Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:2538
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,042 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2538 text/xml public 2026-03-31T15:14:38 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-06 AWB 24/6202 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2538 text/html public 2026-03-25T11:41:55 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2538 Rechtbank Amsterdam , 06-03-2026 / AWB 24/6202 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verklaring omtrent het gedrag (VOG). RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/6202 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. O. Saaliti), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verklaring omtrent het gedrag (VOG). 1.1. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 5 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 september 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder waren daarbij aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser voor een VOG op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag om een VOG in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Besluitvorming 4. Op 21 maart 2024 heeft eiser verzocht om een VOG voor de aanvraag van een chauffeurskaart bij Kiwa Register B.V.. Bij brief van 2 april 2024 heeft verweerder eiser medegedeeld voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft op 12 april 2024 een zienswijze ingediend. Vervolgens heeft verweerder met het primaire besluit de afgifte van de VOG geweigerd. Eiser heeft op 11 juli 2024 bezwaar ingediend en op 23 juli 2024 is er via een telefonische verbinding een hoorzitting gehouden. 4.1. Verweerder is met het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) blijkt dat over eiser meerdere strafbare feiten zijn vermeld binnen de terugkijktermijn van vijf jaar. Het gaat daarbij – samengevat – om de volgende feiten: 3 juni 2023 ; rijden onder invloed. Deze zaak staat nog open. 18 november 2023 ; overschrijden van de maximumsnelheid. Deze zaak staat nog open. Strafbeschikking van 23 februari 2023 ; onverzekerd rijden; geldboete € 650,-. Veroordeling op 28 maart 2023 ; rijden onder invloed op 11 december 2020; met verkeersongeval. Taakstraf(fen) (deels voorwaardelijk) en ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 dagen. Veroordeling op 2 september 2020 ; rijden onder invloed; geldboete € 400,-. Strafbeschikking van 5 maart 2020 ; onverzekerd rijden; geldboete € 600,-. Strafbeschikking van 19 juli 2019 ; niet opvolgen van een aanwijzing, geldboete € 380,- Ook buiten de terugkijktermijn is gebleken dat eiser in de periode van 2010 tot en met 2019 strafbare feiten heeft gepleegd: twee gevallen van belediging van een ambtenaar in functie en vijf gevallen van rijden onder invloed. 4.2. Op grond van de in het JDS aangetroffen feiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze feiten, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor eiser de VOG heeft aangevraagd (het objectieve criterium). Verweerder meent verder dat het belang van bescherming van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij de afgifte van de VOG (het subjectieve criterium). Beoordeling door de rechtbank Objectieve criterium 5. Gelet op hetgeen ter zitting is besproken, is niet langer in geschil dat aan het objectieve criterium is voldaan. Subjectieve criterium 6. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder op basis van het subjectieve criterium toch over dient te gaan tot afgifte van de VOG. In het beroepschrift en ter zitting heeft eiser deze beroepsgrond als volgt onderbouwd. Het is voor eiser niet vanzelfsprekend om aan ander passend werk te komen, omdat hij geen diploma heeft en hij ander werk dan taxichauffeur minder leuk vindt. Daardoor houdt hij andere banen niet lang vol. Eiser ontvangt een uitkering, heeft het financieel zwaar en wil daarom graag aan het werk als taxichauffeur. Eerder was hij ook taxichauffeur. De taxibranche heeft vertrouwen in hem en er zijn nooit incidenten gebeurd. Eiser geeft aan dat hij nooit een crimineel verleden heeft gehad, maar dat het na een scheiding met zijn vrouw bergafwaarts met hem is gegaan. Het gaat nu beter met hem en eiser vindt dat er voldoende tijd overheen is gegaan na het laatste incident. Het is ook goed voor zijn psychische gesteldheid om weer aan het werk te gaan als taxichauffeur. Verder is volgens eiser in de periode 2019 tot en met 2023 sprake van drie lichte vergrijpen en is hij buitenproportioneel benadeeld door de veroordeling van 28 maart 2023, omdat het strafbare feit op 11 december 2020 is gepleegd. Het belang van een veilige samenleving wordt volgens eiser niet (zonder meer) gediend door personen met een strafblad uit de samenleving te weren. Resocialisatie en rehabilitatie dragen juist bij aan een veiligere samenleving. Er is geen sprake meer van een recidiverisico, omdat er bij eiser een bewustwordingsproces op gang is gekomen. Ook de proeftijd ten aanzien van een van de strafbare feiten is sinds 10 april 2024 verstreken zonder dat eiser zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit. Volgens eiser is evident sprake van omstandigheden op grond waarvan zijn belang bij de afgifte van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van de samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser bij de afgifte van een VOG. Verweerder heeft daarbij kunnen meewegen dat het nog te kortgeleden is dat eiser met justitie in aanraking is gekomen, namelijk op 18 november 2023, en de aard van de feiten. Anders dan eiser heeft gesteld, heeft verweerder wel degelijk rekening gehouden met het feit dat in de periode 2019 tot en met 2023 sprake was van lichte vergrijpen, maar heeft hier geen doorslaggevend gewicht aan toegekend, onder andere vanwege het feit dat eiser ook twee niet lichte straffen opgelegd heeft gekregen. Dat heeft verweerder ook mogen doen. Ook valt volgens de rechtbank niet in te zien waarom eiser buitenproportioneel wordt benadeeld door de veroordeling van 28 maart 2023, omdat verweerder bij de beoordeling is uitgegaan van de pleegdatum 11 december 2023, welke datum ook binnen de terugkijktermijn van vijf jaar valt. In het licht van alle omstandigheden is geen sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is van belang dat de omstandigheid dat de VOG is geweigerd voor de functie van taxichauffeur, niet betekent dat eiser niet op andere wijze kan (re-)integreren in de samenleving. Eiser kan andere functies vervullen waarbij de antecedenten van eiser niet direct (een te groot) risico opleveren of waarvoor een korte(re) terugkijktermijn geldt. Dat eiser het liefst taxichauffeur wil worden en andere functies minder leuk vindt, maakt dat niet anders. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat verweerder de VOG-aanvraag van eiser mocht afwijzen. Dit betekent overigens niet dat eiser in de toekomst niet opnieuw in aanmerking kan komen voor de gevraagde VOG. Het staat eiser immers altijd vrij om opnieuw een aanvraag te doen; verweerder zal dan op basis van de dan geldende omstandigheden een beoordeling moeten maken. 9.