Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-11
ECLI:NL:RBAMS:2026:2435
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,660 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBAMS:2026:2435 text/xml public 2026-03-13T13:21:57 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-11 AMS 25/4281, 25/4282 en 25/4283 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2435 text/html public 2026-03-12T10:46:44 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2435 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / AMS 25/4281, 25/4282 en 25/4283 Beroep ongegrond. Tijdelijk kenteken leenauto op parkeervergunning geregistreerd. Drie keer feitelijk zonder vergunning geparkeerd. Drie naheffingsaanslagen niet onevenredig. Geen boete, maar herstelmaatregel: RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: AMS 25/4281, 25/4282 en 25/4283 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (gemachtigde: A. Husseini). Inleiding De heffingsambtenaar heeft aan eiser in de periode van 14 juni 2025 tot en met 16 juni 2025 in totaal drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Met drie bestreden uitspraken op bezwaar van 16 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen van eiser tegen de bestreden uitspraken op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar. De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld. Beoordeling door de rechtbank 1. Tijdens controles is gebleken dat het voertuig van eiser met kenteken [kenteken] stond geparkeerd ter hoogte van: - [adres] op 14 juni 2025 om 13:44 uur; - [adres] op 16 juni 2025 om 10:54 uur; - [adres] op 16 juni 2025 om 16:02 uur, telkens zonder dat de parkeerbelasting was voldaan die is verschuldigd voor parkeren op die plaats in Amsterdam op die tijdstippen. De heffingsambtenaar heeft hiervoor aan eiser drie naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. 2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de naheffingsaanslagen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de auto van eiser op de betreffende plaatsen en tijdstippen geparkeerd stond en dat op die momenten de parkeervergunning van eiser niet op dit kenteken was geregistreerd. Eiser was daarom parkeerbelasting verschuldigd. Vast staat dat eiser deze niet heeft betaald. 4. Eiser voert aan dat hij tijdelijk het kenteken van een leenauto op zijn parkeervergunning had geregistreerd en is vergeten het kenteken te wijzigen nadat hij op 14 juni 2025 zijn auto terug had na onderhoud. 5. De rechtbank overweegt dat van parkeren met een vergunning alleen sprake is als wordt voldaan aan alle voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Is aan één of meer van deze voorwaarden niet voldaan, dan is geparkeerd zonder vergunning. Het is de verantwoordelijkheid van eiser om na te gaan of zijn parkeervergunning geldig is en dat het juiste kenteken staat geregistreerd. Vaststaat dat eiser heeft geparkeerd met zijn eigen auto, terwijl het kenteken van de leenauto nog was geregistreerd op zijn parkeervergunning. Daardoor is feitelijk zonder vergunning geparkeerd en had eiser de belasting voor het parkeren op straat moeten voldoen. Dat is niet gebeurd. Dat eiser is vergeten het kenteken te wijzigen, komt voor zijn rekening en risico. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat aan eiser op 25 april 2024 reeds eenmalig coulance is verleend; ook toen was het verkeerde kenteken aan de parkeervergunning gekoppeld. Eiser was een gewaarschuwd mens. Het is niet de bedoelding dat coulance bij een nieuwe constatering opnieuw wordt toegepast. De rechtbank kan dit standpunt van de heffingsambtenaar volgen. 6. Volgens eiser vormt de cumulatie van drie naheffingsaanslagen in drie dagen voor een eenmalige vergissing zonder opzet, een onevenredige financiële last. Eiser verzoekt daarom de drie naheffingsaanslagen te vernietigen dan wel op basis van redelijkheid en billijkheid te matigen tot één naheffingsaanslag. 6.1. De rechtbank overweegt dat het gerechtshof Amsterdam en het gerechtshof Den Haag een soortgelijke stelling al hebben verworpen. Naheffingsaanslagen zijn zogeheten gebonden beschikkingen. Dit betekent dat uit de wetgeving voortvloeit dat, indien een belastbaar feit zich voordoet, de belasting verschuldigd is. Bij drie controlemomenten is geconstateerd dat eiser geen parkeergeld heeft betaald. Het is niet onevenredig dat daarvoor drie afzonderlijke naheffingsaanslagen zijn opgelegd. 6.2. Eiser betoogt dat hij de cumulatie van naheffingsaanslagen als een boete ervaart. De naheffingsaanslag is echter geen straf, maar een herstelmaatregel: een belasting vermeerderd met een bedrag om de kosten goed te maken die met de oplegging ervan zijn gemoeid. Daarbij maakt het niet uit of eiser al dan niet met opzet geen parkeergeld heeft betaald. De rechtbank gaat er overigens van uit dat bij eiser van opzet geen sprake was. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser heeft geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten gemaakt. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Hoge Raad 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336, overweging 3. Zie op rechtspraak.nl de uitspraken ECLI:NL:GHDHA:2022:1780 (dertien naheffingsaanslagen) en ECLI:NL:GHAMS:2022:3698 (vijf naheffingsaanslagen).