Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-04
ECLI:NL:RBAMS:2026:2888
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,022 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2888 text/xml public 2026-03-23T15:13:53 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-04 25/032854 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2888 text/html public 2026-03-23T14:38:14 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2888 Rechtbank Amsterdam , 04-02-2026 / 25/032854 klaagschrift ex art 164 WVW 1994 ongegrond RECHTBANK AMSTERDAM Strafrecht Zittingsplaats Amsterdam raadkamernummer : 25/032854 parketnummer : 96/334316-25 datum : 4 februari 2026 beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) van: [de klager] , geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [woonadres] , hierna te noemen: de klager. Feiten Tegen de klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, tweede lid, WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 8 december 2026. Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Op 8 december 2025 rijbewijs is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van de klager ingevorderd. De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs onder zich te houden voor een periode van 4 maanden tot uiterlijk 7 april 2026. Het is onbekend wanneer de strafzaak tegen de klager zal worden behandeld. Procedure Het klaagschrift is op 18 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt en daarbij zijn standpunt gewijzigd in die zin dat het rijbewijs tot 6 februari 2026 ingevorderd moet blijven. De rechtbank heeft op 4 februari 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, op zitting gehoord. De klager is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen. Beklag Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van de klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt. Door de klager is aangevoerd dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk en om zijn kinderen in Hilversum op te halen. Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs met ingang van 6 februari 2026. Beoordeling De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs, op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Uit het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van de klager blijkt onder meer dat hem niet eerder een rijontzegging is opgelegd. Gelet op de ernst van het feit waarvan de klager wordt verdacht, het strafblad van de klager en ondanks zijn persoonlijke omstandigheden moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de klager een onvoorwaardelijke rijontzegging zal worden opgelegd, van langere duur dan de tijd dat het rijbewijs is ingehouden. De rechtbank weegt daarbij mee dat de invordering gelet op het standpunt van de officier van justitie binnenkort zal eindigen.* Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard. Beslissing De rechtbank verklaart het beklag ongegrond. *Na de behandeling in raadkamer heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank gemaild dat het rijbewijs reeds op 5 februari 2026 aan de klager was terug gezonden. Deze beslissing is gegeven door mr. A.Ş. Doğan, rechter, in tegenwoordigheid van G. Jenuwein, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de klager en het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, voor het Openbaar Ministerie binnen veertien (14) dagen en voor de klager binnen veertien (14) dagen na de betekening van deze beslissing.