Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-18
ECLI:NL:RBAMS:2026:2797
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-318004-25 Datum uitspraak: 18 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 12 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 november 2025 door het Parket van de Procureur des Konings Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, advocaat te Breda. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank van 14 januari 2025, met rolnummer 22D002134. Het EAB onder c) vermeldt dat aan de opgeëiste persoon een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren is opgelegd, met onmiddellijke aanhouding. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 februari 2026 blijkt echter dat er door de opgeëiste persoon hoger beroep in gesteld tegen dit vonnis en dat dit beroep op 14 april 2026 behandeld zal worden ter zitting. Daarmee stelt de rechtbank vast dat de overlevering niet langer ziet op de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde van 14 januari 2025, maar op de (verdere) vervolging van de opgeëiste persoon ter zake van de in het EAB onder e) vermelde feiten. Het vonnis is derhalve niet onherroepelijk, maar aan het EAB ligt wel een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing ten grondslag (de beslissing tot onmiddellijke aanhouding) en de rechtbank zal dit EAB dan ook verder behandelen als een EAB tot vervolging van de opgeëiste persoon. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft im De pleegdatum zoals genoemd in de Nederlandse strafzaak valt binnen de algemene pleegperiode zoals omschreven in het EAB. Daarnaast komt ook de pleegplaats (Hulst) overeen met de pleegplaats zoals omschreven in het EAB (Nederland) en gaat het in beide gevallen om (onder meer) bezit van verdovende middelen. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de opgeëiste persoon voor de feiten 2 en 3 een taakstraf van 100 uren en een gevangenisstraf van één dag opgelegd. De opgeëiste persoon heeft de opgelegde taakstraf en de gevangenisstraf blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) reeds ondergaan. De rechtbank kan, vanwege de in het EAB genoemde pleegperiode en pleegplaats, niet met voldoende mate van zekerheid uitsluiten dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de opgeëiste persoon niet tevens wil vervolgen voor een feit waarvoor hij in Nederland al is veroordeeld. Om die reden zal de rechtbank de overlevering op grond van artikel 9, tweede lid, OLW partieel weigeren, namelijk voor het vervolgen van de opgeëiste persoon voor het op 28 november 2020 te Hulst aanwezig hebben van een (totale) hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj en/of hennep. Anders dan door de officier van justitie betoogd, gaat het in artikel 9, tweede lid, onder b, sub 1, OLW niet om een facultatieve weigeringsgrond, zodat haar betoog niet op gaat. In zoverre zal de rechtbank de overlevering partieel moeten weigeren. Voor het overige staat artikel 9 OLW niet aan de overlevering in de weg. 7 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 27 februari 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechts