Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-23
ECLI:NL:RBAMS:2026:2466
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2466 text/xml public 2026-03-24T15:45:06 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-23 AMS 25/4242 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2466 text/html public 2026-03-24T15:44:47 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2466 Rechtbank Amsterdam , 23-02-2026 / AMS 25/4242 Deze uitspraak gaat over de terugbetaling van een NOW voorschot. Eiseres is bijna drie jaar na het besluit tot terugvordering in bezwaar gegaan. Verweerder stelt daarom dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Eiseres is het hier niet mee eens en voert aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege haar medische situatie. Aan de hand van de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden, beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep slaagt niet. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4242 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen [bedrijf] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: mr. B.B.A Willering), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , verweerder (gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de terugbetaling van een NOW voorschot. Eiseres is bijna drie jaar na het besluit tot terugvordering in bezwaar gegaan. Verweerder stelt daarom dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Eiseres is het hier niet mee eens en voert aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege haar medische situatie. Aan de hand van de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden, beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit het geval is en dat het beroep van eiseres niet slaagt. Hieronder licht de rechtbank nader toe hoe ze tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel voor eiseres heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 4 april 2025 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van verweerder van 17 juni 2022, strekkende tot terugbetaling van het aan haar betaalde voorschot op grond van de Tweede tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor het behoud van de Werkgelegenheid (hierna: NOW 2). 2.1. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiseres, is verweerder bij het besluit gebleven dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. 2.4. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Bij besluit van 10 juli 2020 heeft eiseres van verweerder een bedrag van € 6.048,00 toegewezen gekregen op grond van de NOW 2. In het besluit staat dat het een voorschot betreft en dat eiseres later een nieuwe aanvraag moet doen, zodat er een definitieve berekening kan worden gemaakt. Op basis van die definitieve berekening zal worden bepaald of eiseres te veel of te weinig voorschot heeft ontvangen en of zij een bedrag moet terugbetalen of juist een nabetaling ontvangt. 3.1. Op 9 maart 2022 heeft verweerder aan eiseres een brief gestuurd met een herinnering om deze definitieve berekening aan te vragen. In de brief is vermeld dat eiseres het hele voorschot zal moeten terugbetalen als zij geen definitieve berekening aanvraagt. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. 3.2. Op 5 april 2022 heeft verweerder eiseres opnieuw een brief van gelijke strekking gestuurd. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. 3.3. Met het besluit van 17 juni 2022 heeft verweerder besloten dat eiseres het door haar ontvangen voorschot moet terugbetalen, nu zij geen aanvraag voor een definitieve berekening heeft gedaan en verweerder het definitieve bedrag waarop eiseres recht heeft daarom niet heeft kunnen vaststellen. 3.4. Op 16 september 2022 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen, op grond waarvan eiseres het voorschot in 59 gelijke termijnen van € 102,51 aan verweerder terugbetaald. 3.5. Op 24 maart 2023 hebben eiseres en verweerder telefonisch contact gehad over de betalingsregeling en de schuldhulpverlening waarin eiseres aangaf terecht te zijn gekomen. Op 29 maart 2023 heeft verweerder op verzoek van eiseres met haar boekhouder gebeld, die daarop aangaf niets voor eiseres te hebben gedaan in het kader van de NOW. Vervolgens heeft verweerder op 29 maart 2023 en op 30 maart 2023 op verzoek van eiseres nog contact gezocht met de schuldhulpverlener van eiseres, maar die was niet bereikbaar. 3.6. Vervolgens heeft eiseres op 4 april 2025 bezwaar ingediend tegen het besluit van 17 juni 2022 strekkende tot terugbetaling van het voorschot. 3.7. Op 7 mei 2025 heeft verweerder eiseres gevraagd om toe te lichten waarom het besluit buiten de bezwaartermijn is ingediend. Hierop heeft eiseres op 19 juni 2025 gereageerd, derhalve na de beslissing op bezwaar van 5 juni 2025. Heeft verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard? 3.8. Eiseres stelt dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat zij nog steeds, maar zeker in de periode waarin de besluiten zijn genomen, te maken had met een burn-out, zware depressiviteitsklachten, slapeloosheid en hevige stress, mede veroorzaakt door de coronapandemie. Dit heeft er, in combinatie met de zorg voor een jong kind, voor gezorgd dat eiseres niet in staat was om tijdig bezwaar in te dienen. Bovendien acht eiseres het onrechtvaardig dat zij het voorschot moet terugbetalen, terwijl uit de definitieve berekening zou moeten blijken of zij recht heeft op het bedrag. Hier komt bij dat verweerder heeft aangegeven dat de cijfers van eiseres desnoods door verweerder bij de Belastingdienst zouden worden opgevraagd. 3.9. Verweerder kan zich hierin niet vinden en betwist dat eiseres vanwege medische redenen niet eerder in bezwaar kon gaan. Dit omdat eiseres in september 2022 zelf met verweerder heeft gebeld en een betalingsregeling heeft getroffen. Zij had toen dus ook bezwaar kunnen maken. Ook blijkt uit het telefonische contact van maart 2023 dat eiseres een boekhouder had. Ook deze had namens haar (tijdig) bezwaar kunnen indienen. Hier komt bovendien bij dat de medische redenen niet worden onderbouwd. Dat verweerder zou hebben aangegeven dat zij de gegevens anders bij de belastingdienst zou opvragen, is onjuist. Het tegendeel volgt uit de door verweerder met eiseres gevoerde correspondentie, aldus verweerder. 3.10. De rechtbank overweegt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Deze termijn begint op de dag nadat het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Als iemand te laat bezwaar maakt, wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dat is alleen anders wanneer redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit is zo, als er een goede reden is voor de termijnoverschrijding. In dat geval wordt de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht. Volgens vaste strenge rechtspraak is een termijnoverschrijding niet verschoonbaar wanneer de indiener psychisch of lichamelijk ziek is. Slechts in zeer bijzondere gevallen, zoals een ernstige ziekte of psychisch onvermogen, waardoor iemand niet in staat was tijdig bezwaar in te dienen, wijken rechters af van deze harde lijn. 3.11. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van eiseres geen reden geeft om van voornoemde strenge lijn af te wijken. Eiseres stelt dat zij vanwege haar medische toestand niet eerder in bezwaar kon gaan, maar onderbouwt dit niet door bijvoorbeeld een doktersverklaring. Het betreft daarbij geen termijnoverschrijding van enkele dagen, maar van bijna drie jaar.