Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-05
ECLI:NL:RBAMS:2026:2165
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,748 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 text/xml public 2026-03-25T14:29:24 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-05 C/13/775803/ HA RK 25-320 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 text/html public 2026-03-25T12:55:17 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 Rechtbank Amsterdam , 05-03-2026 / C/13/775803/ HA RK 25-320 Intrekking verzoekschrift ex artikel 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming. Verweerster vraagt om proceskostenveroordeling ten laste van verzoeker. Proceskostenveroordeling toegewezen, omdat verzoeker onnodig kosten heeft veroorzaakt bij verweerster door eerst een verzoek aanhangig te maken en na verweer van verweerster het verzoek in te trekken. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/775803 / HA RK 25-320 Beschikking van 5 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. M. de Boorder, tegen ING BANK N.V. , gevestigd te Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: ING, advocaat: mr. D.J. Posthuma. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift ex artikel 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming, ingekomen ter griffie op 10 november 2025, - het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 februari 2026, - de e-mail van mr. De Boorder van 11 februari 2026 met de mededeling dat het verzoekschrift wordt ingetrokken, dat de geplande mondelinge behandeling op 12 februari 2026 geen doorgang behoeft te vinden en dat aan ING het liquidatietarief wordt aangeboden, - de reactie van mr. Posthuma van 11 februari 2026 dat ING ermee instemt dat de mondelinge behandeling geen doorgang vindt, met het verzoek om de zaak twee weken aan te houden teneinde betaling van de proceskosten te verkrijgen, - het bericht van de rechtbank van 11 februari 2026 dat de mondelinge behandeling geen doorgang vindt en dat de zaak op de rekestenrol van 26 februari 2026 wordt geplaatst voor bericht omtrent intrekking aan de zijde van ING, - de e-mail van 25 februari 2026 van mr. Posthuma met de mededeling dat [verzoeker] de proceskosten niet heeft betaald en het verzoek om bij beschikking te beslissen over de proceskosten. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De beoordeling 2.1. De proceskosten van ING zijn veroorzaakt door het aanhangig maken van het verzoek door [verzoeker] , terwijl hij geen beslissing meer wenst over het verzoek. [verzoeker] heeft deze kosten dus onnodig veroorzaakt. De rechtbank zal [verzoeker] daarom veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op: griffierecht € 714,00 salaris advocaat € 653,00 (1 punt van tarief II, onbepaalde waarde) nakosten € 189,00 totaal € 1.556,00 3 De beslissing De rechtbank 3.1. verstaat dat het verzoek is ingetrokken, 3.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van ING tot op heden begroot op € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 3.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 text/xml public 2026-03-25T14:29:24 2026-03-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-05 C/13/775803/ HA RK 25-320 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Proceskostenveroordeling Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 text/html public 2026-03-25T12:55:17 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2165 Rechtbank Amsterdam , 05-03-2026 / C/13/775803/ HA RK 25-320 Intrekking verzoekschrift ex artikel 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming. Verweerster vraagt om proceskostenveroordeling ten laste van verzoeker. Proceskostenveroordeling toegewezen, omdat verzoeker onnodig kosten heeft veroorzaakt bij verweerster door eerst een verzoek aanhangig te maken en na verweer van verweerster het verzoek in te trekken. RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer / rekestnummer: C/13/775803 / HA RK 25-320 Beschikking van 5 maart 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. M. de Boorder, tegen ING BANK N.V. , gevestigd te Amsterdam, verwerende partij, hierna te noemen: ING, advocaat: mr. D.J. Posthuma. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift ex artikel 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming, ingekomen ter griffie op 10 november 2025, - het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 februari 2026, - de e-mail van mr. De Boorder van 11 februari 2026 met de mededeling dat het verzoekschrift wordt ingetrokken, dat de geplande mondelinge behandeling op 12 februari 2026 geen doorgang behoeft te vinden en dat aan ING het liquidatietarief wordt aangeboden, - de reactie van mr. Posthuma van 11 februari 2026 dat ING ermee instemt dat de mondelinge behandeling geen doorgang vindt, met het verzoek om de zaak twee weken aan te houden teneinde betaling van de proceskosten te verkrijgen, - het bericht van de rechtbank van 11 februari 2026 dat de mondelinge behandeling geen doorgang vindt en dat de zaak op de rekestenrol van 26 februari 2026 wordt geplaatst voor bericht omtrent intrekking aan de zijde van ING, - de e-mail van 25 februari 2026 van mr. Posthuma met de mededeling dat [verzoeker] de proceskosten niet heeft betaald en het verzoek om bij beschikking te beslissen over de proceskosten. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De beoordeling 2.1. De proceskosten van ING zijn veroorzaakt door het aanhangig maken van het verzoek door [verzoeker] , terwijl hij geen beslissing meer wenst over het verzoek. [verzoeker] heeft deze kosten dus onnodig veroorzaakt. De rechtbank zal [verzoeker] daarom veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op: griffierecht € 714,00 salaris advocaat € 653,00 (1 punt van tarief II, onbepaalde waarde) nakosten € 189,00 totaal € 1.556,00 3 De beslissing De rechtbank 3.1. verstaat dat het verzoek is ingetrokken, 3.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van ING tot op heden begroot op € 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 3.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.