordeling van de vraag of de aanvraag om een toevoeging betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging, komt de raad beoordelingsruimte toe. Deze beoordelingsruimte heeft de raad ingevuld met beleid, dat is neergelegd in de werkinstructie ‘Bereik’. Hierin staat dat voor de afbakening van het begrip rechtsbelang bepalend is wat het doel én beoogd eindresultaat is van de rechtsbijstand in combinatie met het onderliggende feitencomplex. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als het doel en het beoogd eindresultaat van de verschillende toevoegingen identiek is, sprake is van één rechtsbelang. Ook als het doel en beoogd eindresultaat weliswaar niet identiek zijn, maar er wel sprake is van een samenstel van rechtsbelangen zonder zelfstandige betekenis, kan één rechtsbelang worden aangenomen. Het oordeel van de rechtbank 5. De rechtbank is met eisers van oordeel dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag voor zover die ziet op de weigering van de dienstopdracht betrekking heeft op hetzelfde rechtsbelang als het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag voor zover die gaat over het ontslag van eiseres. De rechtbank stelt vast dat met het hoger beroep inzake de dienstopdracht door eiseres wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat haar werkgever haar een dienstopdracht mocht geven om zich te melden bij een externe bedrijfsarts. Met het hoger beroep inzake het ontslag komt eiseres op tegen het oordeel van de rechtbank dat haar werkgever haar wegens de weigering een WIA-uitkering aan te vragen mocht ontslaan (de primaire ontslaggrond). De rechtbank overweegt dat er tussen beide procedures weliswaar enige overlap bestaat in het feitencomplex, maar dat er duidelijk sprake is van een ander doel en beoogd eindresultaat. Zoals eiser op de zitting heeft toegelicht, is het doel van de eerste hoger beroepsprocedure gelegen in de intrekking van het besluit waarin eiseres een dienstopdracht is gegeven en is daarbij feitelijk alleen aan de orde dat eiseres een dienstopdracht om bij de bedrijfsarts te verschijnen heeft geweigerd en de motieven die aan deze weigering ten grondslag liggen. De tweede hoger beroepsprocedure kent een geheel ander doel, namelijk het ongedaan maken van het ontslag van eiseres, waarbij ter beoordeling voorligt of eiseres een verwijt kan worden gemaakt dat zij geen WIA-uitkering heeft aangevraagd. De rechtsbelangen die in deze procedures voorliggen zijn naar het oordeel van de rechtbank gelet hierop wezenlijk anders. Dat de rechtbank in eerste aanleg in één uitspraak over beide procedures heeft geoordeeld, doet hier niet aan af. 5.1. De raad heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de zaken onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden omdat uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat één van de grondslagen voor het ontslag van eiseres de weigering van de dienstopdracht betreft. Om tot het ontslag van eiseres te komen, heeft de werkgever de dienstopdracht aan eiseres gegeven om zich bij de bedrijfsarts te melden. De rechtbank volgt de raad niet in dit standpunt. De werkgever heeft het ontslag van eiseres blijkens voornoemde uitspraak namelijk primair gebaseerd op de weigering van eiseres een WIA-uitkering aan te vragen.