Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-10
ECLI:NL:RBAMS:2026:2634
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/336995-25 (EAB I) Datum uitspraak: 10 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 12 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 augustus 2018 door Sąd Okręgowy w Lublinie , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 5 februari 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB aangehouden tot de zitting van 24 februari 2026 om de officier van justitie de gelegenheid te bieden vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de reden van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf die aan de opgeëiste persoon was opgelegd. Zitting van 24 februari 2026 Op deze zitting heeft de voortzetting van de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een vonnis van the District Court Lublin-Wschód in Lublin, with the seat in Świdnik , van 18 september 2012 met kenmerk III K 909/12 (hierna: vonnis I); een vonnis van the District Court Lublin-Wschód in Lublin, with the seat in Świdnik , van 16 november 2016 met kenmerk III K 965/15 (hierna: vonnis II). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd in vonnis I voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. Daarnaast wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf opgelegd in vonnis II voor de duur van tien maanden, ook door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 29 dagen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1 Inleiding Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie op 28 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 2 februari 2026 de volgende informatie verstrekt: “1. With regard to case file reference no. II K 965/15: (…) the judgment of 16th November 2016 concerning [de opgeëiste persoon] became final and binding on the date 17th December 2016 and is no longer subject to appeal by ordinary legal remedies. [de opgeëiste persoon] in the course of the preparatory proceedings, during his interview as a suspect on 26th June 2015, was informed of his obligation to notify the authority conducting the proceedings of any change of residence (change of correspondence address), the obligation to appear whenever summoned by the authority conducting the proceedings, as well as Uit de aanvullende informatie van 2 en 17 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in beide onderliggende zaken een adresinstructie heeft ontvangen, deze persoonlijk heeft ondertekend en is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. Uit de aanvullende informatie van 17 februari blijkt dat de straf in vonnis I aanvankelijk voorwaardelijk was opgelegd. Deze voorwaardelijk straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf in verband met het niet naleven van een gestelde voorwaarde, namelijk het betalen van een geldboete. Deze beslissing betreft een kale omzettingsbeslissing die niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. 4.4 Oordeel van de rechtbank 4.4.1 Vonnis I (III K 909/12) De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van 2 en 17 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure een adres heeft opgegeven voor het ontvangen van officiële correspondentie en is geïnformeerd over zijn verplichting om een adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten en over de consequenties van het niet naleven van deze verplichting. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 17 februari 2026 blijkt verder dat dat de oproep voor de zitting naar het adres is gestuurd dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven, dat op dat adres twee keer een afhaalbericht is achtergelaten en dat de opgeëiste persoon de oproep niet heeft afgehaald. Bovendien vermeldt de aanvullende informatie van 17 februari 2026 dat de opgeëiste persoon op 18 maart 2012, de dag van zijn verhoor door de politie, heeft ingestemd met het voorstel van de officier van justitie om een voorwaardelijke straf op te leggen onder de voorwaarde van het betalen van een geldboete. Voornoemde omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Blijkens de aanvullende informatie van 17 februari 2026 is de vrijheidsstraf aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the District Court (Sąd Rejonowy) Lublin-Wschód in Lublin with a seat in Świdnik van 1 september 2016 met kenmerk III Ko 1974/16, is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 1 september 2016 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De rechtbank stelt voorts vast dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf niet het gevolg is geweest van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan vonnis I. 4.4.2 De opgeëiste persoon heeft over de jaren 2021 tot en met 2024 aanslagen Inkomstenbelasting van de Belastingdienst overgelegd waaruit zijn inkomen over die jaren blijkt. De opgeëiste persoon heeft voorts gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen overgelegd waarin is vermeld hoeveel uren hij vanaf 2017 in Nederland heeft gewerkt, wie zijn werkgevers zijn geweest en welk inkomen hij maandelijks heeft verdiend. Voorts heeft de opgeëiste persoon meerdere arbeidsovereenkomsten verstrekt en staat hij vanaf 14 maart 2019 ingeschreven in de Basisregistratie personen. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van deze stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. Tweede voorwaarde Uit de brief van 17 februari 2026 van de Immigratie en Naturalisatiedienst volgt dat de strafrechtelijke feiten waarvoor de opgeëiste persoon in beide vonnissen is veroordeeld er niet toe kunnen leiden dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland verliest. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. 6.2. Samenhang met de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW 6.2.1 Standpunt van de partijen Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de tenuitvoerleggingstermijn van vonnis II inmiddels naar Nederlands recht is verjaard. 6.2.2 Oordeel van de rechtbank Overlevering van de opgeëiste persoon kan op basis van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatshebben. Er is sprake van een zekere samenhang tussen de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6a OLW en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW omdat, vanwege de gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander, is voldaan aan het rechtsmacht vereiste. Dat vereiste is een voorwaarde voor toepassing van de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Verder is verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf een factor die in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW moet worden getoetst bij de beoordeling of de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen in verband met hetgeen is opgenomen in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW. Deze verjaring komt als voorwaarde ook terug in de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. De rechtbank zal in verband met het voorgaande beoordelen of verjaring naar Nederlands recht van het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd in vonnis II aan de orde is alvorens te beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. 6.3 Verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn De rechtbank stelt vast dat het recht op tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd in vonnis II naar Nederlands recht is verjaard op 17 november 2024. De rechtbank is daarom op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW bevoegd om de overlevering voor dit vonnis te weigeren. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de tenuitvoerleggingstermijn naar Nederlands recht vrij recent is verjaard en dat binnen de Europese justitiële samenwerking zwaar gewicht toekomt aan het voorkomen van straffeloosheid. Daarnaast is het in het belang van de opgeëiste persoon om zijn sociale re-integratie in Nederland te laten plaatsvinden. Weigering van de overlevering op