Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-03-04
ECLI:NL:RBAMS:2026:2134
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/697614 / HA ZA 21-186 Vonnis van 4 maart 2026 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOOKING.COM B.V. , gevestigd te Amsterdam,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht BOOKING.COM (DEUTSCHLAND) GMBH , gevestigd te Berlijn (Duitsland), eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, hierna samen te noemen: Booking.com, advocaat: mr. J.K. de Pree, tegen de rechtspersonen naar buitenlands recht 1. 25HOURS HOTEL COMPANY BERLIN GMBH , gevestigd te Berlijn (Duitsland),2. ALETTO KUDAMM GMBH , gevestigd te Berlijn (Duitsland),3. AIR- HOTEL WARTBURG TAGUNGS- & SPORTHOTEL GMBH , gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),4. ANDEL'S BERLIN HOTELBETRIEBS GMBH , gevestigd te Berlijn (Duitsland),5. ANGLETERRE HOTEL GMBH & CO. KG , gevestigd te Berlijn (Duitsland),6. ATRIUM HOTELGESELLSCHAFT MBH , gevestigd te München (Duitsland),7. AZIMUT HOTELBETRIEB KÖLN GMBH & CO. KG , gevestigd te Köln (Duitsland),8. BARCELO COLOGNE GMBH , gevestigd te Hamburg (Duitsland),9. BUSINESS HOTELS GMBH , gevestigd te Köln (Duitsland),10. COCOON MÜNCHEN GMBH , gevestigd te München (Duitsland),11. DJC OPERATIONS GMBH , gevestigd te Köln (Duitsland),12. DORINT GMBH , gevestigd te Köln (Duitsland), 13 ELEAZAR NOVUM GMBH, gevestigd te Hamburg (Duitsland),14. EMPIRE RIVERSIDE HOTEL GMBH & CO. KG , gevestigd te Hamburg (Duitsland),15. EXPLORER HOTEL FISCHEN GMBH & CO. KG , gevestigd te Fischen (Duitsland),16. EXPLORER HOTEL NESSELWANG GMBH & CO. KG , gevestigd te Nesselwang (Duitsland),17. EXPLORER HOTEL SCHÖNAU GMBH & CO. KG , gevestigd te Schönau a. Königssee (Duitsland),18. FLEMING'S HOTEL MANAGEMENT UND SERVICEGESELLSCHAFT , gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),19. G. STÜRZER GMBH HOTELBETRIEBE , gevestigd te München (Duitsland),20. HOTEL BELLEVUE DRESDEN BETRIEBS GMBH , gevestigd te Köln (Duitsland),21. HOTEL EUROPÄISCHER HOF W.A.L. BERK GMBH & CO. KG , gevestigd te Hamburg (Duitsland),22. HOTEL HAFEN HAMBURG WILHELM BARTELS GMBH & CO. KG , gevestigd te Hamburg (Duitsland),23. HOTEL JOHN F GMBH , gevestigd te Berlijn (Duitsland),24. HOTEL OBERMÜHLE GMBH , gevestigd te Garmisch-Partenkirchen (Duitsland),25. HOTEL ONYX GMBH , gevestigd te Hamburg (Duitsland), gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, hierna samen te noemen: de hotels, advocaat: mr. J.T. Verheij. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 februari 2023 waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) ; - de conclusie van Advocaat-Generaal A.M. Collins van 6 juni 2024; - het arrest van het HvJ van 19 september 2024 (hierna: het arrest van het HvJ); - de beschikking van het HvJ van 30 januari 2025 ter rectificatie van het arrest van 19 september 2024; - de conclusie over de uitspraak van het HvJEU van Booking.com met producties 38 t/m 41; - de antwoord-conclusie na arrest EU Hof van de hotels met producties 68 t/m 76;- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 met de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie 2.1. De rechtbank verwijst voor de feiten en de weergave van de vorderingen naar de tussenvonnissen van 26 oktober 2022 (hierna: het eerste tussenvonnis) en 22 februari 2023 (hierna: het tweede tussenvonnis). Waar nodig worden de feiten in dit vonnis verder aangevuld. Pariteitsclausules zijn geen toegelaten nevenrestrictie 2.2. In het tweede tussenvonnis heeft de rechtbank het HvJ de vraag voorgelegd of de brede en smalle pariteitsclausules in het kader van artikel 101 lid 1 VWEU zijn aan te merken als een nevenrestrictie. Volgens het HvJ is dat niet het geval. Het antwoord is, voor zover van belang, in het arrest als volgt uitgewerkt: “(…) 59 In de eerste plaats blijkt de in casu aan de orde zijnde primaire transactie, namelijk de verlening van onlinehotelreserveringsdiensten door platformen De hotels hebben de rechtbank verzocht van deze beslissing terug te komen gelet op het arrest van het HvJ in de zaak Repsol van 20 april 2023 en het vonnis van 6 december 2023 van deze rechtbank in de zaak Macedonian Thrace Brewery tegen Heineken . De hotels hebben aangevoerd dat het HvJ in de Repsol-zaak, anders dan de rechtbank in het eerste tussenvonnis, heeft overwogen dat artikel 9 van de Kartelschaderichtlijn van materieel recht is. Artikel 33b GWB, dat de implementatie is van artikel 9 van de Kartelschaderichtlijn, is daarmee ook van materieel recht zodat de rechtbank zich gebonden moet achten aan het oordeel van zowel het BKartA als de Duitse rechters aangezien sprake is van een onweerlegbaar wettelijk vermoeden. De hotels wijzen ter verdere onderbouwing op de hiervoor genoemde zaak tegen Heineken, waarin de rechtbank zich met dezelfde redenering gebonden heeft geacht aan het besluit van de Griekse mededingingsautoriteit. 2.8. De rechtbank volgt de hotels niet in het betoog dat het besluit van het BKartA en de beslissingen van de Duitse rechters in deze procedure een onweerlegbaar vermoeden van een inbreuk op het mededingingsrecht vormen. Bij dat oordeel is het volgende van belang. 2.9. Artikel 9 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn luidt als volgt: “De lidstaten zorgen ervoor dat indien in een andere lidstaat een definitieve beslissing in de zin van lid 1 is genomen deze definitieve beslissing overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels voor hun nationale rechterlijke instanties tenminste kan worden gebruikt als een prima facie bewijs van het feit dat zich een inbreuk op het mededingingsrecht heeft voorgedaan, en naar gelang het geval, naast eventueel ander door de partijen aangevoerd bewijsmateriaal kan worden beoordeeld.” 2.10. Zoals de rechtbank in het eerste tussenvonnis heeft overwogen (zie rechtsoverweging 4.42) heeft de Nederlandse wetgever bij de implementatie van de Kartelschaderichtlijn overwogen dat beslissingen van buitenlandse mededingingsautoriteiten vrije bewijskracht hebben, reden waarom artikel 9 niet in de Nederlandse wetgeving is omgezet. De Nederlandse rechter die wordt geconfronteerd met een (definitieve) inbreukbeslissing uit een andere lidstaat kan deze dan ook als prima facie bewijs beschouwen en tegenbewijs toelaten. Dit is in overeenstemming met de tekst van artikel 9 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn. De rechtbank vindt ook steun voor dit oordeel in de conclusie van AG Collins bij het arrest van het HvJ en in het arrest zelf. De AG overweegt in randnummer 29 onder verwijzing naar artikel 9 lid 2: “De verwijzende rechter is derhalve niet gebonden aan de vaststellingen in het Booking.com-besluit, het HRS-besluit of de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties”. In randnummer 39 overweegt het HvJ: “Hieruit volgt dat de verwijzende rechter, gesteld al dat bij hem daadwerkelijk een schadevordering aanhangig is gemaakt die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, hetgeen hij dient uit te maken, niet noodzakelijkerwijs gebonden is door de besluiten van het Bundeskartellamt of de daaropvolgende beslissingen van de Duitse rechterlijke instanties in verband met de prijspariteitsclausules. (…)”. 2.11. De conclusie van AG Collins en het arrest van het HvJ bevatten ook aanwijzingen over hoe de rechtbank de Duitse besluiten en uitspraken in deze procedure moet waarderen. In dat verband is relevant wat de AG schrijft in overweging 44 van zijn conclusie: “44 Ingevolge artikel 9, lid 2, van richtlijn 2014/104 moet de verwijzende rechter het Booking.com-besluit en de daaropvolgende uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties ten minste opvatten als prima facie bewijs dat de smalle prijspariteitsclausules inbreuk maken op het mededingingsrecht. De verwijzende rechter kan ook het HRS-besluit, dat niet tot Booking.com gericht was, en de latere uitspraken van de Duitse rechterlijke instanties met betrekking tot dat besluit, in aanmerking nemen als “eventueel ander door de part Partijen verschillen van mening over de juiste afbakening van de relevante productmarkt. Volgens de hotels is de relevante markt die van hotelreserveringsplatforms (ook wel OTA’s genoemd). Volgens Booking.com is de markt breder en wordt deze gevormd door alle distributiekanalen voor kamers in hotels en andere accommodaties, inclusief de eigen website van de accommodaties. 2.18. Het HvJ heeft de vraag van de rechtbank hoe de relevante productmarkt moet worden afgebakend in een situatie waarin een hotelreserveringsplatform bemiddelt bij transacties tussen accommodaties en consumenten als volgt beantwoord: “82. Wat de productmarkt betreft (…) blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het begrip „ r elevante markt” inhoudt dat het tussen de van die markt deel uitmakende producten of diensten tot daadwerkelijke mededinging kan komen, hetgeen veronderstelt dat alle producten of diensten die deel uitmaken van een en dezelfde markt, elkaar voor hetzelfde gebruik in voldoende mate kunnen substitueren. Het onderzoek of producten of diensten onderling verwisselbaar of substitueerbaar zijn, mag niet alleen uitgaan van de objectieve kenmerken van de betrokken producten of diensten. Daarbij moeten eveneens de mededingingsomstandigheden en de structuur van vraag en aanbod op de markt in aanmerking worden genomen (…). 84. In dit verband staat in punt 95 van de in punt 81 van het onderhavige arrest genoemde herziene bekendmaking te lezen dat in het geval van multi-sided platforms een relevante productmarkt kan worden afgebakend voor de producten die het platform als geheel aanbiedt, op een wijze die alle (of meerdere) groepen gebruikers omvat; ook kunnen in dat geval afzonderlijke (hoewel onderling verbonden) relevante productmarkten worden afgebakend voor de producten die aan elke zijde van het platform worden aangeboden. Afhankelijk van de feiten in de zaak kan het meer aangewezen zijn om afzonderlijke markten af te bakenen wanneer er tussen de verschillende zijden van het platform aanzienlijke verschillen in de substitutiemogelijkheden zijn. Om na te gaan of er sprake is van dergelijke verschillen, kunnen factoren in aanmerking worden genomen zoals de vraag of het verschillende ondernemingen zijn die substitueerbare producten voor elke groep gebruikers aanbieden, de mate van productdifferentiatie aan elke zijde (of de perceptie daarover bij elke groep gebruikers), gedragsfactoren zoals de homing-keuzen van elke gebruikersgroep en de aard van het platform. 85. Om voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 het marktaandeel van Booking.com als aanbieder van onlinetussenhandelsdiensten aan accommodaties te bepalen, moet dus worden onderzocht of andere soorten tussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen daarmee substitueerbaar zijn uit het oogpunt van de vraag naar die diensten van enerzijds de accommodaties en anderzijds de eindklanten. 86. Om de relevante markt te bepalen, moet de verwijzende rechter dus nagaan of de onlinetussenhandelsdiensten en andere verkoopkanalen daadwerkelijk onderling substitueerbaar zijn, ongeacht of deze kanalen verschillende kenmerken vertonen en niet dezelfde zoek- en vergelijkingsfuncties voor hotelaanbiedingen hebben. 87. Daarbij dient de verwijzende rechter rekening te houden met alle informatie die hem is voorgelegd. (…) (…) 90. Het staat niettemin aan de verwijzende rechter om uit te maken of een dergelijke afbakening van de markt waarbij uit het oogpunt van zowel de accommodaties als de eindklanten rekening wordt gehouden met de bijzondere kenmerken van de „contractdiensten” die de OTA’s aanbieden, enige analysefout bevat of op onjuiste vaststellingen berust. 91. Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat in een situatie waarin een onlinehotelreserveringsplatform bemiddelt bij transacties tussen accommodaties en consumenten, de afbakening van de relevante markt voor de toep Dat volgens het BKartA vanuit het perspectief van de reiziger de zoek-, vergelijk- en boekfuncties relevant zijn, betekent niet zonder meer dat zij het oordeel over de marktafbakening nagenoeg geheel op die functies heeft gebaseerd. Het BKartA stelt in randoverweging 137 juist de bemiddelingsdiensten die Booking.com verleent aan accommodaties voorop en ziet de zoek-, vergelijk- en boekfuncties als daarvan afgeleide diensten voor de reizigers (“ eine Nebenleistung der Hotelportale zu dieser Vermittlungsdienstleistung ”). Onder randnummer 143 en verder overweegt het BKartA dat en waarom andere kanalen niet tot de relevante markt behoren. 2.24. Wat het BKartA niet, althans niet kenbaar, in de beoordeling heeft betrokken, is of vanuit het perspectief van de reiziger andere verkoopkanalen, zoals het directe verkoopkanaal van een accommodatie, een substituut vormen voor het hotelreserveringsplatform van Booking.com. In zoverre volgt de rechtbank hetgeen Booking.com daarover heeft aangevoerd. 2.25. Al met al lijkt het BKartA bij de marktafbakening dus wel het perspectief van de reiziger te hebben betrokken, maar niet, althans onvoldoende kenbaar, de substitueerbaarheid van hotelreserveringsplatforms met andere verkoopkanalen vanuit dat perspectief. Dat had gelet op het arrest van het HvJ wel gemoeten en in zoverre berusten de Duitse uitspraken in de Booking.com zaak op een analysefout en/of onjuiste vaststellingen. Dat betekent dat de rechtbank, voor zover het gaat om de overwegingen over de marktafbakening, deze uitspraken niet als een “uiterst relevant contextueel gegeven” in haar beoordeling hoeft te betrekken. De rechtbank zal zelf de relevante productmarkt moeten afbakenen, waarbij zij (zoals het HvJ in rechtsoverweging 87 heeft overwogen) rekening moet houden met alle informatie die aan haar is voorgelegd. 2.26. In dat verband zijn de uitspraken van de Franse , Italiaanse , Zweedse en Tsjechische autoriteiten van belang, waarin zij, net als het BKartA, de markt smal hebben afgebakend als de markt voor hotelreserveringsplatforms. Daarbij valt op dat in Zweden geen debat lijkt te zijn gevoerd over de vraag of andere verkoopkanalen vanuit het perspectief van de reiziger een substituut vormen voor hotelreserveringsplatforms. Die vraag lijkt in de Tsjechische en Italiaanse zaak ook niet aan de orde te zijn geweest. En ook in de Franse zaak wordt de vraag naar substituten voor hotelreserveringsplatforms alleen benaderd vanuit het perspectief van de hotels. 2.27. Recenter heeft ook de Europese Commissie in een besluit van 25 september 2023 in de zaak Booking Holdings/Etraveli Group de markt smal afgebakend. De Europese Commissie heeft in dat verband onderzoek gedaan en conclusies getrokken ten aanzien van vragen die ook bij de marktafbakening in de onderhavige procedure relevant zijn. De Commissie heeft netwerkeffecten in haar onderzoek betrokken, waarbij ook het perspectief van de reiziger is meegewogen. Anders dan in de hiervoor genoemde buitenlandse uitspraken heeft de Commissie, onder verwijzing naar diverse onderzoeken, gemotiveerd waarom het directe verkoopkanaal van hotels niet tot dezelfde markt behoort. De conclusies uit het besluit zijn evenwel niet zonder meer toepasbaar op de onderhavige zaak. Nog daargelaten dat Booking.com tegen dit besluit beroep heeft ingesteld, ging het in de zaak Etraveli (i) om de beoordeling van een concentratie en ziet de marktafbakening (ii) op een andere relevante periode en (iii) ander geografisch gebied (de hele EER). De Spaanse mededingingsautoriteit heeft tot slot in een besluit van 29 juli 2024 in een zaak tegen Booking.com de door de Commissie gemaakte marktafbakening onderschreven. De Spaanse autoriteit betrekt evenwel uitdrukkelijk niet het perspectief van de reiziger in de beoordeling van de relevante markt. Dat lijkt gelet op het arrest van het HvJ niet juist. 2.28. Verder is van belang dat Booking.com heeft gewezen op het door haar overgelegde rapport van Oxera van 20 juni 2025 (hiern Mededingingsbeperkend effect smalle pariteitsclausule 2.33. De rechtbank zal nu ingaan op de vraag of de smalle pariteitsclausule, die werd gebruikt vanaf 1 juli 2015 tot 1 februari 2016, een merkbaar effect heeft gehad op de mededinging. 2.34. De hotels worden niet gevolgd in hun betoog dat uit rechtsoverweging 62 van het arrest van het HvJ volgt dat het HvJ heeft vastgesteld dat de pariteitsclausules “duidelijk aanzienlijke beperkende gevolgen hebben”. Deze overweging in het arrest rechtvaardigt niet een dergelijke conclusie. In de eerste plaats is deze overweging gedaan in de context van de toets of sprake is van een toegelaten nevenrestrictie. Bovendien vergt een dergelijke verstrekkende conclusie (als die als zodanig bedoeld zou zijn) een gedegen onderzoek naar effecten op de betrokken markt (die nog niet is vastgesteld) en behoeft een en ander een deugdelijke motivering. Wat de beperkende gevolgen zouden zijn wordt in de uitspraak helemaal niet benoemd. Dat smalle pariteitsclausules beperkende gevolgen hebben kan bovendien in het algemeen niet worden gezegd, gelet op het feit dat de Commissie in de nieuwe Groepsvrijstelling smalle pariteitsclausules van het verbod heeft vrijgesteld, indien deze verordening gelet op de marktaandeelgrens van toepassing is. 2.35. De smalle pariteitsclausule was onderdeel van de Duitse Booking.com procedure die is geëindigd met het arrest van het BGH van 18 mei 2021. In dat arrest heeft het BGH het besluit van het BKartA van 22 december 2015 bevestigd dat deze clausule de mededinging merkbaar beperkte in de zin van artikel 101 lid 1 VWEU. Waar het BKartA heeft overwogen dat dit geldt voor zowel de markt voor hotelreserveringsplatforms als voor de markt voor distributie van hotelkamers, volstaat het BGH met het oordeel dat sprake is van een beperking van de mededinging op die laatste markt. Of (ook) sprake is van een mededingingsbeperking op de markt voor hotelreserveringsplatforms wordt door het BGH in het midden gelaten. Het mededingingsbeperkend effect wordt volgens het BGH versterkt doordat andere hotelreserveringsplatforms ook pariteitsclausules gebruiken. 2.36. Deze vaststellingen hebben in de onderhavige procedure overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de Kartelschaderichtlijn te gelden als tenminste prima faciebewijs van een inbreuk. Verwezen wordt naar de randnummers 28 en 29 van de conclusie van AG Collins bij het arrest en de overwegingen in randnummers 38 tot en met 40 en 89 van het arrest van het HvJ (zoals hiervoor onder 2.8-2.12 nader toegelicht). Dat betekent dat de rechtbank niet zonder meer is gebonden aan de vaststellingen in de Duitse procedures, tegenbewijs staat open. 2.37. Booking.com heeft betwist dat de (smalle) pariteitsclausule een merkbaar effect heeft gehad op de mededinging. Zij heeft onder meer verwezen naar het eerste Oxera rapport en aangevoerd dat tussen de 50% en 80% van de accommodaties in deze procedure gedurende de relevante periode en daarna geen prijspariteit bood, ongeacht of zij waren gebonden aan een (brede of smalle) pariteitsclausule. Booking.com heeft er ook op gewezen dat ten tijde van het onderzoek van het BKartA de smalle pariteitsverplichting nog gold. Voor de beoordeling van het effect op de mededinging, diende het BKartA dus een vergelijking te maken van de situatie waarin de smalle pariteitsclausule gold met de hypothetische situatie die zou hebben gegolden zonder die clausule. 2.38. De rechtbank moet de overwegingen van het BKartA dan ook in dat kader bezien. Het BKartA heeft onder meer overwogen dat accommodaties wel met prijzen op verschillende verkoopkanalen wilden differentiëren, maar dat niet deden omdat zij gebonden waren aan een smalle pariteitsclausule. De aanname die het BKartA in dit verband heeft gedaan is dat, in de hypothetische situatie zonder smalle pariteitsclausule, de accommodaties wel aan prijsdifferentiatie zouden doen. 2.39. Het BGH heeft bevestigd dat accommodaties die gebonden waren aan een smalle paritei Daarbij komt dat, zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, niet alleen volgens Booking.com maar ook volgens de hotels, na afschaffing van de smalle pariteitsclausule de mededinging op de markt niet merkbaar is veranderd. Die constatering doet ook de Zweedse Patent and Market Court of Appeal in de uitspraak van 9 mei 2019 over de smalle pariteitsclausule van Booking.com. Daarin wordt overwogen dat te verwachten valt dat de afschaffing van de smalle pariteit in Duitsland (en Frankrijk) effect zou hebben op de prijzen voor hotelkamers, commissies en mogelijkheden voor nieuwe hotelreserveringsplatforms om de markt te betreden, maar dat dergelijke effecten niet zijn gebleken. Tot slot is in dit verband van belang dat Booking.com er onbetwist op heeft gewezen dat de commissies die Booking.com vraagt voor haar diensten na afschaffing van de pariteit gelijk zijn gebleven. Dit zou betekenen dat de afschaffing van de smalle pariteitsclausule niet heeft geleid tot concurrentie tussen hotelreserveringsplatforms op commissies, hetgeen wel de verwachting was van het BKartA. Ook Oxera wijst er in haar eerste rapport op dat afschaffing van de smalle pariteit geen effect heeft gehad op de commissies of op de structuur van de markt. Tussenconclusie – hotels moeten/mogen nader bewijs leveren 2.43. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Booking.com voldoende twijfel heeft gezaaid over het prima facie vaststaande bewijs dat de smalle pariteitsclausule een merkbare inbreuk op de mededinging heeft gevormd. Dat betekent dat de hotels ter onderbouwing van hun betoog dat dit wél het geval is, niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het besluit van het BKartA (zoals bevestigd door het BGH). De hotels zullen dan ook nader bewijs moeten leveren van die stelling, waarbij dus ook (zoals hiervoor is besproken) de relevante productmarkt zal moeten worden afgebakend (waarvoor voorlichting door een deskundige nodig is). De hotels zullen worden toegelaten tot het leveren van dit (nadere) bewijs. Mededingingsbeperkend effect brede pariteitsclausule 2.44. In het geval dat komt vast te staan dat de smalle pariteitsclausule de mededinging merkbaar heeft beperkt, ligt het voor de hand dat dit ook geldt voor de brede pariteitsclausule. Die clausule beperkte de vrijheid van hotels om hun eigen prijzen te bepalen in nog sterkere mate dan de smalle pariteitsclausule. Dit is echter niet noodzakelijkerwijs het geval, alleen al omdat de brede pariteitsclausule gold gedurende een andere periode (met mogelijk andere marktomstandigheden) dan de smalle pariteitsclausule. 2.45. Ook in het geval dat niet komt vast te staan dat de smalle pariteitsclausule de mededinging merkbaar heeft beperkt, dient nog te worden beoordeeld of en in hoeverre de brede pariteitsclausule heeft geleid tot een merkbare beperking van de mededinging. Ook hier rust de bewijslast op de hotels en zij zullen in de gelegenheid worden gesteld hiervan (nader) bewijs te leveren. Verjaring 2.46. De hotels hebben de rechtbank op de mondelinge behandeling van 1 juli 2025 gevraagd om terug te komen van de beslissing over verjaring in het eerste tussenvonnis. Onder verwijzing naar het arrest van het HvJ van 22 juni 2022 in de zaak Volvo en DAF Trucks NV tegen RM betogen de hotels dat verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht pas kunnen ingaan wanneer de inbreuk is beëindigd. De (gestelde) inbreuk is in dit geval op zijn vroegst begin 2016 beëindigd en de verjaringstermijn is pas eind 2016 ingegaan. Voor 31 december 2021 konden de vorderingen van de hotels dus niet zijn verjaard. Zoals volgt uit het arrest van het HvJ van 18 april 2024 in de zaak Google/Heureka, is de voorwaarde dat de inbreuk moet zijn beëindigd bedoeld om een afschrikwekkend effect te sorteren en de inbreukpleger ertoe aan te zetten om sneller een einde te maken aan de inbreuk. Uit deze arresten van het HvJ volgt volgens de hotels daarom dat, ongeacht bekendheid van de hot