Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-12
ECLI:NL:RBAMS:2026:2580
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-027041-26 Datum uitspraak: 12 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 5 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 januari 2026 door de advocaat-generaal bij het hof van Beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BPR-adres] , nu (uit anderen hoofde) gedetineerd in de [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. G. van der Meer, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, kamer C5 in correctionele zaken, dd 21/01/2026, met referentienummers 2025/CO/680, 2022/PGA/2448 en 2025/VJ11797 . Uit deze (bij het EAB gevoegde) beslissing blijkt dat het gaat om een bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon teneinde hem, door tenuitvoerlegging van een door het Parket bij het Hof van beroep te Antwerpen uit te vaardigen EAB, aanwezig te laten zijn bij de behandeling van het hoger beroep in de Belgische strafzaak op 18 maart 2026. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 5 Artikel 9 OLW: Nederlandse strafvervolging Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een deel van de pleegperiode en voor een deel van de tenlastegelegde stoffen sprake is van een strafvervolging in Nederland als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanleg en onder a, OLW. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt dus deels verzocht voor dezelfde (soort) feiten als waarvoor hij op dit moment in Nederland wordt vervolgd. In België wordt de opgeëiste persoon onder meer vervolgd voor de invoer van de verdovende middelen en psychotrope stoffen. In Nederland wordt hij onder meer vervolgd ter zake van het, in strijd met de Geneesmiddelenwet, verkopen en afleveren, dus de facto ook de uitvoer uit Nederland en invoer in België van dezelfde stoffen. Hierdoor is er sprake van feitelijke overlap. Daarnaast blijkt dat er inmiddels een aangepaste concepttenlastelegging is opgesteld in de Nederlandse strafzaak. Uit deze nieuwe concepttenlastelegging blijkt dat tal van stoffen in de Nederlandse tenlastelegging zijn opgenomen (artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht en Geneesmiddelenwet), terwijl deze stoffen, blijkens het vonnis van de Belgische rechtbank, tevens onderdeel uitmaken van de strafvervolging in België (Drugwet). Dat in de nieuwe concepttenlastelegging de uitvoer vanuit Nederland niet is opgeno De Advocaat-generaal bij het Parket-generaal Antwerpen heeft op 10 februari 2026 de volgende garantie gegeven: “Bij deze lever ik de garantie dat, in het geval [opgeëiste persoon] in België onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, dat hij deze straf in Nederland mag ondergaan.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 7 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat bij brief van 10 februari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende de opgeëiste persoon betreffende detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden ? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” Standpunten van de raadsman en de officier van justitie De raadsman en de officier van justitie hebben ten aanzien van de detentieomstandigheden in België en de verstrekte detentiegarantie geen standpunten ingenomen. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belg