Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:2536
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,027 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2536 text/xml public 2026-03-31T13:53:48 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-03 AWB 24/5160 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2536 text/html public 2026-03-31T13:53:08 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2536 Rechtbank Amsterdam , 03-03-2026 / AWB 24/5160 In deze zaak gaat het om het opleggen van een boete aan eiseres. Eiseres is een (afhaal)restaurant. De minister heeft aan eiseres een boete opgelegd, omdat in het (afhaal)restaurant een vreemdeling uit Indonesië werkte, die niet in het bezit was van een vergunning om te werken. Eiseres is het niet eens met de boete. Volgens eiseres valt de vreemdeling niet onder artikel 1, onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Daarnaast vindt eiseres dat de minister niet mocht uitgaan van de verklaring van de vreemdeling, omdat die aantoonbaar onjuist heeft verklaard. Tot slot vindt eiseres dat de minister geen of een lagere boete had moeten opleggen. Eiseres dacht namelijk dat de vreemdeling wél mocht werken. De vreemdeling had een Poolse verblijfsvergunning en eiseres had deze verblijfsvergunning laten vertalen door Google Translate. Google Translate gaf aan “toegang tot de arbeidsmarkt”. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Dat betekent dat de minister een boete op mocht leggen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 24/5160 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen de vennootschap onder firma [eiseres] , te [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigde: mr. N.M. Popa - de Boer). Samenvatting In deze zaak gaat het om het opleggen van een boete aan eiseres. Eiseres is een (afhaal)restaurant. De minister heeft aan eiseres een boete opgelegd, omdat in het (afhaal)restaurant een vreemdeling uit Indonesië werkte, die niet in het bezit was van een vergunning om te werken. Eiseres is het niet eens met de boete. Volgens eiseres valt de vreemdeling niet onder artikel 1, onder c, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Daarnaast vindt eiseres dat de minister niet mocht uitgaan van de verklaring van de vreemdeling, omdat die aantoonbaar onjuist heeft verklaard. Tot slot vindt eiseres dat de minister geen of een lagere boete had moeten opleggen. Eiseres dacht namelijk dat de vreemdeling wél mocht werken. De vreemdeling had een Poolse verblijfsvergunning en eiseres had deze verblijfsvergunning laten vertalen door Google Translate. Google Translate gaf aan “toegang tot de arbeidsmarkt”. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Dat betekent dat de minister een boete op mocht leggen. Procesverloop Met het besluit van 1 maart 2024 heeft de minister aan eiseres een boete opgelegd van € 12.000, - wegens overtreding van de Wav. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het besluit van 1 augustus 2024 (hierna: het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met de zaak onder zaaknummer AWB 24/7618 , op de zitting van 21 januari 2026 behandeld. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Aan de kant van eiseres is ook de heer [persoon 1] (zoon van de vennoten) verschenen. Overwegingen Juridisch kader 1. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Achtergrond 2. Op 16 november 2023 is door inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie een werkplekcontrole uitgevoerd bij de onderneming van eiseres. De inspecteurs troffen in de keuken van de onderneming een persoon (de heer [persoon 2] ) met de Indonesische nationaliteit aan. Uit onderzoek bleek dat deze persoon een vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het boeterapport van 15 januari 2024. 2.1 Met de kennisgeving van 30 januari 2024 is eiseres vervolgens op de hoogte gesteld van het voornemen haar een boete op te leggen en de inspectiegegevens openbaar te maken vanwege de geconstateerde overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Besluitvorming 3. De minister heeft vervolgens aan eiseres een boete opgelegd van € 12.000, -. Volgens de minister is sprake van grove schuld van eiseres. Daarbij is meegewogen dat eiseres al eens is beboet voor een soortgelijke overtreding en dat zij daardoor wist of behoorde te weten dat het hebben van een tewerkstellingsvergunning (hierna: twv) of een gecombineerde vergunning verblijf en arbeid (hierna: gvva) vereist is voor het laten werken van een vreemdeling. Daarom is de boete vastgesteld op 75% van het boetenormbedrag van € 8.000, -, te weten € 6.000, -. Het boetebedrag is vervolgens verhoogd met 100%, omdat sprake is van recidive van een (soortgelijke) overtreding zoals bedoeld in artikel 19d, tweede lid, van de Wav. Omdat sprake is van één overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, bedraagt de totale boete € 12.000, -. Tot slot heeft de minister besloten om de inspectiegegevens openbaar te maken. Is er sprake van een vreemdeling in de zin van de Wav? 4. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de heer [persoon 2] geen vreemdeling in de zin van artikel 1, onder c, van de Wav is. Eén van de vennoten verkeerde in de veronderstelling dat sprake was van een werknemer binnen de Europese Unie, nadat deze van de heer [persoon 2] een Poolse verblijfsvergunning te zien kreeg en deze heeft gecheckt via Google Translate. Hierbij kwam naar voren dat er sprake was van “toegang tot de arbeidsmarkt”. 5. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Voor het antwoord op de vraag wat onder een vreemdeling wordt verstaan, verwijst artikel 1, onder c, van de Wav naar de Vw 2000. Volgens artikel 1 van de Vw 2000 is een vreemdeling ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld. De heer [persoon 2] is niet in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, maar van de Indonesische nationaliteit. Verder is niet gebleken dat er een wettelijke bepaling van toepassing is op grond waarvan de heer [persoon 2] als Nederlander moet worden behandeld. Dit betekent dat de minister de heer [persoon 2] terecht heeft aangemerkt als een vreemdeling zoals bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wav. 6. Dat eiseres in de veronderstelling verkeerde dat de heer [persoon 2] met zijn Poolse verblijfsvergunning mocht werken, maakt deze conclusie niet anders. Een persoon met de nationaliteit van een land dat gelegen is buiten de Europese Economische Ruimte (EER) heeft niet zonder meer recht op de vier vrijheden van de interne markt van de EER. Zo’n persoon kan dus niet zonder meer het recht op vrij verkeer uitoefenen om binnen de EER te kunnen werken. 7. Omdat de heer [persoon 2] kon worden aangemerkt als een vreemdeling in de zin van artikel 1, onder c, van de Wav en hij niet in het bezit was van een twv of een gvva, terwijl dit wel vereist was, komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister terecht een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft vastgesteld. Mocht de minister uitgaan van de verklaring van de heer [persoon 2] ? 8. Eiseres heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de minister niet mocht uitgaan van de verklaring van de heer [persoon 2] , omdat hij aantoonbaar onjuist heeft verklaard. Dit blijkt uit de andere afgelegde verklaringen. Ook sprak de ingeschakelde tolk een ander dialect en konden zij elkaar niet goed begrijpen. 9. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister uit mocht gaan van de initiële verklaring van de heer [persoon 2] , zoals opgenomen in het boeterapport. De rechtbank verwijst voor de motivering van dit oordeel naar rechtsoverwegingen 6 en 7 van de uitspraak in de zaak met zaaknummer AWB 24/7618.
Volledig
De minister heeft dan ook geen reden hoeven zien om niet uit te gaan van de verklaring van de heer [persoon 2] , te weten: “ De eigenaresse wist ook dat ik niet mocht werken ”. Bestaat er aanleiding om geen of een lagere boete vast te stellen? 10. Eiseres heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de minister aanleiding had moeten zien om geen of een lagere boete op te leggen. Volgens eiseres heeft zij te goeder trouw gehandeld. Eiseres heeft namelijk de Poolse verblijfsvergunning van de heer [persoon 2] vertaald met Google Translate, en verkeerde op grond van het vertaalde ("toegang tot de arbeidsmarkt") in de veronderstelling dat sprake was van een werknemer binnen de EER. Verder heeft de gemachtigde van eiseres kort voor de zitting een verklaring van [bedrijf 2] overgelegd, een uitzendbureau van een familielid van de vennoten. Dit uitzendbureau heeft de heer [persoon 2] bij eiseres voor een proefperiode/stage geplaatst. Hierna zou het uitzendbureau controleren of de heer [persoon 2] aan de gestelde eisen voldeed. Daarnaast heeft eiseres na de werkplekcontrole alles wat redelijkerwijs mogelijk is gedaan om een overtreding te voorkomen. Tot slot is er geen sprake van recidive, omdat de boete die in 2020 aan eiseres is opgelegd vanwege overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, een andere situatie betrof. De beroepsgrond dat de boete er ‘in financieel opzicht inhakt’, heeft de gemachtigde van eiseres ter zitting laten vallen. 11. De rechtbank overweegt als volgt. In situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de boete te matigen . 12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het geheel geen sprake is van verwijtbaarheid en het boetebedrag daarom op nihil moet worden vastgesteld dan wel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid op grond waarvan het boetebedrag dient te worden gematigd. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om, voordat de arbeid aanvang neemt, na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Het lag dan ook op de weg van eiseres om op basis van de door de heer [persoon 2] overgelegde Poolse verblijfsvergunning na te gaan of hij zonder twv of gvva arbeid mocht verrichten. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van de tools van het UWV en de IND, waarop de minister heeft gewezen, om dit te controleren. Dat eiseres enkel op basis van een vertaling van het verblijfsdocument door middel van Google Translate ervan uit is gegaan dat hij zonder vergunning arbeid mocht verrichten, komt voor rekening en risico van eiseres. Ook de stelling dat het uitzendbureau na een proefperiode/stage zou controleren of de heer [persoon 2] aan de eisen voldeed, kan eiseres niet baten. Dit doet immers niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van eiseres als werkgever om te controleren of haar werknemers voldoen aan de vereisten van de Wav. Daar komt bij dat hieruit ook volgt dat eiseres heeft nagelaten om vóór aanvang van de werkzaamheden nauwkeurig na te gaan of werd voldaan aan de vereisten van de Wav. Ook maakt het feit dat eiseres na een eerdere overtredingen in 2020 maatregelen zou hebben getroffen om nieuwe overtredingen van de Wav te voorkomen, niet dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de voorliggende overtreding. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om te oordelen dat de minister het boetebedrag niet met 100% had mogen verhogen, omdat geen sprake zou zijn van recidive. Doordat eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het boetebesluit van 6 januari 2020, staat vast dat eiseres al eerder artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden en dat dus sprake is van recidive. Dat geen sprake is van een soortgelijke overtreding, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. 13. De rechtbank overweegt tot slot dat ook geen aanleiding bestaat om te boete te matigen op de grond dat eiseres adequate maatregelen heeft genomen ter voorkomen van toekomstige overtredingen. Zoals de rechtbank in de zaak met zaaknummer AWB 24/7618 in rechtsoverweging 12 heeft overwogen, heeft eiseres dit niet met concrete gegevens en bescheiden onderbouwd. 14. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat de minister een boete van € 12.000, - heeft mogen opleggen. Conclusie en gevolgen 15. Het beroep is ongegrond. 16. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026. De griffier, rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. Afschrift verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE Wet arbeid vreemdelingen Artikel 1: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: b. werkgever: 1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten; c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000; Artikel 2, eerste lid: 1. Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning of zonder dat een vreemdeling in het bezit is van een gecombineerde vergunning voor werkzaamheden bij die werkgever. Artikel 18: Als overtreding wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, 15, 15a en het bepaalde bij of krachtens artikel 2a. Vreemdelingenwet 2000 Artikel 1: In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld. Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdeling en 2020 Artikel 1: Bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen wordt voor alle overtredingen als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de ‘Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen’ die als bijlage I bij deze beleidsregel is gevoegd. Artikel 4: Het aan de hand van de artikelen 1, 2 en 3 van deze beleidsregel berekende boetenormbedrag wordt, indien sprake is van recidive of herhaalde recidive, per overtreding verhoogd, waarbij de regels van artikel 19d, tweede tot en met vierde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen in acht worden genomen. Bijlage 1 : Op grond van bijlage 1, de Tarieflijst boetenormbedragen behorende bij de Beleidsregel bedraagt de bestuurlijke boete Wav voor overige rechtspersonen of daarmee gelijkgestelden € 8.000,- per overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46, tweede lid: De hoogte van de bestuurlijke boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, daarbij zo nodig rekening houdend met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Deze zaak gaat over het opleggen van een boete aan eiseres vanwege het overtreden van de Arbeidstijdenwet.