Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-04
ECLI:NL:RBAMS:2026:2317
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
8,142 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2317 text/xml public 2026-03-06T09:11:07 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-04 13-347430-25 (EAB II) Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2317 text/html public 2026-03-06T09:10:40 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2317 Rechtbank Amsterdam , 04-03-2026 / 13-347430-25 (EAB II) Executie-EAB uit Polen. Verweer ten aanzien van artikel 12 OLW verworpen. Gelijkstellingsverwer slaagt. Overlevering geweigerd onder gelijktijdige strafovername. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-347430-25 (EAB II) Datum uitspraak: 4 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 april 2021 door the Circuit Court of Zielona Góra, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een - aggregate judgment of October 6, 2016, by the Circuit Court of Zielona Góra, combining the following custodial sentences imposed on [de opgeëiste persoon] : I. judgment of March 17, 2015, by the Circuit Court of Zielona Góra, ref. no. II K 210/14; II. judgment of September 24, 2015, by the District Court of Nowa Sól, ref. no. II K 337/15; - decision of January 8, 2020, by the Circuit Court of Zielona Góra, ref. no. III Kow1934/19, to revoke the parole and activate the remaining custodial sentence. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en elf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Ten aanzien van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling bestaat volgens de raadsman namelijk onduidelijkheid of de herroeping ook zou hebben plaatsen gevonden als de opgeëiste persoon alleen de bijzondere voorwaarden had overtreden en niet ook verdacht werd van een nieuw strafbaar feit, waarvan onduidelijk is of de opgeëiste persoon zich daartegen heeft kunnen verdedigen. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich – kortgezegd – aangesloten bij het subsidiaire standpunt van de raadsman. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het EAB een verzamelvonnis ten grondslag ligt, waaraan een tweetal onderliggende vonnissen ten grondslag ligt. Dit brengt mee dat zowel de onderliggende vonnissen als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, nu bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Ten aanzien van het verzamelvonnis van 6 oktober 2016 van the Circuit Court of Zielona Góra met referentie II K 143/16 Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van de beslissing van 17 maart 2015 van the Circuit Court of Zielona Góra, met referentie II K 210/14 Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Blijkens aanvullende informatie die op 12 februari 2026 is toegezonden in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW heeft the Poznań Court of Appeal, Criminal Division bij arrest van 2 juli 2015 (met referentie II AKa 106/15) het vonnis van 17 maart 2015 in hoger beroep bevestigd. Voor zover moet worden aangenomen dat de procedure met het arrest van 2 juli 2015 definitief ten gronde is afgedaan, staat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ook in dat geval niet aan overlevering in de weg. Uit het arrest, waarin staat dat de opgeëiste persoon op 2 juli 2015 is gehoord, leidt de rechtbank immers af dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de behandeling van het hoger beroep. Ten aanzien van de beslissing van 24 september 2015 van the District Court of Nowa Sól, met referentie II K 337/15 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van onderdeel D van het EAB stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 30 juli 2015 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van de beslissing tot herroeping van 8 januari 2020 van the Circuit Court of Zielona Góra, met referentie III Kow 1934/19 Bij beslissing van 8 januari 2020 van the Circuit Court of Zielona Góra is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot herroeping van een eerder herroepen straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In de aanvullende informatie van 30 januari 2026 is door de Poolse autoriteiten, voor zover relevant, het volgende medegedeeld: “With regard to case III Kow 1934/19, the Court hereby informs that [de opgeëiste persoon] ’s conditional release has been revoked because the convict failed to comply with the obligation imposed on him during the probation period.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2317 text/xml public 2026-03-06T09:11:07 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-04 13-347430-25 (EAB II) Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Europees strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2317 text/html public 2026-03-06T09:10:40 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2317 Rechtbank Amsterdam , 04-03-2026 / 13-347430-25 (EAB II) Executie-EAB uit Polen. Verweer ten aanzien van artikel 12 OLW verworpen. Gelijkstellingsverwer slaagt. Overlevering geweigerd onder gelijktijdige strafovername. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-347430-25 (EAB II) Datum uitspraak: 4 maart 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 april 2021 door the Circuit Court of Zielona Góra, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een - aggregate judgment of October 6, 2016, by the Circuit Court of Zielona Góra, combining the following custodial sentences imposed on [de opgeëiste persoon] : I. judgment of March 17, 2015, by the Circuit Court of Zielona Góra, ref. no. II K 210/14; II. judgment of September 24, 2015, by the District Court of Nowa Sól, ref. no. II K 337/15; - decision of January 8, 2020, by the Circuit Court of Zielona Góra, ref. no. III Kow1934/19, to revoke the parole and activate the remaining custodial sentence. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en elf dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Ten aanzien van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling bestaat volgens de raadsman namelijk onduidelijkheid of de herroeping ook zou hebben plaatsen gevonden als de opgeëiste persoon alleen de bijzondere voorwaarden had overtreden en niet ook verdacht werd van een nieuw strafbaar feit, waarvan onduidelijk is of de opgeëiste persoon zich daartegen heeft kunnen verdedigen. Subsidiair moet de behandeling van de zaak worden aangehouden om hierover nadere vragen te stellen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich – kortgezegd – aangesloten bij het subsidiaire standpunt van de raadsman. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt allereerst vast dat aan het EAB een verzamelvonnis ten grondslag ligt, waaraan een tweetal onderliggende vonnissen ten grondslag ligt. Dit brengt mee dat zowel de onderliggende vonnissen als het verzamelvonnis moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW, nu bij de onderliggende vonnissen onherroepelijk uitspraak is gedaan over de schuld van de opgeëiste persoon en hem op grond daarvan vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Ook het verzamelvonnis valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat daarin de duur van de straffen is gewijzigd en de bevoegde autoriteit over een beoordelingsmarge heeft beschikt. Ten aanzien van het verzamelvonnis van 6 oktober 2016 van the Circuit Court of Zielona Góra met referentie II K 143/16 Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van de beslissing van 17 maart 2015 van the Circuit Court of Zielona Góra, met referentie II K 210/14 Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. De rechtbank overweegt ten overvloede als volgt. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Blijkens aanvullende informatie die op 12 februari 2026 is toegezonden in het kader van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW heeft the Poznań Court of Appeal, Criminal Division bij arrest van 2 juli 2015 (met referentie II AKa 106/15) het vonnis van 17 maart 2015 in hoger beroep bevestigd. Voor zover moet worden aangenomen dat de procedure met het arrest van 2 juli 2015 definitief ten gronde is afgedaan, staat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW ook in dat geval niet aan overlevering in de weg. Uit het arrest, waarin staat dat de opgeëiste persoon op 2 juli 2015 is gehoord, leidt de rechtbank immers af dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de behandeling van het hoger beroep. Ten aanzien van de beslissing van 24 september 2015 van the District Court of Nowa Sól, met referentie II K 337/15 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van onderdeel D van het EAB stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 30 juli 2015 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van de beslissing tot herroeping van 8 januari 2020 van the Circuit Court of Zielona Góra, met referentie III Kow 1934/19 Bij beslissing van 8 januari 2020 van the Circuit Court of Zielona Góra is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot herroeping van een eerder herroepen straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In de aanvullende informatie van 30 januari 2026 is door de Poolse autoriteiten, voor zover relevant, het volgende medegedeeld: “With regard to case III Kow 1934/19, the Court hereby informs that [de opgeëiste persoon] ’s conditional release has been revoked because the convict failed to comply with the obligation imposed on him during the probation period.
Volledig
The convict broke off contact with his probation officer, changed his place of residence without the Court's consent and failed to inform the probation officer about the course of the probation period. In addition, the probation officer determined that new criminal proceedings were pending against him.” Bij brief van 6 februari 2026 is verder nog medegedeeld: “In case III Kow 1934/19, the conditional early release of [de opgeëiste persoon] was revoked because the convict knowingly evaded supervision in the case. The court established that the convict did not comply with the obligations imposed on him during the probation period, broke off contact with the probation officer - in person and by phone, and changed his place of residence. The fact that a new criminal trial was underway against him was an incidental circumstance, confirming that the process of rehabilitation of the convict was not proceeding properly.” Anders dan de raadsman en officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie blijkt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling is herroepen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. De rechtbank stelt verder vast dat melding wordt gemaakt van een nieuwe verdenking tegen de opgeëiste persoon. Een nieuwe verdenking levert echter geen triggerende veroordeling op, welke aan artikel 12 OLW kan worden getoetst. De beslissing tot herroeping van 8 januari 2020 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de herroepen straf is opgelegd en het verzamelvonnis. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. 4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder I in onderdeel E van het EAB vermelde strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het onder II in onderdeel E van het EAB vermelde feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eerste voorwaarde De rechtbank is met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. Tweede voorwaarde De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 10 februari 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Het onder feit 1 opgenomen feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op: meerdaadse samenloop van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod; poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. Uit de hiervoor onder 4.2 en 5 weergeven en Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgen. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. In overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat op 13 februari 2026 het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, en een kopie van de veroordelende vonnissen toegezonden. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland. De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 47, 57 en 350 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW. 8 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan aan the Circuit Court of Zielona Góra, Polen. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
Volledig
The convict broke off contact with his probation officer, changed his place of residence without the Court's consent and failed to inform the probation officer about the course of the probation period. In addition, the probation officer determined that new criminal proceedings were pending against him.” Bij brief van 6 februari 2026 is verder nog medegedeeld: “In case III Kow 1934/19, the conditional early release of [de opgeëiste persoon] was revoked because the convict knowingly evaded supervision in the case. The court established that the convict did not comply with the obligations imposed on him during the probation period, broke off contact with the probation officer - in person and by phone, and changed his place of residence. The fact that a new criminal trial was underway against him was an incidental circumstance, confirming that the process of rehabilitation of the convict was not proceeding properly.” Anders dan de raadsman en officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de aanvullende informatie blijkt dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling is herroepen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. De rechtbank stelt verder vast dat melding wordt gemaakt van een nieuwe verdenking tegen de opgeëiste persoon. Een nieuwe verdenking levert echter geen triggerende veroordeling op, welke aan artikel 12 OLW kan worden getoetst. De beslissing tot herroeping van 8 januari 2020 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de herroepen straf is opgelegd en het verzamelvonnis. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. 4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder I in onderdeel E van het EAB vermelde strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het onder II in onderdeel E van het EAB vermelde feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eerste voorwaarde De rechtbank is met de raadsman en officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. Tweede voorwaarde De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 10 februari 2026 volgt dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Het onder feit 1 opgenomen feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op: meerdaadse samenloop van: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod; poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod. Uit de hiervoor onder 4.2 en 5 weergeven en Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgen. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. In overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat op 13 februari 2026 het certificaat, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, en een kopie van de veroordelende vonnissen toegezonden. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland. De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45, 47, 57 en 350 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6a en 7 OLW. 8 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan aan the Circuit Court of Zielona Góra, Polen. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.