Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:2649
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,231 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2649 text/xml public 2026-03-31T17:52:16 2026-03-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-06 11631062 \ CV EXPL 25-5368 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Tussenuitspraak NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2649 text/html public 2026-03-31T17:51:27 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2649 Rechtbank Amsterdam , 06-03-2026 / 11631062 \ CV EXPL 25-5368 Tussenvonnis. Eiseres krijgt de gelegenheid om per factuur toe te lichten uit welke specifieke correspondentie die is voortgekomen. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11631062 \ CV EXPL 25-5368 Vonnis van 6 maart 2026 (bij vervroeging) in de zaak van de vennootschap onder firma V.O.F. [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eiseres, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: Bosveld Gerechtsdeurwaarders & Incasso’s B.V., tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] B.V. (H.O.D.N. [handelsnaam] ) , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J. Ruijs. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 12 september 2025 en de daarin genoemde stukken, - de akte uitlating nader bewijs van [eiseres] , met producties, - de akte reactie op uitlating nader bewijs van [gedaagde] . 1.2. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken. 2 De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis van 12 september 2025 heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen te bewijzen dat zij met [gedaagde] één of meer overeenkomsten heeft gesloten die strekte(n) tot de door haar aan [gedaagde] gefactureerde leveringen van producten. 2.2. [eiseres] heeft daarop bij akte een grote hoeveelheid WhatsApp-correspondentie (productie 9) en bankafschriften (productie 10) overgelegd. Volgens haar kan met name aan de hand van die Whatsapp-correspondentie het bestaan van de hiervoor bedoelde overeenkomst(en) worden vastgesteld. 2.3. In reactie op de akte van [eiseres] heeft [gedaagde] erop gewezen dat uit de door [eiseres] overgelegde WhatsApp-correspondentie volgt dat is gecommuniceerd met contacten die zijn aangeduid als “ [contactnaam 1] ” en “ [contactnaam 2] ”. [gedaagde] betwist dat deze personen [gedaagde] konden vertegenwoordigen. Volgens [gedaagde] heeft zij ook niet de schijn bij [eiseres] gewekt dat deze personen bevoegd waren haar te vertegenwoordigen. [gedaagde] meent dat de inhoud van deze WhatsApp-correspondentie daarom niet als bewijs kan dienen voor de door [eiseres] gestelde overeenkomst(en). 2.4. De kantonrechter overweegt als volgt. 2.5. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij zaken met elkaar hebben gedaan in de zin dat [gedaagde] bestellingen voor de levering van producten bij [eiseres] heeft geplaatst. Dit heeft [gedaagde] immers erkend. [gedaagde] betwist dat zij de bestellingen heeft geplaatst die op de facturen staan waarvan [eiseres] in deze procedure betaling vordert. 2.6. In het tussenvonnis van 12 september 2025 is onder 2.3 reeds vastgesteld dat tussen [eiseres] en ( [persoon] ) [gedaagde] is gecorrespondeerd over de openstaande facturen en de betaling hiervan. Omdat verder niet in geschil is dat bestellingen door [gedaagde] telefonisch werden gedaan, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om in het kader van haar betwisting aan te voeren met welk telefoonnummer dan wel met [eiseres] werd gecommuniceerd. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. 2.7. Bij deze stand van zaken houdt de kantonrechter het ervoor dat de WhatsApp-correspondentie die [eiseres] heeft overgelegd, ziet op bestellingen die zijn geplaatst door [gedaagde] . 2.8. [eiseres] heeft evenwel niet per factuur toegelicht uit welke specifieke (WhatsApp-)correspondentie die is voortgekomen. Hiertoe is zij op grond van de zogeheten wegwijsplicht wel gehouden (zie ECLI:NL:HR:2017:404). De kantonrechter ziet aanleiding om [eiseres] hiertoe alsnog de kans te geven – en om [gedaagde] hierop te laten reageren, zodat in deze zaak zoveel mogelijk recht kan worden gedaan aan de feitelijke situatie. [eiseres] krijgt de gelegenheid om voornoemde toelichting op de rol van 3 april 2026 bij akte te geven, waarna [gedaagde] de gelegenheid krijgt om daarop op de rol van 1 mei 2026 bij antwoordakte te reageren. 2.9. In afwachting van de hiervoor bedoelde aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. verwijst de zaak naar de rol van 3 april 2026 voor akte uitlating van [eiseres] met het hiervoor in 2.8 omschreven doel, 3.2. verwijst de zaak naar de rol van 1 mei 2026 voor antwoordakte van [gedaagde] , 3.3. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. Groot, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.