Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-04
ECLI:NL:RBAMS:2026:2980
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,888 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2980 text/xml public 2026-04-01T07:50:03 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-04 25/1267 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2980 text/html public 2026-04-01T07:49:43 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2980 Rechtbank Amsterdam , 04-03-2026 / 25/1267 PKV. N-O. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/1367 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. J. El Haddouchi), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK). 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 augustus 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 januari 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Eiser heeft verzocht op uitspraak te doen op basis van de stukken. Verweerder heeft met dit verzoek ingestemd. 1.3. Na afloop van de zitting is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. De zaak is om die reden heropenend en op 17 september 2025 heeft de rechtbank nadere vragen aan verweerder gesteld. 1.4. Verweerder heeft gereageerd op deze vragen met de brief van 6 oktober 2025. 1.5. De rechtbank heeft eiser verzocht om zijn procesbelang toe te lichten. Eiser heeft op 10 november 2025 zijn procesbelang toegelicht. 1.6. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Wat ging er aan deze procedure vooraf? 2.1. Eiser heeft op 8 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een GPK. Eiser is van mening dat hij minder dan 100 meter zonder pauzeren kan lopen. Eiser heeft al ruim 20 jaar klachten en zijn pijn is de laatste jaren verergerd. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen omdat de GGD een negatief advies heeft uitgebracht. De geschatte loopafstand van eiser is meer dan 100 meter. 2.2. In een nadere reactie heeft verweerder aan de rechtbank laten weten dat eiser inmiddels een GPK is toegekend op basis van nieuwe aanvraag. Op grond van nieuwe medische informatie van de huisarts van 14 maart 2025 heeft de GGD nu positief geadviseerd voor de toekenning van een GPK. Omdat de toekenning gebaseerd is op nieuwe medische informatie, is verweerder van mening dat dit niet tot gevolg heeft dat de beslissing op bezwaar van 17 januari 2025 onjuist is geweest. Is er sprake van procesbelang? 3.1. De rechtbank moet eerst vaststellen of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. 3.2. Naar aanleiding van de brief van 6 oktober 2025 van verweerder heeft de rechtbank eiser verzocht om de zaak in te trekken, dan wel om zijn procesbelang toe te lichten, nu is gebleken dat eiser inmiddels bij zijn nieuwe aanvraag een GPK heeft ontvangen. Eiser heeft toegelicht dat hij belang heeft bij een uitspraak over de rechtmatigheid van de weigering van de gehandicaptenparkeerkaart in verband met een mogelijke schadevergoedingsclaim tegen verweerder. Verweerder heeft afgezien van reactie op de vraag of eiser nog over procesbelang beschikt. 3.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling hoeft de bestuursrechter een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen, als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener van het beroep voor ogen staat met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. Met andere woorden: de indiener dient een actueel en reëel belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, dan is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend wegens de eventuele principiële betekenis daarvan. 3.4. De rechtbank overweegt dat eiser met het verkrijgen van de GPK heeft bereikt wat hij met zijn beroep beoogt. Eiser heeft daarom in beginsel geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. 3.5. Eiser heeft verder aangevoerd dat zijn procesbelang is gelegen in het verkrijgen van een schadevergoeding. 3.6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling kan er procesbelang bestaan als de insteller van het beroep stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. De enkele stelling dat eiser een uitspraak wenst in verband met een mogelijk schadeclaim tegen verweerder, acht de rechtbank onvoldoende. Eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt waaruit de gestelde geleden schade bestaat en op welke wijze hij de schade heeft geleden. 3.7. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat zijn procesbelang is gelegen in het verkrijgen van de in beroep en in bezwaar gemaakte proceskosten. De rechtbank overweegt dat de mogelijkheid om vergoeding van griffierecht en proceskosten te verkrijgen als procesbelang ontoereikend is, omdat het bestuursorgaan tot vergoeding van die kosten ook kan worden veroordeeld zonder de gegrondverklaring van het beroep. Anders dan eiser betoogt, is in het verzoek tot proceskostenveroordeling dus geen procesbelang gelegen. Omdat de reden voor het alsnog krijgen van de GPK vergunning is gelegen in een andere aanvraag en eiser niet heeft gesteld dat sprake is van een onrechtmatigheid in de onderhavige besluitvorming ziet de rechtbank geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. 3.8. Dit betekent dat eiser geen procesbelang heeft. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of verweerder de GPK van eiser terecht heeft afgewezen. 3.9. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L van der Pijl, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404 en van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3853. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2310 en van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4059. Zie de uitspraak van 6 mei 2025 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2025:292.