Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-16
ECLI:NL:RBAMS:2026:2810
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/784054 / KG ZA 26-139 SP/BB Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 16 maart 2026 in de zaak van [eiser] , procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. L.F.B.M. Peeters, tegen [school] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: de School, gemachtigde: mr. C.P.F. France. Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam. De zaak wordt behandeld door mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch als griffier. Aanwezig zijn: - [eiser] met mr. Peeters; - aan de zijde van de School: drs. [naam] ( [functie] ) met mr. France. 1 De procedure 1.1. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. De School heeft dat gedaan aan de hand van een voorafgaand aan de zitting ingediend verweerschrift. [eiser] heeft producties en een pleitnota in het geding gebracht. 1.2. De voorzieningenrechter heeft mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 17 maart 2026 aan partijen is afgegeven. 2 De inleiding 2.1. [eiser] is de vader van [minderjarige] , die in klas 4 VWO van de School zit. 2.2. De School organiseert als onderdeel van haar bevorderingsbeleid elk jaar een zogenoemde Zomerschool om leerlingen die volgens de regels zouden blijven zitten toch over te laten gaan. De Zomerschool vindt plaats op de twee laatste dagen van het schooljaar (donderdag en vrijdag), de aansluitende weekenddagen en de dinsdag tot en met vrijdag van de eerste week van de zomervakantie (in totaal dus op acht dagen). 2.3. In het schoolreglement is onder artikel 13.5 over de Zomerschool het volgende opgenomen: ‘Bij een onvoorwaardelijke bevordering kan de docentenvergadering wanneer de prestaties daar aanleiding toe geven, ter ondersteuning voor een of twee vakken extra leer- of maakwerk aan de leerling opdragen voor in de zomervakantie. Wanneer de school hier ondersteuning bij aanbiedt, is de leerling verplicht daarvan gebruik te maken, behoudens zwaarwegende omstandigheden.’ 2.4. [minderjarige] heeft, onder protest van [eiser] , bij zijn overgang van 3 VWO naar 4 VWO deelgenomen aan de Zomerschool. 2.5. [eiser] vordert, samengevat, om de School op straffe van een dwangsom te verbieden [minderjarige] te verplichten aanwezig te zijn bij lessen tijdens de wettelijk of door de School vastgelegde schoolvakanties en consequenties te verbinden aan afwezigheid bij die lessen, met veroordeling van de School in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 2.6. De School voert verweer. 2.7. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling ingegaan. 3 De beoordeling 3.1. Ter beoordeling staat of het de School vrijstaat om [minderjarige] te verplichten deel te nemen aan de Zomerschool, die deels plaatsvindt in de zomervakantie. Volgens artikel 13.5 van het schoolreglement van de School mag de School bij een onvoorwaardelijke bevordering van een leerling die verplichting opleggen. 3.2. [eiser] meent dat de School dit niet verplicht kan stellen. Daartoe voert hij aan dat de verplichting om de volgende redenen niet rechtsgeldig kan worden opgelegd: een onvoorwaardelijke bevordering met een dergelijke verplichting kent geen grondslag in de wet; een verplichting tot aanwezigheid in de zomervakantie is in strijd met de regels en het systeem van de Wet Voortgezet Onderwijs 2020 (WVO 2020) en het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, de Leerplichtwet 1969 en de bedoeling van de wetgever dat schoolvakanties daadwerkelijk vrije tijd zijn; de Zomerschool in de huidige vorm is in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW) en de betamelijkheidsnorm (artikel 6:162 BW). 3.3. Volgens [eiser] handelt de School in strijd met de zogenoemde fictieve onderwijsovereenkomst, dan wel onrechtmatig door de verplic