Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-27
ECLI:NL:RBAMS:2026:2157
vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Team Strafrecht Parketnummer: 13/190431-22 Datum uitspraak: 27 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. 1 Onderzoek op de zitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 13 februari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat de raadslieden van verdachte, mrs. R.D.A. van Boom en C.C. Polat, naar voren hebben gebracht. 2 Beschuldiging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 13 februari 2026 – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 295 kilogram cocaïne in de periode van 24 januari 2020 tot en met 21 juli 2020; het medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben, van 200 kilogram cocaïne in de periode van 2 december 2020 tot en met 4 december 2020; het medeplegen van (gewoonte)witwassen van € 7.962.000,- in de periode van 20 november 2020 tot en met 14 december 2020. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage van dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. 3 Beoordeling van het tenlastegelegde 3.1. Inleiding Vanuit een strafrechtelijk onderzoek (WERL) naar de cryptocommunicatie aanbieder SkyECC is informatie gedeeld met het strafrechtelijk onderzoek Argus. Het onderzoek Argus heeft onder meer tot doel om de criminele samenwerkingsverbanden die gebruikmaken van cryptotelefoons van Sky-ECC in beeld te brengen en te analyseren door het identificeren van de gebruikers van Sky-accounts. Uit dit onderzoek zijn berichten van de SkyID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] in beeld gekomen, waaruit blijkt dat deze Sky-ID’s deelnamen aan chatgesprekken die betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Op basis van de manier van communiceren in de chats, in combinatie met Access Point Name-gegevens (hierna: APN-gegevens) en Passenger Name Record-gegevens (hierna: PNR-gegevens), en de periode waarin de verschillende accounts elkaar hebben opgevolgd, is het vermoeden ontstaan dat de Sky-ID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] in gebruik waren bij verdachte. 3.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde kan worden bewezen, omdat verdachte als gebruiker van de Sky-ID’s kan worden geïdentificeerd. De PNR-gegevens, waarop de identificatie van verdachte als gebruiker van de Sky-ID’s mede is gebaseerd, kunnen voor het bewijs worden gebruikt. De PNR-richtlijn is niet geschonden, omdat is voldaan aan de wettelijke bewaartermijn. 3.3. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de (enige) gebruiker is van Sky-ID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] . De zendmastgegevens en de PNR-gegevens, op basis waarvan verdachte als enige gebruiker is geïdentificeerd van deze Sky-ID’s, zijn daartoe niet geschikt. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. De PNR-gegevens zijn gevorderd en verkregen over een bepaalde periode, maar op het moment dat die gegevens werden gevorderd en verstrekt was de bewaartermijn van zes maanden als bedoeld in artikel 12 van Richtlijn (EU) 2016/681 (hierna: de Richtlijn), verstreken. Daardoor zijn de gegevens onrechtmatig verkregen. De onrechtmatig verkregen PNR-gegevens moeten dan ook worden uitgesloten van het bewijs. Voor het geval dat niet tot bewijsuitsluiting wordt overgegaan, is aangevoerd dat de PNR-gegevens niet red Wanneer een termijn van zes maanden is verstreken nadat de PNR-gegevens zijn doorgegeven door de luchtvaartmaatschappijen, worden de PNR-gegevens gedepersonaliseerd door afscherming van de gegevenselementen waaruit de identiteit van de passagier op wie de PNR-gegevens betrekking hebben rechtstreeks zou kunnen worden afgeleid. Na deze periode van zes maanden mogen niet-gedepersonaliseerde gegevens uitsluitend worden doorgegeven, als dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor bijvoorbeeld een vordering van gegevens op grond van het Wetboek van Strafvordering in een onderzoek naar een ernstig misdrijf. Volgens bijlage II bij de Richtlijn en de PNR-wet kunnen de illegale handel in verdovende middelen en witwassen onder andere worden aangemerkt als zo’n ernstig misdrijf. In de vordering aan PINL is nader toegelicht dat sprake is van een redelijk vermoeden ten aanzien van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren en uit het dossier blijkt dit ook, zodat de vordering in zoverre voldoet om niet-gedepersonaliseerde gegevens te ontvangen buiten de termijn van zes maanden. Omdat de vordering is ingediend binnen de periode van vijf jaar, faalt het verweer van de verdediging dat de gegevens om deze reden onrechtmatig zijn verkregen. Uit artikel 12, derde lid, onder b, van de Richtlijn volgt daarnaast dat het verstrekken van nietgedepersonaliseerde gegevens na het verstrijken van de termijn van zes maanden moet worden goedgekeurd door een gerechtelijke instantie of een andere nationale instantie die volgens het nationale recht bevoegd is. In artikel 9, eerste lid, onder a, van de PNR-wet is het openbaar ministerie aangewezen als één van de bevoegde instanties die van PI-NL PNRgegevens of het verwerkingsresultaat van die gegevens kan verzoeken en ontvangen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU) heeft in antwoord op Belgische prejudiciële vragen in zijn uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:EU:C:2022:491, Ligue des droit humains t. Ministerraad ) over de bevoegde instantie het volgende geoordeeld: “225. In het specifieke geval van een strafrechtelijk onderzoek vereist een dergelijke toetsing dat die instantie in staat is een juist evenwicht te verzekeren tussen, enerzijds, de legitieme belangen die verband houden met de behoeften van het onderzoek in het kader van de bestrijding van criminaliteit, en, anderzijds, de fundamentele rechten op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op bescherming van de persoonsgegevens van de personen op wier gegevens de toegang betrekking heeft (arrest van 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a., C140/20, EU:C:2022:258, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 226. Daartoe moet die instantie een zodanige status hebben dat zij bij de uitoefening van haar taken objectief en onpartijdig kan handelen, en moet zij vrij zijn van elke invloed van buitenaf. Dit vereiste van onafhankelijkheid impliceert dat zij de hoedanigheid van derde moet hebben ten opzichte van de instantie die om toegang tot de gegevens verzoekt, zodat zij de toetsing zonder beïnvloeding van buitenaf kan verrichten. In het bijzonder impliceert het vereiste van onafhankelijkheid op strafrechtelijk gebied dat die instantie enerzijds niet betrokken mag zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en anderzijds neutraal moet zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure (zie in die zin arrest van 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a., C140/20, EU:C:2022:258, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).” Naar aanleiding van deze uitspraak is door het openbaar ministerie een onafhankelijke PNRofficier van justitie aangewezen die alle vorderingen van zaaksofficieren van justitie toetst. De vordering van de PNR-gegevens bij PI-NL van eerdergenoemde vluchten, waarop een persoon met een telefoon met Sky-ID [ID 3] zou meereizen, is echter van 21 februari 2022 en daarmee vóór deze uitspraak ingediend. De officier van justitie heeft op de zitti Niet is komen vast te staan dat door het vormverzuim geen doeltreffend commentaar op de gegevens kan worden geleverd. Bovendien is bewijsuitsluiting, door het gewijzigde beleid van het openbaar ministerie bij de toetsing van vorderingen tot het verstrekken van PNR-gegevens, niet noodzakelijk als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Bij deze stand van zaken wordt het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de PNRgegevens verworpen. Gelet op de aard van de gegevens en dat sprake is van verstrekking van PNR-gegevens van slechts drie vluchten, is de ernst van het verzuim naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak beperkt. Daarnaast is door de raadslieden weliswaar in zijn algemeenheid gesteld dat verdachte is benadeeld, maar zij hebben dit niet voldoende geconcretiseerd. De rechtbank zal daarom volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim. 3.4.2. Kan verdachte als enige gebruiker van de Sky-ID’s worden geïdentificeerd? De rechtbank moet vervolgens vaststellen of verdachte op basis van bovengenoemde PNRgegevens en de zendmastgegevens kan worden geïdentificeerd als gebruiker van Sky-ID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] en of hij degene is geweest die de berichten over de handel in cocaïne en witwassen heeft verzonden. De rechtbank zal deze gegevens in onderlinge samenhang beschouwen. De rechtbank merkt daarbij (anders dan de officier van justitie) alleen de PNR- en zendmastgegevens als identificerend ten opzichte van verdachte aan. Het overeenkomende onjuiste Engelse taalgebruik, namelijk 'I'm' en 'Am' in chats, die zijn verstuurd via een aantal Sky-ID’s, kan wel worden gebruikt voor de beoordeling of deze Sky-ID’s in gebruik waren bij dezelfde persoon, maar zijn bij gebrek aan informatie over het Engelse taalgebruik door verdachte onvoldoende om vast te stellen dat verdachte deze persoon moet zijn geweest. Uit het dossier blijkt dat de gebruiker van Sky-ID [ID 3] tussen 15 juli 2020 en 13 augustus 2020 heen en weer is gereisd tussen Nederland en Spanje. Verdachte en zijn destijds 6-jarige zoon stonden als enige personen op al deze drie vluchten als passagiers vermeld. De gebruiker van Sky-ID [ID 6] is op 9 december 2020 van Brussel naar Dubai gevlogen en op 20 januari 2021 weer teruggevlogen. Verdachte en één andere passagier stonden als enige passagiers vermeld op deze twee vluchten. De woonplaats van de andere persoon op de vlucht komt niet overeen met de door Sky-ID [ID 6] meest gebruikte CellID. Uit de APN-gegevens blijkt verder dat bovengenoemde Sky-ID's in de nachtelijke uren veelal gebruik hebben gemaakt van dezelfde Cell-ID op [adres] in Amsterdam. Deze Cell-ID ligt op ongeveer 1.080 meter van het inschrijfadres van verdachte. Er zijn daarmee sterke aanwijzingen dat verdachte een gebruiker is van de Sky-ID’s. Daartegenover staan verschillende gegevens uit het dossier, waaruit volgt dat er reisbewegingen zijn gemaakt door de telefoon met Sky-ID [ID 3] , terwijl verdachte zich op dat moment niet in hetzelfde land bevond. Uit de APN-gegevens van Sky-ID [ID 3] volgt bijvoorbeeld dat de telefoon op 12 juli 2020 gedurende de dag actief is, waarbij verschillende Cell-ID’s in Amsterdam zijn aangestraald. De verdediging heeft stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat verdachte op 12 juli 2020 naar Turkije is gevlogen en om 01.15 uur daar is aangekomen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die gegevens. Dat er geen stempels in het paspoort van verdachte staan die met deze inreis overeenkomen, zoals de officier van justitie heeft betoogd, maakt dat niet anders. De verdediging heeft immers naar voren gebracht dat verdachte ook met zijn identiteitskaart naar Turkije heeft kunnen reizen. Deze reis naar Turkije valt in een periode waarin de gebruiker van Sky-ID [ID 3] belangrijke berichten over de invoer van 295 kilo cocaïne heeft verstuurd. Het openbaar ministerie heeft niet uitgezocht o