Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-10
ECLI:NL:RBAMS:2026:2642
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/042569-26 (EAB III) Datum uitspraak: 10 maart 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 11 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2025 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Polen), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 24 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court for Warsawa-Wola in Warsaw van 21 juni 2023 met kenmerk III K 1350/21, gewijzigd met het arrest van the Regional Court in Warsaw van 12 oktober 2023 met kenmerk X Ka 867/23. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. In onderdeel e) van het EAB is het derde strafbare feit als volgt omschreven: “On 26th August, 2021, in Warsaw at [adres 1] , in a car Audi A3 reg. no [nummer] , in concert with a determined person, he possessed some intoxicants such as cannabis other than fibrous of the weight of 41,84 gram.” In de zaak met parketnummer 13/347413-25 is op 2 september 2025 een EAB uitgevaardigd dat strekt tot de overlevering van de opgeëiste persoon (EAB I). EAB I beschrijft in onderdeel e) het strafbare feit als volgt: “On 26 August 2021, in Warsaw at [adres 1] in a car, an Audi A3 registration no. [nummer] , jointly and in concerned with another identified person, he was in possession of, in violation of the provisions of the Law on the prevention of drug abuse, a narcotic drug of non-fibrous cannabis in the volume of 41.095 grams.” Het Openbaar Ministerie heeft op 22 januari 2026 de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: "We have previously received and started processing an EAW issued by you on 02-09-2025, reference number VIII Kop 149/25, which includes one of the criminal acts that is also mentioned in the EAW of 30-10-2025, namely the possession of cannabis on 26-08-2021 in Warsaw. Could you please inform us of the connection between these two EAW’s? Does the EAW of 30-10-2025 replace the one of 02-09-2025?" Bij e-mailbericht van 23 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt: "In response to your inquiry dated 22.01.2026, I would like to kindly inform you that three European Arrest Warrants have been issued against convicted [de opgeëiste persoon] : 1. Reference number VIII Kop 149/25 issued on 02.09.2025 2. Reference number VIII Kop 249/25 issued on 30.10.2025 3. Reference number VIII Kop 161/25 issued on 25.08.2025 The basis for issuing each of these Hoe verhouden enerzijds de procedure met kenmerk IV K 1464/23 en het bijbehorende feit in onderdeel e) van EAB I, en anderzijds de procedure met kenmerk III K 1350/21 en het derde feit in onderdeel e) van EAB III zich tot elkaar? Zien deze procedures op hetzelfde strafbare feit van 26 augustus 2021? 2. Indien het om hetzelfde strafbare feit gaat, hoe verhouden de in EAB I en in EAB III opgelegde gevangenisstraffen zich tot elkaar? Is er sprake van een dubbele bestraffing voor hetzelfde feit? 3. Indien het niet gaat om hetzelfde strafbare feit, hoe verhoudt de vernietiging van het vonnis in de procedure met kenmerk III K 1350/21 waar in de aanvullende informatie van 17 februari 2026 over wordt gesproken ( ‘the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23’) zich dan tot het derde feit in onderdeel e) van EAB III. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Naar aanleiding van vragen van het Openbaar Ministerie van 10 februari 2026 heeft the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw [Sad Rejonowy dla Warszawy-Woli], VII Decision Enforcement Division op 17 februari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “Our reference number VIII Kop 149/25, IV K 1464/23 (…) The case ref. no IV 1464/23 was registered under that number as the Regional Court while recognizing the appeal against the judgment in the case ref. no III K 1350/21 under the reference number X Ka 867/23, regarding the offence of 26th August, 2021 (…), reversed it to be re-examined. During the examination of the case regarding this offence the convict did not receipt the correspondence addressed at him that returned with a note of being notified twice at the address provide by him in the course of the proceedings (…) The convict was instructed in the whole course of the proceedings about his rights and obligations (…) He was also instructed that in case of the failure to make the receipt of the correspondence the court could continue the proceedings in his absentia and the court could issue a judgment. The convict was instructed as well that he should provide a new address of his stay if there occurred any change of his address of residence. Such instructions were given to the convict in the preparatory procedure and he also obtained them in person during the court proceedings together with the indictment act sent to him. In the course of the proceedings in the case ref. no. III K 1350/21, he participated actively, participated in the court hearings and during the inter-instance procedure. The convict being aware about the pending court proceedings did not provide any other address of his stay, and moreover, he failed to make receipt of the correspondence addressed at him about the date and time of the trial with regard to the reversal of the judgment in the case under the reference number III K 1350/21 in relation to one offence that was separated to the individual case ref. no IV K 1464/23. Therefore, the convict was fully aware of the obligations regarding the receipt of the correspondence and providing his residence address if he changed his place of stay.” Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 18 februari 2026 aanvullende vragen gesteld, waarop the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw [Sad Rejonowy dla Warszawy-Woli], VII Decision Enforcement Division op 19 februari 2026 het volgende heeft geantwoord: "Our reference number VIII Kop 149/25, IV K 1464/23 (III K 1350/21) (…) Regarding the case ref. no III K 1350/21 the convict was instructed about the address issues and his obligation to inform about its change both in the course of the preparatory, pre-trial proceedings and the court proceedings as well. The instructions about this obligation was receipted by De rechtbank wil weten of: - de opgeëiste persoon ten aanzien van het strafbare feit van 26 augustus 2021 opnieuw is gehoord; - de opgeëiste persoon voorafgaand aan de berechting van het strafbare feit van 26 augustus 2021 (opnieuw) een adresinstructie heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. 5 Artikel 11 OLW 5.1 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon een eerlijk proces van een onafhankelijke en onpartijdige rechter in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehad. De raadsman heeft op 19 februari 2026 per e-mail aan het Openbaar Ministerie verzocht om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. over de benoemingsprocedure van de betrokken rechters, de eventuele betrokkenheid van de huidige KRS en of tegen deze rechters disciplinaire procedures aanhangig zijn geweest of dat zij hebben gefunctioneerd binnen kamers waarvan de onafhankelijkheid onderwerp is geweest van Europese rechtsstatelijke procedures. Deze vragen heeft het Openbaar Ministerie niet gesteld. Zonder deze informatie kan geen individuele toets plaatsvinden aan artikel 47 Handvest . Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het stellen van vragen over de rechterlijke onafhankelijkheid, omdat dit niet tot de taak van het Openbaar Ministerie behoort. In andere Poolse overleveringszaken is dit ook niet gebeurd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat door of namens de opgeëiste persoon geen elementen zijn aangevoerd waaruit blijkt – noch die doen vermoeden dat – voornoemde structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. Anders dan de raadsman stelt, is het aan de opgeëiste persoon om deze elementen aan te voeren en te onderbouwen. In verband met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat door de verdediging niet is aangetoond dat sprake is van een individueel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Daarom bestaat er geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. Artikel 11 OLW staat ten aanzien van de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsstaat niet aan de overlevering in de weg. 5.2 Poolse detentieomstandigheden Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende duidelijk en concreet is waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden. Onbekend is wat de minimale leefruimte per gedetineerde is, hoeveel personen op een cel worden geplaatst en of de opgeëiste persoon toegang heeft tot medische zorg. Daardoor kan het tweede deel van de tweestappentoets, die de rechtbank naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient uit te voeren, niet plaatsvinden. Er kan dan ook niet worden vastgesteld in hoeverre de opgeëiste persoon in detentie zal worden blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling in strijd met artikel 4 Handvest. De overlevering kan niet worden toegestaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat zij in eerder