Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-04
ECLI:NL:RBAMS:2026:2213
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,117 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2213 text/xml public 2026-03-24T12:58:01 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-04 26/254 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2213 text/html public 2026-03-24T12:57:44 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2213 Rechtbank Amsterdam , 04-03-2026 / 26/254 Vovo. Aanvraag voor de toewijzing van een standplaats voor woonwagens. Dit is geen besluit in de zin van de Awb. Civiele aangelegenheid tussen huurder en verhuurder. Huisvestingsvergunning. Niet gebleken dat verzoekster in aanmerking komt voor een vergunning volgens de wachtlijst. Geen toestemming verhuurder. Afwijzen verzoek. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 2 6 /254 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 202 6 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. C.C.J.L. Huurman-Ip Vai Ching), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam , het college (gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor de toewijzing van een standplaats voor woonwagens. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor de standplaats op het [adres 1] in [plaats] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 januari 202 6 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 202 6 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college. Ook de partner [persoon 1] en de neef van verzoekster waren aanwezig. Beoordeling door de voorzieningenrechter Totstandkoming van het besluit 3. De gemeente Amsterdam is eigenaar en verhuurder van de standplaatsen aan het [adres 3] in [plaats] . Sinds 1 februari 199 6 verhuurt de gemeente Amsterdam een standplaats aan het [adres 2] aan verzoekster en haar partner. De zoon van verzoekster, [persoon 2] , huurt een standplaats aan het [adres 1] . 3.1. In de avond en nacht van 2 op 3 april 2025 heeft de politie een plaatsopneming gedaan op het [adres 2] en [adres 1] . Beide woonwagens zijn doorzocht. In de woonwagen van verzoekster zijn onder andere vuurwapens, munitie en ruim een kilo hennep aangetroffen. In de naastgelegen woonwagen van de zoon van verzoekster zijn vuurwapens, munitie, harddrugs, zwaar illegaal vuurwerk en politie uitrustingen aangetroffen. Naar aanleiding van deze bevindingen zijn verzoekster, haar partner en haar zoon als verdachten aangehouden voor het overtreden van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie. 3.2. De burgemeester van Amsterdam heeft bij bevel van 28 mei 2025 beide woonwagens voor de duur van drie maanden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Tegen het bevel tot sluiting van haar woonwagen heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op 4 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen. 3.3. De gemeente Amsterdam heeft vervolgens de huurovereenkomsten van de standplaatsen gelegen aan het [adres 2] en [adres 1] ontbonden op grond van artikel 7:231, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verzoekster heeft de ontbinding van haar huurovereenkomst aangevochten. De civiele voorzieningenrechter heeft op 23 juli 2025 geoordeeld dat verzoekster de standplaats dient te ontruimen omdat voldoende aannemelijk is dat aan de voorwaarden voor buitengerechtelijke ontbinding is voldaan. Dit vonnis is in hoger beroep bekrachtigd op 21 augustus 2025. De bodemprocedure in deze zaak loopt nog bij de civiele rechter. 3.4. De strafzaak tegen verzoekster is geseponeerd. Op 17 oktober 2025 heeft de strafrechter de partner van verzoekster vrijgesproken ten aanzien van het opzettelijk voorhanden hebben van wapens en hennep en ten aanzien van witwassen. 3.5. Verzoekster heeft op 28 november 2025 het college verzocht om een besluit te nemen op haar aanvraag om in aanmerking te komen voor de standplaats op het [adres 1] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 8 januari 2026 afgewezen omdat verzoekster volgens de toewijzingsregels voor standplaatsen voor woonwagens niet in aanmerking komt voor deze standplaats. Toewijzing van de standplaats 4. Verzoekster verzoekt om schorsing van het bestreden besluit en verzoekt om schorsing van de eventuele toewijzing van de standplaats aan een derde. De voorzieningenrechter begrijpt het verzoek van verzoekster zo dat zij wil bereiken dat de standplaats aan het [adres 1] niet in gebruik wordt genomen door een derde zolang de bodemprocedure over de ontbinding van haar huurovereenkomst nog loopt. 5. De voorzieningenrechter gaat in deze procedure uit van de juridische stand van zaken zoals neergelegd in het arrest van het Gerechtshof Amsterdam en het vonnis van de strafrechter. Dit betekent dat voldoende aannemelijk is dat de buitengerechte ontbinding door de gemeente Amsterdam als verhuurder in een bodemprocedure zal standhouden en de toewijzing van de vordering tot ontruiming zal worden bekrachtigd. Op dit moment is er dan ook geen sprake van een huurovereenkomst tussen verzoekster en de gemeente Amsterdam voor een standplaats. 6. Verzoekster heeft zich op zitting primair op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waardoor bezwaar en beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. De toewijzing van de standplaats vindt namelijk plaats door een verdelingsbeslissing die volgt uit de Huisvestingsverordening 2024 (Hvv) en dit is een publiekrechtelijke rechtshandeling. 6.1. De voorzieningenrechter volgt het college in het standpunt dat het bestreden besluit geen besluit is in de zin van de Awb . De gemachtigde van het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat de gemeente Amsterdam eigenaar en verhuurder is van de standplaatsen aan het [adres 3] . De gemeente Amsterdam heeft de huurovereenkomst met verzoekster ontbonden op grond van artikel 7:231, tweede lid, van het BW. Verzoekster kan geen bezwaar maken bij het college tegen het weigeren van de verhuurder om aan haar een standplaats te verhuren. Dit is namelijk geen besluit in de zin van de Awb, maar een civiele aangelegenheid tussen huurder en verhuurder. De verhuurder is bij het aanbieden van een standplaats weliswaar gehouden om de toewijzingsregels van de Hvv toe te passen, maar dat maakt niet dat de weigering een standplaats te verhuren daardoor een publiekrechtelijke rechtshandeling wordt. Dit betekent dat geen bezwaar openstaat tegen deze weigering. Huisvestingsvergunning 7. Het college heeft toegelicht dat zij het bezwaarschrift van verzoekster tegen het weigeren van de verhuurder om de standplaats aan haar toe te wijzen, zal beschouwen als een bezwaarschrift tegen de weigering haar een huisvestingsvergunning te verlenen. Het college zal de bezwaarprocedure dan ook zo voortzetten. 7.1. Uit artikel 2.11.2 van de Hvv volgt dat het verboden is om zonder een huisvestingsvergunning een aangewezen standplaats in gebruik te nemen of te geven.
Volledig
Het college verleent een huisvestingsvergunning voor het betrekken van een standplaats, indien het huishouden volgens de volgordebepaling, van woningzoekenden bij de toewijzing van standplaats voor woonwagens, als eerste voor de standplaats in aanmerking komt. Deze volgordebepaling voor de wachtlijst is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Nadere Regels. Verder dient een woningzoekende, om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning, toestemming van de eigenaar te hebben om de standplaats in gebruik te nemen. 7.2. Verzoekster vraagt een standplaats aan voor [adres 1] . Dit was de standplaats van haar zoon. Verzoekster voert aan dat zij ten onrechte is ontruimd en dat de bodemprocedure over de ontbinding van haar huurovereenkomst voor de standplaats aan het [adres 2] nog loopt. De huurovereenkomst is buitengerechtelijk ontbonden, maar het is nog niet door de rechter vastgesteld of de ontbinding terecht was. Verzoekster heeft al dertig jaar een huurovereenkomst en op grond van hoofdstuk 3 van de Nadere Regels is verzoekster de eerste rechthebbende voor een standplaats. Zij huurt namelijk een standplaats aan het [adres 2] en zij wil doorschuiven naar een vrijkomende standplaats op dezelfde locatie, namelijk [adres 1] , waarbij haar eigen standplaats vrijkomt. 7.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, los van het feit dat verzoekster niet beschikt over toestemming van de verhuurder (want uit de weigering van de standplaats blijkt dat verzoekster geen toestemming heeft), ook niet is gebleken dat verzoekster de eerste rechthebbende is volgens de wachtlijst om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegelicht dat er andere gegadigden hoger op de wachtlijst staan dan verzoekster. De stelling van verzoekster dat hierover in het bestreden besluit geen overwegingen zijn opgenomen is op zich juist, maar treft geen doel omdat deze procedure is gestart als een aanvraag voor de toewijzing van een standplaats en niet met een aanvraag voor een huisvestingsvergunning. Hieruit volgt logischerwijs dat in het bestreden besluit geen overwegingen zijn gewijd aan de volgorde van de wachtlijst en waarom geen huisvestingsvergunning is verleend aan verzoekster. De gemachtigde van het college heeft tijdens de zitting toegezegd dat deze punten in de bezwaarfase kunnen worden besproken met verzoekster. Verder heeft de gemachtigde van het college duidelijk gemaakt dat het overleg wat betreft de terugkeer van verzoekster naar de standplaats moet plaatsvinden in de bodemprocedure die ziet op de ontbinding van verzoekster haar huurovereenkomst. De toewijzing van de standplaats is namelijk een civielrechtelijke aangelegenheid. Conclusie en gevolgen 8. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4820. Zie het vonnis van de civiele voorzieningenrechter van 23 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5920. Zie het arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van het Gerechtshof Amsterdam van 21 augustus 2025, zaaknummer 200.357.793/01. Zie het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8558. Zie het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 21 augustus 2025, zaaknummer 200.357.793/01 en het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8558. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Zie artikel 2.11.4 en artikel 2.11.6 van de Hvv 2024. Zie hoofdstuk 3 van de Nadere Regels Hvv 2024. Zie artikel 2.11.4, tweede lid en 2.2.1, onder c, van de Hvv 2024.