Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-19
ECLI:NL:RBAMS:2026:3018
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verstek
2,032 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:3018 text/xml public 2026-04-03T14:55:11 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-19 11007506 \ CV EXPL 24-3064 Uitspraak Verstek NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3018 text/html public 2026-03-30T14:53:27 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:3018 Rechtbank Amsterdam , 19-02-2026 / 11007506 \ CV EXPL 24-3064 Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Leaseovereenkomst. Uitleg over oneerlijkheidstoets in de zin van Richtlijn 93/13/EG. Meerdere oneerlijke bedingen, die buiten toepassing blijven. Subsidiaire grondslag onrechtmatige daad slaagt niet, omdat dan onrechtmatig voordeel wordt gehaald uit oneerlijke bedingen. NAPTA. Uitsluitend een gedeelte van de hoofdsom toegewezen en (gematigde) proceskosten. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11007506 \ CV EXPL 24-3064 Vonnis van 19 februari 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 18 december 2025, - de akte van eisende partij. 1.2. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of hadden kunnen worden gelegd buiten toepassing te laten vanwege hun oneerlijke karakter. Het ging om bedingen over ontbinding, eigen risico bij schadegevallen, rente en buitengerechtelijke kosten. 2.2. Eisende partij heeft bij akte laten weten, kort gezegd, dat het voertuig zeer beschadigd is ingenomen. Het beding over eigen risico staat daar los van. De schades zijn het gevolg van opzet, roekeloosheid en onrechtmatig handelen door gedaagde partij. Gedaagde partij is zeer onzorgvuldig en op onbehoorlijke wijze omgegaan met de eigendommen van eisende partij. De schades zijn niet binnen 48 uur gemeld door gedaagde partij, waardoor deze niet konden worden verhaald op de verzekering. Vanaf het moment van ontbinding heeft eisende partij geen leasetermijnen meer in rekening gebracht. Bij de beoordeling van de bedingen miskent de kantonrechter dat de wet bedingen aanvult en leemtes opvult. Dat er in het beding over ontbinding niet staat dat een tekortkoming ontbinding moet rechtvaardigen is daarom niet onredelijk, omdat dat vereiste uit de wet volgt. Redelijkheid en oneerlijkheid zijn bovendien rekbare, subjectieve begrippen. Van tevoren is niet duidelijk wat daaronder valt. Eisende partij is het niet eens met de beoordeling van de kantonrechter over de korting in het rentebeding die als boete wordt gekwalificeerd. Eisende partij is een relatief kleine onderneming. Zij valt niet in de categorie van de ‘Van Mossel’ leasebedrijven. Zij heeft dan ook niet veel personeel in dienst. Eisende partij begrijpt niet waarom iedere onderneming over dezelfde kam wordt geschoren. Eisende partij is het ook niet eens met de beoordeling van het beding over buitengerechtelijke kosten. In het beding wordt naar de wettelijke regeling verwezen. Hoe dat oneerlijk kan zijn begrijpt eisende partij niet. Eisende partij is van mening dat haar vordering integraal voor toewijzing gereed ligt. Ten overvloede merkt eisende partij op dat de grondslag van de vordering primair is gegrond op de overeenkomst en subsidiair op grond van onrechtmatige daad, aldus – steeds – eisende partij. 2.3. De kantonrechter stelt voorop dat het bij de beoordeling van de oneerlijkheid gaat om hoe bedingen toegepast zouden kunnen worden, waarbij het toetsingsmoment het moment van het sluiten van de overeenkomst is. Daarbij is irrelevant of en hoe bedingen zijn toegepast of wat zich na het sluiten van de overeenkomst feitelijk heeft voorgedaan. 2.4. Van belang is dat bedingen moeten worden beoordeeld op hun eigen merites. Leemtes, of het (al dan niet bewust) niet opnemen van eisen die de wet stelt aan bepalingen over bepaalde onderwerpen, met als gevolg dat het beding gunstiger uitpakt voor de handelaar en minder gunstig voor de consument, leiden eerder tot het oordeel dat het beding oneerlijk is. Daarbij is het de eigen keuze van de handelaar om algemene voorwaarden te hanteren. Dat gebeurt normaliter om te kunnen afwijken van de wettelijke regeling. Anders zouden algemene voorwaarden niet nodig zijn. De wet bevat immers voldoende mogelijkheden om eventuele schade te verhalen, rente of incassokosten in rekening te brengen of een overeenkomst te ontbinden. De handelaar neemt dan ook een bepaald risico als hij ervoor kiest algemene voorwaarden te hanteren. Het is niet zo dat de wet bepaalde leemtes in bedingen opvult. Dan zouden handelaren immers enkel profijt hebben van minder gunstige of oneerlijke bedingen tegenover consumenten, omdat de wet dan altijd als vangnet fungeert. Dan verdwijnen dergelijke bedingen niet uit overeenkomsten, wat één van de doelstellingen is van Richtlijn 93/13 EG. Het is aan de handelaar om in te staan voor eerlijke bedingen, die het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen tussen partijen niet onevenredig (kunnen) verstoren ten nadele van de consument. Zijn bedingen oneerlijk, dan heeft dat vergaande consequenties, omdat dan geen beroep meer kan worden gedaan op het beding noch op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan. Alleen op die manier verdwijnen oneerlijke bedingen uit consumentenovereenkomsten en wordt eerlijke concurrentie tussen handelaren bevorderd. Dat de wet ook niet altijd duidelijk is, zoals eisende partij opmerkt, kan zo zijn, maar de wet wordt wel geacht een evenwichtige afweging te zijn tussen de belangen van partijen over en weer. 2.5. Wat eisende partij in haar akte heeft opgemerkt onder het kopje ‘tussentijdse beëindiging’ gaat, gelet op het voorgaande, dan ook niet op. 2.6. Eisende partij heeft in haar akte terecht opgemerkt dat de gevorderde schade aan de auto, bestaande uit herstelkosten, niet is gebaseerd op het in het tussenvonnis aangehaalde beding over eigen risico. Het is een vordering die is (of kan worden) gebaseerd op artikel 6, 6e alinea van de algemene voorwaarden. Dat beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden. De schade heeft eisende partij onderbouwd. Dat maakt dat de gestelde schade aan de auto, begroot op € 3.669,00 aan herstelkosten, toewijsbaar is. 2.7. Wat eisende partij heeft opgemerkt over de ‘korting’ in het rentebeding, leidt niet tot een andere uitkomst dan in het tussenvonnis overwogen. Alleen al het overeengekomen rentepercentage leidt tot oneerlijkheid, zodat iedere boete (of verval van korting, zoals eisende partij het noemt) die ervoor zorgt dat de vertragingsvergoeding vanwege wanbetaling hoger wordt, dat oordeel niet anders maakt. Voor rente is dan ook geen ruimte. 2.8. Wat eisende partij heeft opgemerkt over de buitengerechtelijke kosten leidt evenmin tot een andere uitkomst. Ondanks de verwijzing naar de wettelijke regeling, maakt het beding het mogelijk daarvan af te wijken, nu geen vereiste wordt gesteld over de veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Dat maakt het beding oneerlijk. 2.9. Voor zover het gevorderde niet is toegewezen op grond van de primaire grondslag, te weten de leaseovereenkomst, kan de subsidiaire grondslag (onrechtmatige daad) eisende partij niet baten, vanwege de oneerlijke bedingen en de gevolgen daarvan. Niet kan worden aanvaard dat een partij economisch voordeel haalt uit haar onrechtmatige gedrag – waaronder wordt verstaan het hanteren van oneerlijke bedingen – noch dat zij wordt gecompenseerd voor de nadelen die daardoor worden veroorzaakt (ECLI:EU:C:2023:478, punt 81: het “nemo auditur propriam turpitudinem allegans” (NAPTA) beginsel).