Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-01-06
ECLI:NL:RBAMS:2026:22
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-279285-25 Datum uitspraak: 7 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 september 2025 door the Circuit Court of Law in Świdnica , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag 1] 1990 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, nu gedetineerd in [J.C.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een drietal vonnissen: Vonnis van the District Court of Law in Wałbrzych on the 6th of June 2023, met kenmerk III K 2356/22 . Vonnis van the District Court of Law in Wałbrzych on the 12th of October 2021, met kenmerk III K 710/21 . Vonnis van the District Court of Law in Wałbrzych on the 5th of October 2022, met kenmerk III K 2261/21. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de volgende vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat: tien maanden (III K 2356/22). Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. acht maanden (III K 710/21). Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en negenentwintig dagen. twee jaar en zes maanden (III K 2261/21). Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, vijf maanden en achtentwintig dagen. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 12 OLW nu de opgeëiste persoon in geen van de procedures aanwezig is geweest en de omstandigheden als bedoeld in artikel 12 sub a tot en met d zich niet voordoen. Er is geen reden om af te zien van de weigeringsgrond, aldus de raadsman. Volgens zijn eigen verklaring heeft de opgeëiste persoon geen enkele oproep voor welke zitting dan ook, ontvangen. Weliswaar is sprake van adresinstructies: de opgeëiste persoon zegt hierover dat hij nooit dergelijke instructies ontvangen heeft en ook heeft hij nooit begrepen dat hij de verplichting had adreswijzigingen door te geven. De raadsman verzoekt de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden omdat uit het dossier niet blijkt dat hij de adresinstructies heeft ondertekend. Hierover dient navraag te worden gedaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering voor alle vonnissen kan worden toegestaan, nu kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft in alle procedures een adresinstructie gekregen waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. In alle procedures heeft hij een adres opgegeven en d Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om daarover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Ten aanzien van het vonnis met nummer III K 2261/21 De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB onder D aangekruist dat de situatie van artikel 12 sub a OLW zich heeft voorgedaan: uit de toelichting blijkt echter dat oproepen per post naar zijn adres zijn gestuurd, maar niet zijn opgehaald en aan de rechtbank zijn geretourneerd. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij ligt dat toe. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en bij die gelegenheid twee adressen heeft opgegeven, in [geboorteplaats] en [plaats] . De opgeëiste persoon heeft voorts in de aanloop van de procedure een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting op 5 oktober 2022 die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden aan beide door de opgeëiste persoon opgegeven adressen, te weten [adres 2] , [geboorteplaats] , en [adres 3] , [plaats] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW 5 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: belaging; diefstal door twee of meer verenigde personen; in het openbaar, bij geschrift, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien; handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind; wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdere