Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-17
ECLI:NL:RBAMS:2026:2750
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,321 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2750 text/xml public 2026-03-23T12:23:53 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-17 13-252681-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2750 text/html public 2026-03-23T12:23:31 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2750 Rechtbank Amsterdam , 17-03-2026 / 13-252681-25 Vervolgings EAB uit België. Artikel 11 OLW: met de verstrekte individuele is het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weggenomen. Overlevering toestaan RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-252681-25 Datum uitspraak: 17 maart 2025 UITSPRAAK op de vordering van 13 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2025 door de rechtbank van eerste aanleg Brussel, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag 1] 2002 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , nu gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Z. Badrane, advocaat in Rotterdam, die waarneemt voor zijn kantoorgenoot, mr. L.A.R. Newoor. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2. Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt het bevel tot aanhouding bij verstek van 18 september 2025 uitgaande van de onderzoeksrechter bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel (België). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. Het Parket van de procureur des Konings Halle – Vilvoorde, Georganiseerde Internationale Criminaliteit heeft op 4 februari 2026 de volgende garantie gegeven: “Verwijzend naar het Europees aanhoudingsbevel inzake het onderzoeksdossier 2025/0142 (…) betreffende: [de opgeëiste persoon] (geboren op [geboortedag 2] -2002) Kan ik u met toepassing van artikel 5.2 (de rechtbank begrijpt dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat hiermee wordt bedoeld artikel 5.3 ) van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ de garantie verstrekken dat de opgeëiste persoon zal worden teruggezonden naar Nederland als uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel in België zal worden opgelegd.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 12 februari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Haren indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren.
Volledig
De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2026 – nieuwsberichten, een open brief van de directeur gevangeniswezen en het rapport van The European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 9 november 2022 op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Gelet op de overbevolking in de Belgische detentie-instellingen in het algemeen en in die van Haren in het bijzonder, waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten heeft aangenomen, zijn er gegronde redenen om te twijfelen of de verstrekte garantie nog wel kan worden nagekomen. Daarom moeten hierover vragen worden gesteld aan de Belgische autoriteiten. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten nadere vragen te stellen over de verstrekte detentiegarantie. De raadsman heeft verzocht de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon te schorsen indien de rechtbank de behandeling van de zaak aanhoudt voor het stellen van nadere vragen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgaan van de geboden garantie. Deze garantie neemt het algemeen gevaar, dat door de rechtbank is aangenomen, voor de opgeëiste persoon weg. Er zijn geen feiten en omstandigheden bekend dat detentiegaranties in België in het algemeen structureel niet worden nageleefd of dat specifiek in de detentie-instelling in Haren de detentiegarantie niet kan worden nageleefd. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. Oordeel van de rechtbank Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen. De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De nieuwsberichten en de open brief van de directeur gevangeniswezen, waarnaar door de raadsman is verwezen vormen een bevestiging van het vastgestelde algemene gevaar. De rechtbank overweegt verder dat deze zaak verschilt van de zaak die door de raadsman is aangehaald, omdat de rechtbank in die zaak beschikte over gegevens waaruit bleek dat in de betreffende detentie-instelling (Mechelen) sprake was van een zeer grote mate van overbevolking door een bezettingsgraad van 185,7%. De zorgen daarover werden bovendien onderschreven door destijds recente uitlatingen van de gevangenisdirecteur van de betreffende detentie-instelling. Weliswaar beschikt de rechtbank ook ten aanzien van de detentie-instelling in Haren over een interview waarin de directeur van de detentie-instelling zijn zorgen uit over de gevolgen van de overbevolking, maar de rechtbank beschikt niet over objectieve gegevens waaruit blijkt dat de bezettingsgraad in Haren vergelijkbaar is met de bezettingsgraad in Mechelen. Bovendien zien de zorgen van de directeur op het reeds vastgestelde algemene gevaar. Er zijn kortom niet voldoende objectieve gegevens op grond waarvan aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie kan worden getwijfeld. De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke schorsingsverzoek van de raadsman. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de rechtbank van eerste aanleg Brussel, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. D.L.S. Ceulen en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 maart 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG813124880169FÈ G813124880169 Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. ECLI:NL:RBAMS:2026:999 Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.