Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-07
ECLI:NL:RBAMS:2026:275
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-262312-25 Datum uitspraak: 7 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 september 2025 door de Rădăuți Court, Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] (Roemenië), inschrijvingsadres in de basisregistratie personen: [BRP-adres] , thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen) enkelvoudig gesloten en direct uitspraak gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van de Radauti Court van 10 mei 2024 met kenmerk No. 363, in hoger beroep beoordeeld in het arrest van het Suceava Court of Appeal van 21 juli 2025 met kenmerk No. 841. Uit het EAB blijkt dat bij dit vonnis en arrest ook de tenuitvoerlegging is bevolen van een (gedeelte van een) straf die is opgelegd bij een vonnis van de Regional Court of Prague van 16 mei 2011 met kenmerk 1T25/2011. Uit de aanvullende informatie van 16 december 2025 blijkt in deze zaak in hoger beroep is geoordeeld in een arrest van the High Court in Prague van 31 augustus 2011 met kenmerk 8 To 74/2011. Deze Tsjechische straf is – zo blijkt uit het EAB – bij criminal sentence van the Bucharest Court of Appeal van 5 juli 2012 overgenomen om verder ten uitvoer gelegd te worden in Roemenië. Ook blijkt uit het EAB dat de opgeëiste persoon – na een gedeelte van de straf van 10 jaar te hebben uitgezeten – op 23 mei 2017 voorlopig in vrijheid is gesteld. Bij vonnis en arrest van de Roemeense instanties is deze voorlopige invrijheidsstelling herroepen. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en vier maanden plus 1281 dagen door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van het Suceava Court of Appeal . Het betreft een straf van 1 jaar en 4 maanden voor feiten, beoordeeld door het Suceava Court of Appeal , alsook het restant van de straf van 10 jaar die aan opgeëiste persoon was opgelegd door de Regional Court of Prague , in hoger beroep beoordeeld door the High Court in Prague en waarvan dus alsnog de tenuitvoerlegging van het restant van 1281 dagen is bevolen. Deze arresten betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. Standpunt van de raadsman De raadsman voert aan dat de grondslag van het EAB niet juist is, omdat het arrest van de Suceava Court of Appeal van 21 juli 2025 niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is. Het arrest is namelijk nog niet onherroepelijk. De opgeëiste persoon heeft verzet aangetekend tegen het arrest van 21 juli 2025 met kenmerk 2677/285/2022 en dit verzet wordt op 19 januari 2026 behandeld. Ter onderbouwing heeft de raadsman een (officiële vertaling van een) oproep van de opgeëiste persoon voor een zitting van de Suceava Court of Appeal van 26 november 2025 Op grond van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 november 2025 en het daarbij overgelegde d-formulier, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 18 oktober 2024, 17 januari 2025 en 24 maart 2025 in persoon is gedagvaard, daarbij op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen als hij niet verschijnt. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij oproepen heeft ontvangen is dan ook onvoldoende. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. 3.1.2. Ten aanzien van het vonnis van de Regional Court in Prague van 16 mei 2011 en het arrest van the High Court in Prague van 31 augustus 2011 met kenmerk 8 To 74/2011. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft geen standpunt ingenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep getoetst moet worden aan de vereisten van artikel 12 OLW omdat het arrest onherroepelijk is en in cassatie niet geoordeeld is over schuld en/of straf. De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij dat proces in hoger beroep, dus de weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Bij mailbericht van 16 december 2025 heeft de Assistant to the National Member for the Netherlands van Eurojust de volgende informatie verstrekt: "On behalf of Pavel Zeman, I hereby inform you that the judgment of the Regional Court in Prague, dated May 16, 2011, file number 1 T 25/2011, was delivered to the convicted person, who also personally attended the trial in which the judgment of the Regional Court in Prague, file no. 1 T 25/2011, was announced. Then [opgeëiste persoon] appealed against this decision. This appeal was rejected by a decision of the High Court in Prague dated August 31, 2011, file number 8 To 74/2011. The convicted person filed an extraordinary appeal against this decision which was rejected by a decision of the Supreme Court of the Czech Republic dated January 24, 2012, file number 7 Tdo 18/2012." Bij mailbericht van 17 december 2025 van dezelfde instantie is hier nog het volgende aan toegevoegd: “Sub 1. Indeed the decision of High Court 8 To 74/2011 cannot be further appealed by an ordinary appeal. In this respect the decision is final. […] Sub 3. I will quote our reply from yesterday (which is based on annex D): “I hereby inform you that the judgment of the Regional Court in Prague, dated May 16, 2011, file number 1 T 25/2011, was delivered to the convicted person , who also personally attended the trial in which the judgment of the Regional Court in Prague, file no. 1 T 25/2011, was announced. Then [opgeëiste persoon] appealed against this decision. This appeal was rejected by a decision of the High Court in Prague dated August 31, 2011, file number 8 To 74/2011.” Thus indeed, he attended the trial. De rechtbank stelt op basis van deze informatie vast dat de procedure in hoger beroep, bij the High Court in Prague getoetst moet worden aan artikel 12 OLW nu door deze instantie als laatste over schuld en straf is geoordeeld. Uit deze informatie volgt ook dat de opgeëiste persoon zowel op de zittingen in eerste aanleg, als in hoger beroep, aanwezig is geweest. Dit is door de opgeëiste persoon op de zitting bovendien nadrukkelij