Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-03-03
ECLI:NL:RBAMS:2026:2162
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,869 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2162 text/xml public 2026-03-23T11:43:24 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-03 AMS 24/5287 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2162 text/html public 2026-03-23T11:43:14 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2162 Rechtbank Amsterdam , 03-03-2026 / AMS 24/5287 Beroep niet-ontvankelijk. Geen reden om af te wijken van de uitspraak van de Afdeling. Misbruik van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 24/5287 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. M. Khallouk). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan, 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers misbruik hebben gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het verkeersbesluit van 27 maart 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het verkeersbesluit. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eisers deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 12 februari 2025 overwogen dat uit eerdere zaken een patroon in het procedeergedrag van eisers blijkt waarbij wordt geprocedeerd met als kennelijk doel een proceskostenvergoeding, dwangsommen of vergoeding van immateriële schade te verkrijgen. Eisers beginnen procedures die inhoudelijk voor hen niet of nauwelijks van betekenis zijn. [eiser 2] C.V. (hierna: [eiser 2] ) ontplooit al zeer lange tijd geen enkele economische activiteit en op hervatting daarvan bestaat geen enkel concreet perspectief. De Afdeling acht het dus niet geloofwaardig dat eisers opkomen tegen de verkeersbesluiten omdat de besluiten de bedrijfsvoering (zullen) hinderen. Daarvoor is geen enkel overtuigend aanknopingspunt aangereikt en is volstaan met het schetsen van louter hypothetische toekomstige bedrijfsbelangen. Vanwege het patroon in het procedeergedrag van eisers wordt voorshands uitgegaan dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Het is aan eisers om dat vermoeden in individuele zaken te weerleggen. 4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangevoerd het niet eens te zijn met het standpunt van de Afdeling omtrent de bedrijfsactiviteiten van [eiser 2] . Volgens de gemachtigde is er wel sprake van een bestaande bedrijfsvoering. Zo werkt [eiser 2] met ZZP ’ers, doet het elk kwartaal belastingaangifte, heeft het een wagenpark met 20 voertuigen, huurt het terrein van [eiser 1] , onderhoudt het contracten met leveranciers en parkeert de voertuigen in de openbare ruimte. Vanwege de verkeersbesluiten wordt de bedrijfsvoering van [eiser 2] juist gehinderd waardoor er geen economische activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit bevestigt volgens de gemachtigde het belang van eisers bij het voeren van bestuursrechtelijke procedures. 5. De gemachtigde van eisers heeft niet met stukken onderbouwd dat de door hem genoemde bedrijfsactiviteiten van [eiser 2] ook daadwerkelijk worden ontplooid en heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het vermoeden van misbruik van recht te weerleggen. De rechtbank ziet daarom geen reden om af te wijken van de uitspraak van de Afdeling en is van oordeel dat eisers misbruik hebben gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RVS:2025:542. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4131 en van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:747. Zelfstandige zonder personeel.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2162 text/xml public 2026-03-23T11:43:24 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-03-03 AMS 24/5287 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2162 text/html public 2026-03-23T11:43:14 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2162 Rechtbank Amsterdam , 03-03-2026 / AMS 24/5287 Beroep niet-ontvankelijk. Geen reden om af te wijken van de uitspraak van de Afdeling. Misbruik van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 24/5287 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers (gemachtigde: [gemachtigde] ), en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. M. Khallouk). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan, 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eisers misbruik hebben gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het verkeersbesluit van 27 maart 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het verkeersbesluit. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eisers deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 12 februari 2025 overwogen dat uit eerdere zaken een patroon in het procedeergedrag van eisers blijkt waarbij wordt geprocedeerd met als kennelijk doel een proceskostenvergoeding, dwangsommen of vergoeding van immateriële schade te verkrijgen. Eisers beginnen procedures die inhoudelijk voor hen niet of nauwelijks van betekenis zijn. [eiser 2] C.V. (hierna: [eiser 2] ) ontplooit al zeer lange tijd geen enkele economische activiteit en op hervatting daarvan bestaat geen enkel concreet perspectief. De Afdeling acht het dus niet geloofwaardig dat eisers opkomen tegen de verkeersbesluiten omdat de besluiten de bedrijfsvoering (zullen) hinderen. Daarvoor is geen enkel overtuigend aanknopingspunt aangereikt en is volstaan met het schetsen van louter hypothetische toekomstige bedrijfsbelangen. Vanwege het patroon in het procedeergedrag van eisers wordt voorshands uitgegaan dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Het is aan eisers om dat vermoeden in individuele zaken te weerleggen. 4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangevoerd het niet eens te zijn met het standpunt van de Afdeling omtrent de bedrijfsactiviteiten van [eiser 2] . Volgens de gemachtigde is er wel sprake van een bestaande bedrijfsvoering. Zo werkt [eiser 2] met ZZP ’ers, doet het elk kwartaal belastingaangifte, heeft het een wagenpark met 20 voertuigen, huurt het terrein van [eiser 1] , onderhoudt het contracten met leveranciers en parkeert de voertuigen in de openbare ruimte. Vanwege de verkeersbesluiten wordt de bedrijfsvoering van [eiser 2] juist gehinderd waardoor er geen economische activiteiten kunnen plaatsvinden. Dit bevestigt volgens de gemachtigde het belang van eisers bij het voeren van bestuursrechtelijke procedures. 5. De gemachtigde van eisers heeft niet met stukken onderbouwd dat de door hem genoemde bedrijfsactiviteiten van [eiser 2] ook daadwerkelijk worden ontplooid en heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het vermoeden van misbruik van recht te weerleggen. De rechtbank ziet daarom geen reden om af te wijken van de uitspraak van de Afdeling en is van oordeel dat eisers misbruik hebben gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RVS:2025:542. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4131 en van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:747. Zelfstandige zonder personeel.