Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-01-20
ECLI:NL:RBAMS:2026:2235
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,121 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2235 text/xml public 2026-03-05T16:50:46 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-20 11415819 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling NL Amsterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2235 text/html public 2026-03-05T10:08:14 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2235 Rechtbank Amsterdam , 20-01-2026 / 11415819 Proceskosten. Eiser trekt vordering in; zijn diens proceskosten 'nodeloos gemaakt'? Neen. Maar gedaagde heeft wel gehandeld in strijd met 1.6 Procesreglement en moet kosten eiser toch betalen. Zij vernietigde rechthandeling echtgenoot, maar levert geen bewijs van huwelijk, biedt dit ook niet aan en moet dmv bewijsopdracht gedwongen worden dit alsnog aan te tonen. Dat gebeurt dan ook uiteindelijk. Maar ook eiser moet proceskosten betalen; dit volgt uit art. 237 Rv. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11415819 \ CV EXPL 24-14949 Vonnis van 20 januari 2026 in de zaak van VRIJENBAN VASTGOED B.V. , gevestigd te Delft, eisende partij in de hoofdzaak verweerster in het incident, hierna te noemen: Vrijenban, gemachtigde: mrs. J.G.M. de Koning en L.F.H. Berg, tegen [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, hierna te noemen: [gedaagde 1] , gemachtigde: mr. B. Coskun, en [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] , eiseres in het incident, hierna te noemen: [gedaagde 2] , gemachtigde: mr. B. Coskun. 1 De verdere procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 augustus 2025, - de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , met producties, - de akte overleggen processtukken van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , - de akte van Vrijenban, - de nadere akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling in het incident 2.1. Bij tussenvonnis van 26 augustus 2025 is [gedaagde 2] als voegende dan wel tussenkomende partij toegelaten in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde 1] en is aan haar opgedragen te bewijzen dat zij de echtgenote is van [gedaagde 1] . 2.2. [gedaagde 2] heeft in het kader van de bewijsopdracht kopieën van haar huwelijksboekje (‘Livret de Famille International’) overgelegd en een internationale huwelijksakte van 30 januari 2024 afkomstig van het Turkse consulaat in Amsterdam. 2.3. Naar de mening van Vrijenban is daarmee niet aangetoond dat sprake is van een naar Nederlands recht geldig huwelijk. Dit is van belang, omdat slechts een echtgenoot over kan gaan tot vernietiging van een rechtshandeling verricht zonder zijn toestemming (zie art. 1:89 BW), zoals [gedaagde 2] heeft gedaan bij o.a. bij haar conclusie van 21 januari 2025. Desalniettemin heeft Vrijenban op basis van de onder 2.2. genoemde huwelijksakte besloten de procedure in de hoofdzaak in te trekken. Wel maakt zij aanspraak op vergoeding van proceskosten, ook in het incident, nu deze kosten nodeloos zijn gemaakt 2.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzetten zich tegen een kostenveroordeling en zijn van mening dat juist Vrijenban, die uiteindelijk besloten heeft de vordering in de hoofdzaak in te trekken, hén nodeloos op kosten heeft gejaagd. 2.5. Zoals de kantonrechter heeft overwogen in het tussenvonnis van 26 augustus 2025, heeft [gedaagde 2] niet onnodig laat haar incidentele conclusie tot voeging of tussenkomst, genomen. Bij die conclusie heeft zij ook de desbetreffende rechtshandeling van [gedaagde 1] vernietigd. Nadien heeft zich tussen partijen een discussie ontsponnen met betrekking tot de vraag óf [gedaagde 2] zich mocht voegen of mocht tussenkomen en of [gedaagde 1] W&B in vrijwaring mocht oproepen (zie tussenvonnis van 29 april 2025). Bij genoemde conclusie heeft [gedaagde 2] geen huwelijksakte of ander bewijs waaruit blijkt dat zij de echtgenote van [gedaagde 1] is, overgelegd. Ook in de conclusie van 24 juni 2025 heeft [gedaagde 2] geen bewijs ter zake geleverd of aangeboden. Dit had wel van haar verwacht mogen worden (vgl. art. 1.6 Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton versie 1 juli 2024). Het nalaten haar stellingen ter zake te onderbouwen heeft ertoe geleid dat uiteindelijk bij tussenvonnis van 26 augustus 2025 aan haar een bewijsopdracht is verstrekt. Hoewel aldus niet gesproken kan worden van het ‘nodeloos op kosten jagen’ moet deze handelwijze wel ertoe leiden dat [gedaagde 2] de proceskosten van Vrijenban moet vergoeden. Zij zal daartoe dan ook worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Vrijenban worden begroot op € 1.290,-, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1,5 punt x € 815,-) en de nakosten (€ 67,50). 3 De beoordeling in de hoofdzaak 3.1. Bij akte van 21 oktober 2025 heeft Vrijenban de vordering ingetrokken en verzocht [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten. Deze laatsten hebben zich daartegen verzet en op hun beurt aanspraak gemaakt op de door hen gemaakte proceskosten. 3.2. Uit art. 237 Rv volgt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. In de regel wordt het intrekken van een vordering gezien als een eisvermindering tot nihil, welke de rechter aanleiding geeft de eisende partij alsnog in de proceskosten te veroordelen (vgl. de conclusie van de AG onder 2.31 in haar advies van 19 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:75). De kantonrechter ziet geen aanleiding in deze kwestie tot een ander oordeel te komen, zodat Vrijenban veroordeeld zal worden tot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] begroot op € 882,50, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1 punt x € 815,-) en de nakosten (€ 67,50). 4 De beslissing De kantonrechter in het incident: 4.1. veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten aan de zijde van Vrijenban, dezerzijds begoot op € 1.290,-, in de hoofdzaak: 4.2. veroordeelt Vrijenban in de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , dezerzijds begroot op € 882,50, in het incident en de hoofdzaak: 4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026, in aanwezigheid van de griffier. 47653
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2235 text/xml public 2026-03-05T16:50:46 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-01-20 11415819 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling NL Amsterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2235 text/html public 2026-03-05T10:08:14 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2235 Rechtbank Amsterdam , 20-01-2026 / 11415819 Proceskosten. Eiser trekt vordering in; zijn diens proceskosten 'nodeloos gemaakt'? Neen. Maar gedaagde heeft wel gehandeld in strijd met 1.6 Procesreglement en moet kosten eiser toch betalen. Zij vernietigde rechthandeling echtgenoot, maar levert geen bewijs van huwelijk, biedt dit ook niet aan en moet dmv bewijsopdracht gedwongen worden dit alsnog aan te tonen. Dat gebeurt dan ook uiteindelijk. Maar ook eiser moet proceskosten betalen; dit volgt uit art. 237 Rv. RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11415819 \ CV EXPL 24-14949 Vonnis van 20 januari 2026 in de zaak van VRIJENBAN VASTGOED B.V. , gevestigd te Delft, eisende partij in de hoofdzaak verweerster in het incident, hierna te noemen: Vrijenban, gemachtigde: mrs. J.G.M. de Koning en L.F.H. Berg, tegen [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in de hoofdzaak, hierna te noemen: [gedaagde 1] , gemachtigde: mr. B. Coskun, en [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] , eiseres in het incident, hierna te noemen: [gedaagde 2] , gemachtigde: mr. B. Coskun. 1 De verdere procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 26 augustus 2025,- de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , met producties, - de akte overleggen processtukken van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , - de akte van Vrijenban, - de nadere akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling in het incident 2.1. Bij tussenvonnis van 26 augustus 2025 is [gedaagde 2] als voegende dan wel tussenkomende partij toegelaten in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde 1] en is aan haar opgedragen te bewijzen dat zij de echtgenote is van [gedaagde 1] . 2.2. [gedaagde 2] heeft in het kader van de bewijsopdracht kopieën van haar huwelijksboekje (‘Livret de Famille International’) overgelegd en een internationale huwelijksakte van 30 januari 2024 afkomstig van het Turkse consulaat in Amsterdam. 2.3. Naar de mening van Vrijenban is daarmee niet aangetoond dat sprake is van een naar Nederlands recht geldig huwelijk. Dit is van belang, omdat slechts een echtgenoot over kan gaan tot vernietiging van een rechtshandeling verricht zonder zijn toestemming (zie art. 1:89 BW), zoals [gedaagde 2] heeft gedaan bij o.a. bij haar conclusie van 21 januari 2025. Desalniettemin heeft Vrijenban op basis van de onder 2.2. genoemde huwelijksakte besloten de procedure in de hoofdzaak in te trekken. Wel maakt zij aanspraak op vergoeding van proceskosten, ook in het incident, nu deze kosten nodeloos zijn gemaakt 2.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzetten zich tegen een kostenveroordeling en zijn van mening dat juist Vrijenban, die uiteindelijk besloten heeft de vordering in de hoofdzaak in te trekken, hén nodeloos op kosten heeft gejaagd. 2.5. Zoals de kantonrechter heeft overwogen in het tussenvonnis van 26 augustus 2025, heeft [gedaagde 2] niet onnodig laat haar incidentele conclusie tot voeging of tussenkomst, genomen. Bij die conclusie heeft zij ook de desbetreffende rechtshandeling van [gedaagde 1] vernietigd. Nadien heeft zich tussen partijen een discussie ontsponnen met betrekking tot de vraag óf [gedaagde 2] zich mocht voegen of mocht tussenkomen en of [gedaagde 1] W&B in vrijwaring mocht oproepen (zie tussenvonnis van 29 april 2025). Bij genoemde conclusie heeft [gedaagde 2] geen huwelijksakte of ander bewijs waaruit blijkt dat zij de echtgenote van [gedaagde 1] is, overgelegd. Ook in de conclusie van 24 juni 2025 heeft [gedaagde 2] geen bewijs ter zake geleverd of aangeboden. Dit had wel van haar verwacht mogen worden (vgl. art. 1.6 Landelijk procesreglement voor rolzaken kanton versie 1 juli 2024). Het nalaten haar stellingen ter zake te onderbouwen heeft ertoe geleid dat uiteindelijk bij tussenvonnis van 26 augustus 2025 aan haar een bewijsopdracht is verstrekt. Hoewel aldus niet gesproken kan worden van het ‘nodeloos op kosten jagen’ moet deze handelwijze wel ertoe leiden dat [gedaagde 2] de proceskosten van Vrijenban moet vergoeden. Zij zal daartoe dan ook worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van Vrijenban worden begroot op € 1.290,-, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1,5 punt x € 815,-) en de nakosten (€ 67,50). 3 De beoordeling in de hoofdzaak 3.1. Bij akte van 21 oktober 2025 heeft Vrijenban de vordering ingetrokken en verzocht [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten. Deze laatsten hebben zich daartegen verzet en op hun beurt aanspraak gemaakt op de door hen gemaakte proceskosten. 3.2. Uit art. 237 Rv volgt dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. In de regel wordt het intrekken van een vordering gezien als een eisvermindering tot nihil, welke de rechter aanleiding geeft de eisende partij alsnog in de proceskosten te veroordelen (vgl. de conclusie van de AG onder 2.31 in haar advies van 19 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:75). De kantonrechter ziet geen aanleiding in deze kwestie tot een ander oordeel te komen, zodat Vrijenban veroordeeld zal worden tot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] begroot op € 882,50, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1 punt x € 815,-) en de nakosten (€ 67,50). 4 De beslissing De kantonrechter in het incident: 4.1. veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten aan de zijde van Vrijenban, dezerzijds begoot op € 1.290,-, in de hoofdzaak: 4.2. veroordeelt Vrijenban in de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , dezerzijds begroot op € 882,50, in het incident en de hoofdzaak: 4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026, in aanwezigheid van de griffier. 47653