Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2026-02-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:2088
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,013 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2088 text/xml public 2026-03-12T14:00:59 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-26 13-341638-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2088 text/html public 2026-03-10T10:47:50 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2088 Rechtbank Amsterdam , 26-02-2026 / 13-341638-25 Executie EAB uit Duitsland. Artikel 12 OLW; De opgeëiste persoon is in persoon aanwezig geweest bij het grondslag vonnis. Artikel 12 is dan ook niet van toepassing op dit vonnis. De aanvankelijk opgelegde voorwaardelijke straf is omgezet wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit. In de zaak van het nieuwe strafbare feit is vonnis gewezen, waartegen vervolgens hoger beroep is ingesteld. Dit hoger beroep wordt getoetst aan art 12. De rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon op de zitting aanwezig is geweest, hij zelf hoger beroep heeft ingesteld, vervolgens is vertrokken zonder een adreswijziging door te geven en hij niet nader heeft geïnformeerd over de stand van zaken van het hoger beroep. Overlevering toestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-341638-25 Datum uitspraak: 26 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 24 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2025 door the Memmingen Local Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaatsin Nederland, nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ), hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van Memmingen Local Court van 21 juni 2023, referentienummer2 Ds 102 Js 58/23 . De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en drie maanden minus 171 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 26 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot dit vonnis heeft geleid. De vermelding ‘2 Ds 201 Js 58/23’ in die aanvullende informatie merkt de rechtbank aan als een kennelijke verschrijving. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Blijkens het EAB en aanvullende informatie van 22 januari 2026 is sprake geweest van een voorwaardelijke invrijheidsstelling van de opgeëiste persoon. Deze voorwaardelijke invrijheidsstelling is herroepen met de beslissing van the Memmingen Local Court van 14 februari 2025, referentienummer BRs 2 Ds 102 Js 58/23, vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit. De opgeëiste persoon is voor dit nieuwe strafbare feit veroordeeld bij vonnis van 28 augustus 2024 door Amtsgericht Günzburg , referentienummer 1 Ds 402 Js 8683/24. Uit aanvullende informatie van 26 januari 2026 en het daarbij gevoegde ingevulde D-formulier blijkt verder dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen dat vonnis. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2024 , op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon is bij de procedure in eerste aanleg in persoon aanwezig geweest. Hij heeft vervolgens zelf hoger beroep ingesteld en is daarna verdwenen. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure in hoger beroep en is desondanks vertrokken zonder adresgegevens door te geven. Bovendien heeft hij niet geïnformeerd naar de stand van zaken van het hoger beroep. Hij heeft hiermee stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten. Oordeel van de rechtbank Bij beslissing van the Memmingen Local Court van 14 februari 2025 , referentie BRs 2 Ds 102 Js 58/23 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen. Deze beslissing tot herroeping is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd en valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In het vonnis van het Amtsgericht Günzburg met referentie 1 Ds 402 Js 8683/24 van 28 augustus 2024 is de opgeëiste persoon veroordeeld voor het plegen van een nieuw strafbaar feit. Na hoger beroep is deze veroordeling op 28 januari 2025 onherroepelijk geworden. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten van 22 en 26 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat hij ook is gewezen op de gevolgen van het nalaten daarvan. Tevens blijkt uit die informatie dat de opgeëiste persoon, die in persoon aanwezig was bij de zitting in eerste aanleg, vervolgens zelf hoger beroep heeft ingesteld. Daarna was hij onvindbaar voor de uitvaardigende justitiële autoriteit zodat de oproeping voor de zitting in hoger beroep via een publieke kennisgeving bekend is gemaakt. Vervolgens is de opgeëiste persoon niet verschenen op de zitting in hoger beroep waarna het hoger beroep is afgewezen. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure in hoger beroep op de hoogte was.
Volledig
ECLI:NL:RBAMS:2026:2088 text/xml public 2026-03-12T14:00:59 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-02-26 13-341638-25 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Amsterdam Strafrecht; Internationaal strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2088 text/html public 2026-03-10T10:47:50 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:2088 Rechtbank Amsterdam , 26-02-2026 / 13-341638-25 Executie EAB uit Duitsland. Artikel 12 OLW; De opgeëiste persoon is in persoon aanwezig geweest bij het grondslag vonnis. Artikel 12 is dan ook niet van toepassing op dit vonnis. De aanvankelijk opgelegde voorwaardelijke straf is omgezet wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit. In de zaak van het nieuwe strafbare feit is vonnis gewezen, waartegen vervolgens hoger beroep is ingesteld. Dit hoger beroep wordt getoetst aan art 12. De rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon op de zitting aanwezig is geweest, hij zelf hoger beroep heeft ingesteld, vervolgens is vertrokken zonder een adreswijziging door te geven en hij niet nader heeft geïnformeerd over de stand van zaken van het hoger beroep. Overlevering toestaan. RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-341638-25 Datum uitspraak: 26 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 24 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2025 door the Memmingen Local Court, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaatsin Nederland, nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ), hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De raadsman heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van Memmingen Local Court van 21 juni 2023, referentienummer2 Ds 102 Js 58/23 . De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en drie maanden minus 171 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 26 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot dit vonnis heeft geleid. De vermelding ‘2 Ds 201 Js 58/23’ in die aanvullende informatie merkt de rechtbank aan als een kennelijke verschrijving. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Blijkens het EAB en aanvullende informatie van 22 januari 2026 is sprake geweest van een voorwaardelijke invrijheidsstelling van de opgeëiste persoon. Deze voorwaardelijke invrijheidsstelling is herroepen met de beslissing van the Memmingen Local Court van 14 februari 2025, referentienummer BRs 2 Ds 102 Js 58/23, vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit. De opgeëiste persoon is voor dit nieuwe strafbare feit veroordeeld bij vonnis van 28 augustus 2024 door Amtsgericht Günzburg , referentienummer 1 Ds 402 Js 8683/24. Uit aanvullende informatie van 26 januari 2026 en het daarbij gevoegde ingevulde D-formulier blijkt verder dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen dat vonnis. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2024 , op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon is bij de procedure in eerste aanleg in persoon aanwezig geweest. Hij heeft vervolgens zelf hoger beroep ingesteld en is daarna verdwenen. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure in hoger beroep en is desondanks vertrokken zonder adresgegevens door te geven. Bovendien heeft hij niet geïnformeerd naar de stand van zaken van het hoger beroep. Hij heeft hiermee stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten. Oordeel van de rechtbank Bij beslissing van the Memmingen Local Court van 14 februari 2025 , referentie BRs 2 Ds 102 Js 58/23 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen. Deze beslissing tot herroeping is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd en valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. In het vonnis van het Amtsgericht Günzburg met referentie 1 Ds 402 Js 8683/24 van 28 augustus 2024 is de opgeëiste persoon veroordeeld voor het plegen van een nieuw strafbaar feit. Na hoger beroep is deze veroordeling op 28 januari 2025 onherroepelijk geworden. Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten van 22 en 26 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat hij ook is gewezen op de gevolgen van het nalaten daarvan. Tevens blijkt uit die informatie dat de opgeëiste persoon, die in persoon aanwezig was bij de zitting in eerste aanleg, vervolgens zelf hoger beroep heeft ingesteld. Daarna was hij onvindbaar voor de uitvaardigende justitiële autoriteit zodat de oproeping voor de zitting in hoger beroep via een publieke kennisgeving bekend is gemaakt. Vervolgens is de opgeëiste persoon niet verschenen op de zitting in hoger beroep waarna het hoger beroep is afgewezen. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure in hoger beroep op de hoogte was.